Naar hoofdinhoud

Artikel III

Voorschriften

Onderdeel van Kavelbesluit I windenergiegebied Hollandse Kust (zuid)· Ruimtelijke ordening en milieu

Deze tekst geldt sinds 1 februari 2017

In dit besluit wordt verstaan onder: akoestisch(e) afschrikmiddel(len): apparaat waarmee door middel van een geluidssignaal zeezoogdieren en vissen worden verjaagd; ashoogte: de hoogte van de rotor-as, waaraan de rotorbladen van de windturbine zijn bevestigd, ten opzichte van het zeeniveau; bevoegd gezag Wet windenergie op zee: de Minister van Economische Zaken; continu gebruik: betreft het voortdurend in gebruik zijn van de windturbine behoudens periodes van onderhoud; cut-in windspeed: de laagste windsnelheid waarbij de turbine energie gaat leveren; dB re 1µPa2s: eenheid voor SEL; geluidsniveau: het over de frequentiebanden gesommeerde bronniveau; heiplan: plan waarin de vergunninghouder uiteenzet op welke wijze de funderingspalen worden geheid, welke mitigerende geluid beperkende maatregelen worden genomen en op welke wijze het geluidsniveau wordt gemeten en gerapporteerd; massale vogeltrek: een vogeldichtheid van 500 vogels op rotorhoogte per kilometer per uur; Mean Sea Level (MSL): de gemiddelde hoogte van de zeespiegel (het vlak van de zee), als alle variaties die het gevolg zijn van de getijden worden weggemiddeld; monitorings- en evaluatieprogramma: programma waarin de activiteiten zijn beschreven die door of namens de overheid worden uitgevoerd om de leemtes in kennis vast te stellen; nachtlichtperiode: deel van een etmaal met omgevingslichtsterkte minder of gelijk aan 50 cd/m2; normale condities: de gemiddelde meteorologische omstandigheden die gedurende 1 jaar in een bepaald gebied voorkomen; nominaal vermogen: het maximale vermogen van de productie-installatie dat onder normale condities benut kan worden voor de productie van hernieuwbare elektriciteit en dat door de leverancier gegarandeerd wordt bij continu gebruik; rotordiameter: de diameter van de denkbeeldige cirkel die door de rotorbladen (wieken) van de windturbine wordt bestreken; rotoroppervlak: het oppervlak van de denkbeeldige cirkel die door de rotorbladen (wieken) van de windturbine wordt bestreken; schemerlichtperiode: deel van een etmaal met omgevingslichtsterkte tussen 50 en 500 cd/m2; SEL: Sound Exposure Level; tiphoogte: de ashoogte plus de halve rotordiameter; tiplaagte: de ashoogte min de halve rotordiameter; vergunninghouder: houder van een vergunning op grond van artikel 12 van de Wet windenergie op zee; wiek: rotorblad; windpark: een samenstel van voorzieningen waarmee elektriciteit met behulp van wind wordt geproduceerd, waarbij onder een samenstel van voorzieningen wordt verstaan alle aanwezige middelen die onderling met elkaar zijn verbonden voor de productie van elektriciteit met behulp van wind. Het windpark wordt geplaatst binnen de contour met de volgende coördinaten: UTM coördinaten (ETRS89, zone 31) Locatie Punt Oostelijk Noordelijk Kavel I S_01 576.948,7 5.808.275,5 Kavel I S_02 576.952,6 5.808.157,7 Kavel I S_03 575.197,5 5.804.680,4 Kavel I S_04 579.083,4 5.802.567,5 Kavel I S_05 578.933,5 5.802.214,5 Kavel I S_06 568.076,4 5.799.744,2 Kavel I S_07 563.545,3 5.799.743,0 Kavel I WFZd_32 564.404,0 5.804.398,4 Kavel I S_08 571.480,7 5.804.824,1 Kavel I WFZd_34 572.804,4 5.807.112,0 De kaart met de ligging van kavel I is opgenomen in de bijlage bij deze voorschriften. Het tracé van de aansluitverbinding naar platform Alpha ligt binnen de volgende coördinaten: UTM coördinaten (ETRS89, zone 31) Locatie Punt Oostelijk Noordelijk Tracé CE_01 571.736,3 5.800.577,1 Tracé CE_02 571.497,2 5.797.442,1 Tracé CE_03 571.151,4 5.797.148,8 Tracé CE_04 571.119,7 5.797.080,8 Tracé TOS_01 571.100,0 5.797.090,0 Tracé CE_05 570.195,2 5.797.511,9 Tracé S_06 568.076,4 5.799.744,2 De kaart met de ligging van het tracé is opgenomen in de bijlage bij deze voorschriften. Er worden geen windturbines geplaatst in de onderhoudszones van de Concerto 1 Segment 1 North en Circe 1 North. Deze zones worden begrensd door de punten in onderstaande tabel en die ook zijn weergegeven op de kaart in de bijlage bij deze voorschriften. UTM coördinaten (ETRS89, zone 31) Locatie Punt Oostelijk Noordelijk Kavel I WFZd_34 572.804,4 5.807.112,0 Kavel I MZ_01 572.930,6 5.807.051,4 Kavel I MZ_02 575.648,3 5.805.573,6 Kavel I S_03 575.197,5 5.804.680,4 Kavel I MZ_03 572.589,3 5.806.098,7 Kavel I MZ_04 572.197,7 5.806.063,4 Kavel I MZ_05 571.707,3 5.805.215,8 Kavel I MZ_06 578.854,4 5.802.196,4 Kavel I MZ_07 577.182,7 5.801.816,5 Kavel I MZ_08 570.241,5 5.804.749,6 Kavel I S_08 571.480,7 5.804.824,1 De rotorbladen van de windturbines blijven volledig binnen de in het eerste lid genoemde contour en volledig buiten de in het derde lid genoemde onderhoudszones. Het maximale aantal op te richten windturbines is 63. Het maximale totale rotoroppervlak is 1.461.542 m2. In het windpark worden uitsluitend turbines met, per turbine, een geïnstalleerd vermogen minimaal 6 MW geplaatst. De minimale afstand tussen windturbines bedraagt 4 maal de rotordiameter uitgedrukt in meters. De minimale tiplaagte is 25 meter boven zeeniveau (MSL). De maximale tiphoogte is 251 meter boven zeeniveau (MSL). De kabels vanaf de windturbines moeten aangesloten worden op platform Alpha. De toegestane funderingen voor de windturbines zijn: monopile; tripod; jacket; gravity based; suction bucket. Indien de vergunninghouder een fundering wil toepassen die niet in dit lid is genoemd zal hij de milieueffecten hiervan moeten bepalen. De milieueffecten worden voorgelegd aan de Minister van Economische Zaken. De milieueffecten mogen de grenzen die in dit besluit zijn vastgelegd niet overschrijden. Als opofferingsanodes gebruikt worden als kathodische bescherming van stalen constructies, bestaan deze uit legeringen van aluminium of magnesium. De legeringen mogen kleine hoeveelheden(< 5 gewicht %) andere metalen bevatten. De schepen die door of namens de vergunninghouder worden ingezet, moeten bij hun vaarbewegingen rekening houden met de aanwezigheid van zeehonden op de aanwezige platen en de aangewezen rustgebieden alsmede rekening te houden met aanwezige vogelconcentraties. Hierbij dienen de maatregelen zoals genoemd in het Beheerplan Voordelta, het Beheerplan Deltawateren, het Ontwerpbeheerplan Waddenzee en het Ontwerpbeheerplan Noordzeekustzone in acht te worden genomen. De bepalingen uit de betreffende (Ontwerp)Beheerplannen zijn opgenomen in de bijlage bij deze voorschriften. Dit voorschrift vervalt op het moment dat in het Beheerplan Voordelta, het Beheerplan Deltawateren, het Beheerplan Waddenzee en het Beheerplan Noordzeekustzone de schepen zoals bedoeld in de eerste volzin zijn opgenomen als bestaand gebruik. De vergunninghouder spant zich aantoonbaar in om het park zodanig te ontwerpen en te realiseren dat het park actief bijdraagt aan versterking van een gezonde zee en versterking van behoud en duurzaam gebruik van soorten en habitats die van nature in Nederland voorkomen. De vergunninghouder stelt daartoe een plan van aanpak op en dient dat uiterlijk 8 weken voorafgaand aan de start van de bouw in bij de Minister van Economische Zaken. De werkzaamheden worden uitgevoerd conform dit plan van aanpak. De vergunninghouder spant zich aantoonbaar in om met inachtneming van geldende regelgeving het park zodanig te ontwerpen te bouwen en te exploiteren dat het windpark actief bijdraagt aan versterking van lokale en regionale economie. De vergunninghouder stelt daartoe een plan van aanpak op en dient dat uiterlijk 8 weken voorafgaand aan de start van de bouw in bij de Minister van Economische Zaken. De werkzaamheden worden uitgevoerd conform dit plan van aanpak. Tijdens reparaties en onderhoud van telecomkabels moet het aantal rotaties per minuut per windturbine van de windturbines, die zich in een straal van 1.000 meter van de reparatie- en onderhoudslocatie bevinden, tot minder dan 1 worden gebracht. De vergunning als bedoeld in artikel 12 van de Wet windenergie op zee wordt verleend voor een termijn van 30 jaar. Maatregelen ter voorkoming van permanente fysieke effecten bij bruinvissen en zeehonden en mortaliteit van vissen: De vergunninghouder maakt gebruik van één of meer op de relevante frequenties afgestelde akoestisch(e) afschrikmiddel(len) gedurende een half uur voor het begin van de heiwerkzaamheden alsmede gedurende het heien. De vergunninghouder onderbouwt in het heiplan welk(e) type(s) afschrikmiddel(len) gebruikt zal of zullen worden, waarbij hij ingaat op de effectiviteit van het of de gekozen type(n); de heiwerkzaamheden vangen aan met een lage hei-energie. De duur en het vermogen van de lage hei-energie dient zodanig te zijn dat bruinvissen de gelegenheid hebben om naar een veilige locatie te zwemmen. De vergunninghouder onderbouwt in het heiplan duur en vermogen van de lage hei-energie. Maatregelen ter voorkoming van verstoring van bruinvissen, zeehonden en vissen (geluidsnorm): Als gevolg van de bouw van het windpark mag op enig moment het geluidsniveau onder water tijdens het heien de in de onderstaande tabel vermelde geluidsnorm niet overschrijden; Geluidsnorm (dB re µPa2s SEL1 op 750 meter van de geluidsbron) Periode Aantal op te richten windturbines Januari tot en met mei Juni tot en met augustus September tot en met december 55 – 63 163 169 171 49 – 54 164 170 172 43 – 48 165 171 173 39 – 42 166 172 174 35 – 38 167 173 175 de vergunninghouder mag bij de eerste tien funderingspalen de in de bovenstaande tabel vermelde geluidsnorm overschrijden met maximaal 2 dB re 1 μPa2s SEL1; het geluidsniveau dient tijdens het heien door of namens de vergunninghouder continu gemeten te worden. De geluidsmetingen dienen per geheide funderingspaal, binnen uiterlijk 48 uur na de afronding van het heien van de betreffende funderingspaal te worden doorgestuurd naar de Minister van Economische Zaken; wanneer na achtereenvolgende geluidsmetingen blijkt dat het geluidsniveau onder water tijdens het heien van de funderingspalen de in de tabel vermelde geluidsnorm niet overschrijdt, dan kan de Minister van Economische Zaken worden verzocht toe te staan dat de frequentie van de geluidsmetingen wordt verlaagd; de vergunninghouder stelt een heiplan op en dient dat uiterlijk 8 weken voorafgaand aan de start van de bouw in bij de Minister van Economische Zaken; de werkzaamheden worden uitgevoerd conform het heiplan als bedoeld in onderdeel e van dit voorschrift; de vergunninghouder spant zich in om zo min mogelijk onderwatergeluid te produceren; de vergunninghouder spant zich in om in een zo kort mogelijk aaneengesloten periode onderwatergeluid te produceren. Maatregelen ter beperking van aanvaringsslachtoffers onder vogels op rotorhoogte bij massale vogeltrek: in nachten (tussen zonsondergang en zonsopkomst), gedurende de periode waarin daadwerkelijk sprake is van massale vogeltrek, wordt het aantal rotaties per minuut per windturbine tot minder dan 1 gebracht; de vergunninghouder is verplicht mee te werken aan de plaatsing van een systeem dat de daadwerkelijke vogeltrek waarneemt op de daarvoor door de overheid bepaalde plek; ten behoeve van de uitvoering van het voorschrift, bedoeld in onderdeel a, moet het controlesysteem van de windturbines gekoppeld kunnen worden aan een systeem dat de daadwerkelijke vogeltrek waarneemt; de vergunninghouder beschrijft in een plan op welke wijze onderdeel c gerealiseerd kan worden en dient dit plan uiterlijk 8 weken voorafgaand aan de start van de bouw in bij de Minister van Economische Zaken; de in onderdeel c genoemde koppeling wordt volgens het in onderdeel d genoemde plan uitgevoerd. de vergunninghouder geeft jaarlijks op 1 juli en 1 januari in een rapportage aan de Minister van Economische Zaken aan hoe en op welke wijze aan dit voorschrift uitvoering is gegeven. Maatregelen voor het voorkomen van aanvaringsslachtoffers van vleermuizen op rotorhoogte: de cut-in windspeed van de turbines bedraagt gedurende de periode van 15 augustus tot en met 30 september tussen 1 uur na zonsondergang tot 2 uur voor zonsopkomst 5,0 m/s op ashoogte; bij een windsnelheid van minder dan 5,0 m/s op ashoogte brengt de vergunninghouder in de periode, bedoeld in onderdeel a, het aantal rotaties per minuut per windturbine omlaag tot minder dan 1; de vergunninghouder geeft binnen twee maanden na afloop van de periode, bedoeld in onderdeel a, in een rapportage naar de Minister van Economische Zaken aan hoe en op welke wijze aan dit voorschrift uitvoering is gegeven. Maatregelen ter bescherming van archeologie en cultuurhistorie: Voorafgaand aan het leggen van de kabels en het plaatsen van de funderingen van de windturbines op locaties met (mogelijke) archeologische waarde die vermeld zijn in het door Periplus Archeomare opgestelde rapport74An archeological assessment of geophysical survey results Hollandse Kust (zuid)-Periplus Archeomare, October 2016. en in een bufferzone met een straal van 100 meter rond deze locaties, dient een nader Inventariserend Veldonderzoek (IVO) (verkennend onderwateronderzoek) te worden verricht naar de aanwezigheid, aard en omvang van archeologische monumenten. Dit onderzoek dient volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) Waterbodems (versie 3.2) te worden uitgevoerd. De resultaten van het onder onderdeel a genoemde onderzoek worden uiterlijk 3 maanden voorafgaand aan de start van de bouw van het windpark voorgelegd aan de Minister van Economische Zaken. Afhankelijk van de conclusies uit het onderzoek: kunnen de werkzaamheden ongewijzigd doorgang vinden; is er een vervolgonderzoek nodig; worden er fysieke maatregelen getroffen ter bescherming van archeologische vindplaatsen; worden vindplaatsen uitgesloten van ingrepen met inachtneming van een bufferzone; worden de werkzaamheden archeologisch begeleid. Maatregelen voor het verminderen van hinder door verlichting van het windpark: Obstakellichten op het hoogste vaste punt op windturbines zijn vast brandende rode lichten. Indien de zichtbaarheid tijdens de schemer- en/of nachtlichtperiode meer bedraagt dan 5 kilometer, wordt de nominale lichtintensiteit van deze obstakellichten tijdens de schemer- en/of nachtlichtperiode tot 30% verlaagd, indien de zichtbaarheid tijdens de schemer- en/of nachtlichtperiode meer bedraagt dan 10 kilometer wordt de intensiteit tijdens de schemer- en/of nachtlichtperiode tot 10% verlaagd. Maatregel ter bevordering van de scheepvaartveiligheid en handhaving in en rond het windpark: De vergunninghouder is verplicht om mee te werken aan de plaatsing van een (radar)systeem dat de scheepsbewegingen in en rond het windpark kan waarnemen op de door de overheid bepaalde plek. De Minister van Economische Zaken laat een monitorings- en evaluatieprogramma opstellen. De vergunninghouder werkt voor zover redelijk zonder financiële tegenprestatie mee aan dit monitorings- en evaluatieprogramma. De in het windpark geldende veiligheidsregels worden daarbij in acht genomen. De Minister van Economische Zaken maakt de gegevens die voortkomen uit het monitorings- en evaluatieprogramma openbaar. Ten behoeve van de uitvoering van het monitoring- en evaluatie programma werkt de vergunninghouder mee ten aanzien van onder meer: toegang tot het windpark met vaartuigen ten behoeve van tellingen van natuurwaarden; het (laten) bevestigen van apparatuur zoals camera’s en batdetectors op of aan (onderdelen van) de windturbines; het (laten) bevestigen van radar op of aan (onderdelen van) de windturbines; het (laten) bevestigen van meetapparatuur (bijvoorbeeld meetboeien, c-pods etc.) in het windpark; het beschikbaar stellen van bandbreedte op de datakabel. De vergunninghouder verwijdert het windpark uiterlijk binnen twee jaar nadat de exploitatie is gestaakt, doch uiterlijk binnen de looptijd van de vergunning. Uiterlijk op het moment dat RVO bewijs heeft ontvangen dat er Garanties van Oorsprong (GvO) zijn afgegeven over de geleverde stroom stelt de vergunninghouder zich garant door middel van een bankgarantie aan de Staat voor een bedrag van € 120.000 per geïnstalleerde MW ten bate van de verwijdering van het windpark. De vergunninghouder verhoogt het in het eerste lid genoemde bedrag jaarlijks met 2% als gevolg van indexatie gedurende een periode van 12 jaar na afgifte van de bankgarantie. Na een periode van 12 jaar exploitatie, 17 jaar exploitatie en 1 jaar voor het tijdstip van verwijdering verzoekt de vergunninghouder de Minister van Economische Zaken om het bedrag genoemd in het eerste lid en de indexatie daarvan opnieuw vast te stellen. Maatregelen uit het Beheerplan Voordelta75http://www.noordzeeloket.nl/images/Beheerplan%20Voordelta%20definitief%2016%20juli%202008_924.pdf., het Beheerplan Deltawateren76http://www.rwsnatura2000.nl/Gebieden/DW_Deltawateren/DW+documenten/default.aspx., Ontwerpbeheerplan Noordzeekustzone77http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/documenten/gebieden/007/beheerplan/noordzeekustzone-ontwerpbeheerplan.pdf. en Ontwerpbeheerplan Waddenzee78http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/documenten/gebieden/001/beheerplan/waddenzee-ontwerpbeheerplan.pdf.. Het om de volgende rustgebieden: Slikken van Voorne (Voordelta); Hinderplaat (Voordelta); Bollen van de Ooster (Voordelta); Middelplaat (voorheen Verklikkerplaat) (Voordelta); Bollen van het Nieuwe Zand (Voordelta). Bij deze gebieden zijn de volgende voorwaarden beschreven: Buiten de winterrustgebieden blijven (in ieder geval geen toegang in de periode 15 december – 1 april) en op ruime afstand (>1.500 m, of zoveel als minimaal haalbaar) van de rustgebieden varen om effecten in de rand-zone van het rustgebied te minimaliseren. Minimaal 1.200 m afstand van vaste rustgebieden voor zeehonden (zandplaten bij Middelplaat, Bollen van de Ooster en Hinderplaat). Wanneer dit niet mogelijk is, dient in ieder geval verstoring van pups te worden voorkomen. Bij aanwezigheid van pups niet in de directe nabijheid (>1.200 m) varen in de zoogperiode (mei-juli) van de gewone zeehond. Bij aanwezigheid van pups niet in de directe nabijheid (>1.200 m) varen in de zoogperiode (dec-feb) van de grijze zeehond. Verder gaat het in het gebied om de volgende belangrijke platen: Roggenplaat (voor rusten, verharen, zogen) (Oosterschelde); Galgeplaat (of Vondelingsplaat, voor verharen en rusten) (Oosterschelde); Zimmermangeul (Westerschelde); Rug van Baarland (Westerschelde); de Middelplaat (Westerschelde); de Hooge Platen (Westerschelde); Everingen (Westerschelde); Plaat van Breskens (Westerschelde); de Platen van Ossenisse (Westerschelde); de Platen van Valkenisse (Westerschelde). Hiervan zijn als rustgebieden aangewezen: Hooge Platen; Hooge Springer; Rug van Baarland; platen van Valkenisse. Platen en rustgebieden in de Waddenzee en Noordzeekustzone staan weergegeven in: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/documenten/gebieden/001/beheerplan/Waddenzee-kaartenbijlage-ontwerpbeheerplan.pdf http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/documenten/gebieden/007/beheerplan/Noordzeekustzone-kaartenbijlage-ontwerpbeheerplan.pdf Bij de aanwezigheid van op de platen rustende zeehonden zal een minimale afstand van 1.200 m aangehouden moeten worden. Ten aanzien van concentraties rustende vogels dient er buiten de vaargeul een afstand te worden gehouden van 500 meter.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel