**1.** De werkgever:
die een dienstverband van een werknemer beëindigt of een tijdelijk dienstverband niet voortzet; en
die wenst dat de uitkeringskosten die op grond van artikel 138, tweede lid, van de WPO of artikel 132, tweede lid, van de WEC voor rekening van de werkgever komen, ten laste van het Participatiefonds worden gebracht, dient bij het Participatiefonds een vergoedingsverzoek in.
**2.** Per beëindiging dan wel het niet voortzetten van een dienstverband, kan een werkgever niet meer dan één vergoedingsverzoek indienen.
De werkgever maakt bij de indiening van het vergoedingsverzoek gebruik van de module ‘vergoedingsverzoeken’ op de website www.participatiefonds.nl.
**1.** De werkgever legt bij de indiening van het vergoedingsverzoek de gegevens en de documenten over die het Participatiefonds middels de module ‘vergoedingsverzoeken’ opvraagt.
**2.** De werkgever die niet of niet volledig aan het bepaalde in het eerste lid kan voldoen deelt dit aan het Participatiefonds mee onder opgaaf van een deugdelijke motivering door toezending van ter zake overtuigende documenten
**3.** Bij het beëindigen van een dienstverband op grond van de artikelen 4:5, 4:11 of één van de artikelen in paragraaf 4.3, kan de werkgever met betrekking tot de in deze artikelen vervatte voorwaarden, behoudens de voorwaarde ‘ondersteuning werknemer bij verwerven werkkring buiten eigen organisatie’, een beroep doen op een vrijstelling van toetsing aan de voorwaarden.
**4.** Om voor de vrijstelling, zoals genoemd in het derde lid, in aanmerking te komen, legt de werkgever het formulier ‘verzoek vrijstellingsregeling’ en de daarin genoemde bewijsstukken / ter zake overtuigende documenten over.
**5.** Indien uit de stukken als bedoeld in het vorige lid, naar het oordeel van het Participatiefonds blijkt dat daarmee is voldaan aan één of meerdere voorwaarden zoals die zijn vastgelegd in de in het derde lid genoemde artikelen uit het reglement Participatiefonds 2017–2018, wordt een vrijstelling voor die voorwaarden verleend.
**6.** Indien uit de stukken, bedoeld in het vierde lid, naar het oordeel van het Participatiefonds niet blijkt dat daarmee is voldaan aan één of meerdere voorwaarden zoals die zijn vastgelegd in de in het derde lid genoemde artikelen uit het reglement Participatiefonds 2017–2018, wordt geen vrijstelling voor die voorwaarden verleend. De werkgever wordt in dat geval in de gelegenheid gesteld zijn aanvraag aan te vullen op de voet van artikel 4:5 van de Awb.’
**1.** Als het Participatiefonds vaststelt, dat de gegevens en documenten die de werkgever bij het vergoedingsverzoek heeft ingediend, onvoldoende zijn voor de beoordeling van het vergoedingsverzoek, stelt het Participatiefonds de werkgever in de gelegenheid het vergoedingsverzoek aan te vullen.
**2.** De werkgever vult het vergoedingsverzoek aan binnen 8 weken.
**3.** De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het Participatiefonds de werkgever in de gelegenheid heeft gesteld het vergoedingsverzoek aan te vullen.
**4.** Als de werkgever het vergoedingsverzoek niet de daarvoor gestelde termijn heeft aangevuld, neemt het Participatiefonds een besluit op grond van de tot dan door de werkgever in het kader van het vergoedingsverzoek verschafte gegevens en documenten.
Het Participatiefonds wijst een vergoedingsverzoek uitsluitend toe als de werkgever voldoet aan de voorwaarden die zijn gesteld in de bepalingen van dit reglement en er geen sprake is van één van de gronden voor afwijzing van het vergoedingsverzoek, genoemd in artikel 3:6.
**1.** Het Participatiefonds wijst een vergoedingsverzoek in ieder geval af als:
de werkgever het dienstverband voor onbepaalde tijd beëindigt of het tijdelijk dienstverband niet voortzet op grond van een andere beëindigingsgrond dan genoemd in dit reglement;
sprake is van een dienstverband in het kader van vervanging als bedoeld in paragraaf 1, onder 9, waaraan gelijktijdig een regulier dienstverband is voorafgegaan en de werkgever niet heeft voldaan aan het verzoek van het Participatiefonds om binnen acht weken alsnog een vergoedingsverzoek te doen in het kader van de beëindiging van het reguliere dienstverband;
het vergoedingsverzoek van de werkgever onredelijk is.
het beëindigen van een dienstverband of het niet voortzetten van een tijdelijk dienstverband in de risicosfeer van de werkgever valt.
de werkgever het dienstverband niet herstelt terwijl hij daartoe op grond van artikel 7:682, eerste lid, onder a dan wel tweede lid onder a van het Burgerlijk wetboek is veroordeeld.
de kantonrechter de werknemer een billijke vergoeding heeft toegekend op de voet van artikel 7:682, eerste lid onder b, BW dan wel artikel 7:682, eerste lid, onder c, nu in die gevallen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
**2.** Als het Participatiefonds de beschikking als bedoeld in het eerste lid neemt, deelt het de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap mee, dat de uitkeringskosten als bedoeld in artikel 138, tweede lid, van de WPO of artikel 132, tweede lid, van de WEC, niet ten laste van het Participatiefonds komen.
Indien een werkgever die reeds een vergoedingsverzoek heeft ingediend voor de beëindiging dan wel het niet voortzetten van een dienstverband, wederom een vergoedingsverzoek indient voor dezelfde beëindiging dan wel het niet voortzetten van dat dienstverband, dan wordt, zolang het eerst ingediende vergoedingsverzoek niet door de werkgever is ingetrokken, het laatst ingediende vergoedingsverzoek niet in behandeling genomen.
**1.** Het Participatiefonds geeft binnen 8 weken nadat het vergoedingsverzoek is ontvangen een beschikking over het vergoedingsverzoek.
**2.** Het Participatiefonds kan de termijn, genoemd in het eerste lid, eenmalig verlengen met 8 weken.
**3.** De beslistermijn wordt van rechtswege opgeschort met ingang van de dag waarop het Participatiefonds de werkgever op grond van artikel 3:4 uitnodigt het vergoedingsverzoek aan te vullen, tot de dag waarop het vergoedingsverzoek is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
Als uitkeringskosten als bedoeld in artikel 138, tweede lid van de WPO of artikel 132, tweede lid, van de WEC zijn ontstaan, waarvan het Participatiefonds niet kan vaststellen dat het Participatiefonds ermee heeft ingestemd dat de uitkeringskosten ten laste van het Participatiefonds komen, nodigt het Participatiefonds de werkgever uit inlichtingen te verstrekken.
**1.** De werkgever verstrekt de inlichtingen, als bedoeld in artikel 3:8, binnen 8 weken.
**2.** De termijn, genoemd in het eerste lid, vangt aan met ingang van de dag na die waarop de uitnodiging is verzonden.
**3.** De inlichtingen zijn tijdig verstrekt indien deze vóór het einde van de termijn zijn ontvangen.
**1.** Als de werkgever niet tijdig de gevraagde inlichtingen verstrekt, deelt het Participatiefonds het bevoegd gezag mee, dat de uitkeringskosten als bedoeld in artikel 138, tweede lid, van de WPO of artikel 132, tweede lid, van de WEC, niet ten laste van het Participatiefonds komen.
**2.** Indien sprake is van de kennisgeving door het Participatiefonds, genoemd in het eerste lid, deelt het de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap mee, dat de uitkeringskosten als bedoeld in artikel 138, tweede lid, van de WPO of artikel 132, tweede lid, van de WEC, niet ten laste van het Participatiefonds komen.
Het Participatiefonds werpt de werkgever overschrijding van de termijn als bedoeld in artikel 3:9 niet tegen als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de werkgever in verzuim is geweest.
De werkgever maakt bij het verstrekken van de inlichtingen als bedoeld in artikel 3:8 gebruik van de module ‘uitkeringen’ op de website www.participatiefonds.nl
**1.** De werkgever die wenst, dat de uitkeringskosten die op grond van artikel 138, tweede lid, van de WPO of artikel 132, tweede lid van de WEC voor rekening van de werkgever komen, ten laste van het Participatiefonds worden gebracht, en die daarvoor reeds een vergoedingsverzoek heeft ingediend, verstrekt de inlichtingen die het Participatiefonds verzoekt.
**2.** De artikelen 3:4 tot en met 3:7 zijn van overeenkomstige toepassing.
**1.** De werkgever die wenst, dat de uitkeringskosten die op grond van artikel 138, tweede lid, van de WPO of artikel 132, tweede lid, van de WEC voor rekening van de werkgever komen, ten laste van het Participatiefonds worden gebracht, dient alsnog een vergoedingsverzoek in.
**2.** De artikelen 3:3 tot en met 3:7 zijn van overeenkomstige toepassing.
**1.** De werkgever die niet wenst dat de uitkeringskosten als bedoeld in artikel 138, tweede lid, van de WPO of artikel 132, tweede lid, van de WEC, ten laste van het Participatiefonds komen, deelt dit aan het Participatiefonds mee.
**2.** Het Participatiefonds geeft nadat de werkgever de mededeling doet een kennisgeving, inhoudende dat de uitkeringskosten als bedoeld in artikel 138, tweede lid, van de WPO of artikel 132, tweede lid, van de WEC, niet ten laste van het Participatiefonds komen.
**3.** Bij de kennisgeving door het Participatiefonds, genoemd in het tweede lid, deelt het de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap mee, dat de uitkeringskosten als bedoeld in artikel 138, tweede lid, van de WPO of artikel 132, tweede lid, van de WEC, niet ten laste van het Participatiefonds komen.
**1.** De werkgever aan wie de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op grond van artikel 184, derde lid, van de WPO of artikel 169, derde lid van de WEC ontheffing heeft verleend, deelt aan het Participatiefonds mee dat hij gemoedsbezwaarde is.
**2.** Het Participatiefonds deelt het de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap mee, dat de uitkeringskosten als bedoeld in artikel 138, tweede lid, van de WPO of artikel 132, tweede lid, van de WEC, niet ten laste van het Participatiefonds komen.
**1.** De werkgever die zelfstandig wachtgeldbeleid als bedoeld in artikel 2 van het Reglement Participatiefonds voor het Primair Onderwijs 1998-1999 voert, deelt aan het Participatiefonds mee dat hij zelfstandig wachtgeldbeleid voert.
**2.** Het Participatiefonds deelt het de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap mee, dat de uitkeringskosten als bedoeld in artikel 138, tweede lid, van de WPO of artikel 132, tweede lid, van de WEC, niet ten laste van het Participatiefonds komen.
**3.** Voor de huidige deelnemers aan zelfstandig wachtgeldbeleid is artikel 2 van het Reglement Participatiefonds voor het Primair Onderwijs 1998-1999 voor onbepaalde tijd van toepassing.
**1.** Als de werknemer tegen het ontslag een rechtsmiddel heeft aangewend, deelt de werkgever dit aan het Participatiefonds mee.
**2.** Als het ontslagbesluit onherroepelijk is geworden, deelt de werkgever dit aan de Participatiefonds mee.
**3.** De beslistermijn als bedoeld in artikel 3:7 kan worden opgeschort met ingang van de dag waarop de werknemer het rechtsmiddel aanwendt tot de dag waarop de werkgever de mededeling als bedoeld in het tweede lid doet.
**1.** Het Participatiefonds is bevoegd de beschikking te wijzigen of in te trekken ten nadele van de werkgever:
als de door de werkgever verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig zijn dat op zijn verzoek als bedoeld in dit hoofdstuk een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste en volledige gegevens bekend waren geweest;
als de beschikking in strijd met wettelijke voorschriften is gegeven;
als in verband met verandering van wetgeving, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vereiste van de beschikking is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de werkgever bij een ongewijzigde beschikking.
**2.** De werkgever stelt het Participatiefonds schriftelijk op de hoogte van feiten en omstandigheden die ten tijde van het nemen van de beschikking niet bekend waren of konden worden geacht en van zodanige aard zijn, dat zij tot een andere beslissing aanleiding kunnen geven.
**1.** Als de werkgever de werknemer andere activiteiten dan genoemd in hoofdstuk 4 en 5 aanbiedt of reeds heeft aangeboden die de werknemer ondersteunen bij het verwerven van een werkkring buiten de eigen organisatie, kan de werkgever het Participatiefonds vragen of deze andere activiteiten door het Participatiefonds worden aangemerkt als tenminste gelijkwaardig aan de activiteiten genoemd in Hoofdstuk 4 en 5, in welk geval de werkgever geacht wordt te hebben voldaan aan de voorwaarde waarvoor het bevoegd gezag het verzoek tot gelijkschakeling heeft ingediend.
**2.** Het Participatiefonds geeft het advies uiterlijk binnen 16 weken nadat het adviesverzoek is ontvangen.
**1.** De werkgever verleent medewerking aan een controle door of namens het Participatiefonds die gericht is op de beoordeling van de rechtmatigheid van een beschikking als bedoeld in dit hoofdstuk.
**2.** De werkgever draagt gedurende een periode van 5 jaar zorg voor een deugdelijke administratie die op een centraal punt is in te zien en geeft hier desgevraagd inzage in.
**1.** De werkgever die participeert in een samenwerkingsverband waar na de beëindiging van een dienstverband of het niet verlengen van een tijdelijk dienstverband een werkloosheidsuitkering of een uitkering wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet van een school of een Centrale Dienst dan wel Samenwerkingsverband voortvloeit ten gevolge van de inzet of een wijziging van de inzet van de in artikel 120, vierde lid, en artikel 132 WPO bedoelde bekostiging ten opzichte van voorafgaande schooljaren, heeft voorafgaand aan de beëindiging van het dienstverband van dat personeel
met de vakbonden een sociaal plan gesloten en het dienstverband conform de afspraken van genoemd sociaal plan beëindigd, of
over de personele gevolgen volgens de strekking van de tripartiete overeenkomst personele gevolgen passend onderwijs open en reëel overleg gevoerd met het samenwerkingsverband Passend Onderwijs, de betrokken besturen en de vakorganisaties, gericht op overeenstemming conform de vigerende regels van het overlegprotocol.
**2.** Indien het dienstverband niet conform de afspraken van het sociaal plan is beëindigd dan wel het hierboven genoemde overleg over de personele gevolgen niet is gevoerd, dan zijn de bevoegde gezagsorganen van alle scholen van het desbetreffende samenwerkingsverband hoofdelijk aansprakelijk voor het aan het Participatiefonds vergoeden van de kosten van de werkloosheidsuitkering, de suppletie inzake arbeidsongeschiktheid onderscheidenlijk de uitkering wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet.
Artikel 3
Vergoedingsverzoeken
Onderdeel van Reglement Participatiefonds voor het Primair Onderwijs en de Expertisecentra voor het schooljaar 2017–2018· Onderwijsrecht
Deze tekst geldt sinds 7 juli 2017
Verwijzingen
- artikel 7
- artikel 132
- artikel 7
- artikel 138
- artikel 4
- artikel 138
- artikel 138
- artikel 132
- artikel 132
- artikel 132
- artikel 132
- artikel 138
- artikel 138
- artikel 138
- artikel 132
- artikel 120
- artikel 138
- artikel 169
- artikel 138
- artikel 132
- artikel 132
- artikel 138
- artikel 138
- artikel 132
- artikel 132
- artikel 138
- artikel 138
- artikel 7
- artikel 132
- artikel 184
- artikel 132