Naar hoofdinhoud

Artikel 3

In beeld brengen van niet-verdachten

Onderdeel van Aanwijzing opsporingsberichtgeving· Openbare orde en veiligheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 1 december 2017

Getuigen, slachtoffers en overige niet bij het strafbare feit betrokken personen worden anoniem opgenomen en in beeld gebracht in het opsporingsbericht. Alleen indien dit dringend noodzakelijk is voor de opsporing kan beeldmateriaal van een getuige, slachtoffer of voorbijganger herkenbaar getoond worden. De volgende uitgangspunten worden gehanteerd: de officier van justitie heeft uitdrukkelijk toestemming verleend voor het herkenbaar in beeld brengen van deze persoon of personen; wanneer er aanwijzingen zijn dat de veiligheid van de betrokkene in gevaar wordt gebracht door het tonen van beelden waarop de betrokkene voor derden herkenbaar is, worden geen beelden van een niet-verdachte opgenomen in het opsporingsbericht; wanneer de identiteit van deze personen bij de politie bekend is wordt gestreefd naar instemming met het tonen van de beelden; wanneer een slachtoffer in beeld wordt gebracht om de identiteit van een getuige of voorbijganger te achterhalen, dan weegt de officier van justitie het risico op secundaire victimisatie af tegen het opsporingsbelang. Dit bespreekt de officier van justitie met het betrokken slachtoffer of de nabestaanden. De officier van justitie kan zich bij de bepaling van het risico op secundaire victimisatie laten adviseren door bijvoorbeeld Slachtofferhulp Nederland; in het opsporingsbericht wordt door de beeldkeuze en/of in tekst duidelijk gemaakt dat het een slachtoffer, getuige of niet bij het misdrijf betrokken persoon betreft.

Rechtspraak bij dit artikel