**1.** Een lid wordt ontslag verleend op eigen verzoek en bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar. Het ontslag gaat in op de eerste dag van de volgende maand.
**2.** De Hoge Raad der Nederlanden kan de leden ontslaan of schorsen. Hoofdstuk 6A van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, met uitzondering van de artikelen 46b, 46c, onder b en c, 46ca, eerste lid, onder b en c, tweede en derde lid, 46d, 46i, eerste lid, onder c, 46k en 46q, is daarbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
de disciplinaire maatregel van schriftelijke berisping wordt opgelegd door de president van de Algemene Rekenkamer;
in artikel 46e voor «de rechterlijk ambtenaar, tevens zijnde president van het gerechtshof of de rechtbank, de president van de Hoge Raad onderscheidenlijk procureur-generaal bij de Hoge Raad» wordt gelezen «de president van de Algemene Rekenkamer»;
de president van de Algemene Rekenkamer als functionele autoriteit wordt aangemerkt;
voor «Onze Minister» wordt gelezen «Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties»;
de voordracht, bedoeld in de artikelen 46i, vierde lid, en 46l, tweede lid, wordt gedaan door de Algemene Rekenkamer;
in artikel 46p, vijfde lid, in plaats van «het betrokken gerecht onderscheidenlijk het parket bij de Hoge Raad» wordt gelezen «de Algemene Rekenkamer».
**3.** Onverminderd de gronden voor ontslag, bedoeld in het tweede lid, is een grond voor ontslag dat het lid in strijd met artikel 7.4, derde lid, handelt.
**4.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot wachtgeld en voorzieningen in verband met ziekte en arbeidsongeschiktheid.
Hoofdstuk 7 › § 1
Artikel 7.5
Ontslag en schorsing
Onderdeel van Comptabiliteitswet 2016· Financieel en economisch recht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2019