Een trap als bedoeld in artikel 3.8 waarvan de helling ter plaatse van de klimlijn groter is dan 2:3 heeft, voor zover een hoogteverschil is overbrugd van meer dan 1,5 m, aan ten minste een zijkant een leuning. De bovenkant van de leuning ligt, gemeten boven de voorkant van een tredevlak van de trap, op een hoogte van ten minste 0,6 m en ten hoogste 1 m.
Hoofdstuk 3 › § 3.4
Artikel 3.12
Leuning
Onderdeel van Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen· Openbare orde en veiligheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2018