Van het kunnen vaststellen van de identiteit van een derde, voorafgaand aan de datum van het oordeel of uitspraak welke heeft geleid tot toepassing van het depositogarantiestelsel als bedoeld in artikel 29.02, derde lid van het Besluit, is sprake indien de identiteit van de derde blijkt uit:
de administratie van de betreffende bank, zoals deze is op of voor de datum van het oordeel of uitspraak welke heeft geleid tot toepassing van het depositogarantiestelsel; of
een door de rekeninghouder gevoerde professionele administratie, mits voor of op de datum van het oordeel of uitspraak welke heeft geleid tot toepassing van het depositogarantiestelsel uit de administratie van de bank blijkt dat het deposito ten behoeve van één of meer derden wordt gehouden.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 2.1
Artikel 2.1
Artikel 2.1
Onderdeel van Beleidsregel Reikwijdte en Uitvoering Depositogarantiestelsel· Bank- en effectenrecht, financiering
Deze tekst geldt sinds 22 juli 2017