**1.** Bij het verzamelen van gegevens maken de diensten slechts gebruik van die bevoegdheid, die gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van de bedreiging van de door een dienst te beschermen belangen, mede in vergelijking met andere beschikbare bevoegdheden voor de betrokkene het minste nadeel oplevert.
**2.** De uitoefening van een bevoegdheid blijft achterwege, indien de uitoefening ervan voor betrokkene een onevenredig nadeel in vergelijking met het daarbij na te streven doel oplevert.
**3.** De uitoefening van een bevoegdheid dient evenredig te zijn aan het daarmee beoogde doel.
**4.** De uitoefening van een bevoegdheid wordt onmiddellijk gestaakt, indien het doel waartoe de bevoegdheid is uitgeoefend is bereikt dan wel met de uitoefening van een minder ingrijpende bevoegdheid kan worden volstaan.
**5.** De uitoefening van een bevoegdheid dient zo gericht mogelijk te zijn.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.2 › Paragraaf 3.2.1
Artikel 26
Artikel 26
Onderdeel van Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017· Openbare orde en veiligheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 15 juli 2021