Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7 › § 1

Artikel 7.5

Ontslag en schorsing

Onderdeel van Comptabiliteitswet 2016· Financieel en economisch recht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2019

1. Een lid wordt ontslag verleend op eigen verzoek en bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar. Het ontslag gaat in op de eerste dag van de volgende maand. 2. De Hoge Raad der Nederlanden kan de leden ontslaan of schorsen. Hoofdstuk 6A van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, met uitzondering van de artikelen 46b, 46c, onder b en c, 46ca, eerste lid, onder b en c, tweede en derde lid, 46d, 46i, eerste lid, onder c, 46k en 46q, is daarbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: de disciplinaire maatregel van schriftelijke berisping wordt opgelegd door de president van de Algemene Rekenkamer; in artikel 46e voor «de rechterlijk ambtenaar, tevens zijnde president van het gerechtshof of de rechtbank, de president van de Hoge Raad onderscheidenlijk procureur-generaal bij de Hoge Raad» wordt gelezen «de president van de Algemene Rekenkamer»; de president van de Algemene Rekenkamer als functionele autoriteit wordt aangemerkt; voor «Onze Minister» wordt gelezen «Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties»; de voordracht, bedoeld in de artikelen 46i, vierde lid, en 46l, tweede lid, wordt gedaan door de Algemene Rekenkamer; in artikel 46p, vijfde lid, in plaats van «het betrokken gerecht onderscheidenlijk het parket bij de Hoge Raad» wordt gelezen «de Algemene Rekenkamer». 3. Onverminderd de gronden voor ontslag, bedoeld in het tweede lid, is een grond voor ontslag dat het lid in strijd met artikel 7.4, derde lid, handelt. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot wachtgeld en voorzieningen in verband met ziekte en arbeidsongeschiktheid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel