Aan het College wordt mandaat verleend ten aanzien van de tot de verantwoordelijkheid van de minister behorende aangelegenheden op het terrein van het Openbaar Ministerie, met uitzondering van:
het nemen van besluiten en het voeren van correspondentie neergelegd in een document, gericht tot:
de Koning;
de raad van ministers van het Koninkrijk, de ministerraad of een daaruit gevormde onderraad of commissie;
de voorzitter van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal of van een uit die Kamer gevormde commissie;
de vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk of de vice-president van de Raad van State;
de president van de Algemene Rekenkamer;
de Nationale ombudsman voor zover het gaat om het geven van een verbod als bedoeld in artikel 14 Wet Nationale ombudsman.
De bevoegdheden die in artikel 2, eerste lid onder a en b aan de secretaris-generaal zijn verleend.
Artikel 3
Artikel 3
Onderdeel van Mandaatbesluit niet-beheersaangelegenheden Openbaar Ministerie 2017· Staats- en bestuursrecht
Deze tekst geldt sinds 23 maart 2023