Nadat de minister van VenJ een uitreisverbod heeft opgelegd, doet hij op grond van artikel 23b van de Paspoortwet een verzoek om een aanvraag van een nieuw reisdocument, waaronder de NIK, te weigeren. Hij richt zijn verzoek tot de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). De minister van BZK toetst het verzoek marginaal. Hij controleert of het formulier volledig is ingevuld en of de gegevens van de gesignaleerde op het formulier overeenkomen met de gegevens in de basisregistratie personen (BRP). De minister van BZK is op grond van artikel 25 Paspoortwet niet bevoegd om het uitreisverbod inhoudelijk te beoordelen. Dergelijke integrale afweging is reeds uitgevoerd door de minister van VenJ bij het besluit tot opleggen (of verlengen) van het uitreisverbod, en in dat verband staat ook rechtsbescherming open voor betrokkene.
De minister van BZK informeert alle verstrekkende autoriteiten, in het algemeen, over de personen die in het RPS zijn opgenomen. Indien het een persoon met een uitreisverbod betreft, wordt de gemeente waar betrokkene staat ingeschreven in de basisregistratie personen daarover expliciet in kennis gesteld. Vanwege het belang van een signalering op grond van een uitreisverbod zijn door de Rijksdienst voor Identiteitgegevens (RvIG) procedures opgesteld. Deze procedures zien op een spoedige en correcte uitwisseling van relevante informatie met de verstrekkende autoriteiten, alsook op de handelingen die deze autoriteiten moeten verrichten.6Zie paragraaf 6 van deze circulaire.
De nieuwe signaleringsmogelijkheid van een persoon met een uitreisverbod (een 23b-signalering7Het getal 23b verwijs naar artikel 23b in de Paspoortwet, alwaar de nieuwe signaleringsgrond is vastgelegd.) leidt in drie opzichten tot een belangrijke wijziging in de behandeling van aanvragen voor een reisdocument.
Ten eerste heeft een 23b-signalering gevolgen voor zowel de aanvraag van een paspoort áls de aanvraag van een NIK. In tegenstelling tot de andere signaleringsgronden, moet de verstrekkende autoriteit bij een 23b-signalering óók een NIK weigeren! Dat leidt er toe dat de verstrekkende autoriteit ook bij alle aanvragen voor een NIK moet controleren of betrokkene staat gesignaleerd.
NIEUW: Een verstrekkende autoriteit moet óók bij alle aanvragen voor een Nederlandse identiteitskaart controleren of betrokkene staat gesignaleerd.
Ten tweede komt een verstrekkende autoriteit bij een artikel 23b-signalering geen beoordelingsruimte toe bij zijn besluit tot het weigeren van een reisdocument. In tegenstelling tot andere signaleringsgronden, moet het bestuursorgaan de aanvraag van een paspoort of een NIK weigeren. Hij maakt dus geen belangenafweging.8Artikel 45 Paspoortwet is niet van toepassing.
Van belang is daarom dat de verstrekkende autoriteit op de hoogte is van de precieze grond waarop betrokkene staat gesignaleerd. Ten slotte dient alléén (!) bij een 23b-signalering een belangenafweging achterwege te blijven. Om te achterhalen wat de signaleringsgrond is, neemt de verstrekkende autoriteit contact op met RvIG. In dit verband wordt verwezen naar de procedures die RvIG heeft opgesteld.9Zie paragraaf 6 van deze circulaire.
NIEUW: Een verstrekkende autoriteit moet een reisdocument, waaronder de NIK, weigeren als betrokkene is gesignaleerd op grond van artikel 23b.
Ten derde is de overeenstemmingsprocedure, bedoeld in de artikelen 44, vierde lid, 45 en 46 van de Paspoortwet niet van toepassing bij een signalering op grond van artikel 23b. Bij een reguliere signalering dient – voordat een beslissing wordt genomen een reisdocument te weigeren – de aanvrager in de gelegenheid te worden gesteld om overeenstemming te bereiken met de signalerende autoriteit. De betrokken persoon krijgt in beginsel twee weken de tijd om te besluiten of hij van deze procedure gebruik wenst te maken. Maakt hij daarvan gebruik, dan wordt de beslissing gedurende acht weken aangehouden.
Deze overeenstemmingsprocedure is dus niet van toepassing bij een signalering op grond van artikel 23b Paspoortwet. Gezien het onderliggende besluit van de minister van VenJ, en de aard van de omstandigheden die leiden tot een uitreisverbod, heeft de wetgever de overeenstemmingsprocedure niet opportuun geacht, omdat de kans dat deze tot een ander resultaat leidt nihil zal zijn.
NIEUW: De overeenstemmingsprocedure wordt niet toegepast bij een signalering op grond van artikel 23b.
Nadat de verstrekkende autoriteit het reisdocument heeft geweigerd aan betrokkene, doet hij van dit besluit mededeling aan de minister van BZK middels het daarvoor bestemde C6-formulier. De minister zorgt voor opneming van die mededeling in het RPS.
Betrokkene kan bezwaar en beroep instellen tegen de beslissing tot weigering van het verstrekken van een reisdocument, waaronder de NIK. Wanneer deze betrekking heeft op de gronden waarop een onherroepelijk uitreisverbod rust, dan is het bezwaar- en beroep betrekkelijk zinloos. Deze kan wél betrekking hebben op formele aspecten van de signalering. Er kan bijvoorbeeld in geschil zijn of het uitreisverbod nog wel van kracht is, bijvoorbeeld als de duur ervan al is verlopen terwijl dit nog niet (correct) in het Register paspoortsignaleringen is verwerkt.
Er kan ook bezwaar en beroep worden ingesteld tegen de weigering, omdat het uitreisverbod zelf nog niet onherroepelijk is (bijvoorbeeld omdat de beroepstermijn daartegen nog loopt of omdat de beroepsprocedure nog aanhangig is).In een dergelijk geval geldt dat een eventuele beroepsprocedure geen schorsende werking heeft ten aanzien van de werking van het uitreisverbod. Het uitreisverbod is onverminderd van kracht. Zulks zou alleen anders zijn als de rechtbank, op verzoek van betrokkene, een voorlopige voorziening inwilligt, strekkende tot schorsing van het uitreisverbod.
Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding kan de minister van VenJ betrokkene tijdelijk ontheffing verlenen van het verbod om zich buiten het Schengengebied te begeven (zie ook paragraaf 2). Indien een dergelijke ontheffing is verleend, kan aan betrokkene een reisdocument worden verstrekt met een dusdanige beperkte tijdelijke en territoriale geldigheid als de ontheffing vereist. Artikel 46a0 van de Paspoortwet voorziet in deze mogelijkheid. De ontheffing kan overigens nooit de verstrekking van een NIK betreffen, vanwege de onmogelijkheid om op een NIK een clausule te plaatsen. Wel kan een paspoort of een nooddocument worden versterkt.
Bij de aanvraag dient betrokkene in voorkomend geval de ontheffing te overleggen op basis waarvan hem een reisdocument kan worden verstrekt. De verstrekkende autoriteit neemt daarover contact op met RvIG. Voor een nadere beschrijving van de procedure ten behoeve van het verstrekken van een reisdocument krachtens een ontheffing, wordt verwezen naar de procesbeschrijving die door RvIG is opgesteld.10Zie paragraaf 6 van deze circulaire.
Artikel 4
Het weigeren van een nieuw reisdocument
Onderdeel van Circulaire uitreisverbod personen ex Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding· Openbare orde en veiligheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 1 maart 2017