Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6

Artikel 6.3

(controle en rapportage lozingen)

Onderdeel van ANVS-verordening basisveiligheidsnormen stralingsbescherming· Ruimtelijke ordening en milieu

Deze tekst geldt sinds 6 augustus 2019

1. In dit artikel wordt verstaan onder: representatieve nucliden: voor elke groep radionucliden gekozen geschikte indicatoren voor de meetgevoeligheid; detectiegrens: kleinste werkelijke waarde van de te meten grootheid die met de gebruikte meetmethode detecteerbaar is, met een gegeven foutkans; beslissingsdrempel: de vastgelegde waarde van een bepaalde beslissingsgrootheid (randomvariabele ter bepaling of een te meten fysisch effect al dan niet aanwezig is) op basis waarvan, bij het overschrijden ervan door het resultaat van de feitelijke meting van een te meten grootheid die een fysisch effect kwantificeert, wordt beslist dat het fysisch effect aanwezig is. 2. De houder van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet zorgt ervoor dat: een meetprogramma ten behoeve van de controle van vergunde lozingen wordt opgesteld en wordt goedgekeurd door de stralingsbeschermingsdeskundige; het in onderdeel a bedoelde meetprogramma tenminste een beschrijving bevat van: de monsternamelocaties; de bemonsteringsfrequentie; de wijze van bemonstering; de te gebruiken analysemethoden; de uit te voeren kwaliteitscontrole; de aard, wijze en termijnen van rapportage van meetresultaten aan de Autoriteit; de termijn voor evaluatie en actualisatie van het meetprogramma, en overige relevante informatie in het belang van de uitvoering van en de rapportage van het meetprogramma; het meetprogramma en de wijzigingen daarvan worden zo spoedig mogelijk overgelegd aan de Autoriteit; inhoudelijke wijzigingen van het meetprogramma met betrekking tot specifieke monsternamelocaties en analysemethoden, wijzigingen in de rapportagetermijnen, alsmede wijzigingen in de systematiek en omvang van het meetprogramma zijn goedgekeurd door de stralingsbeschermingsdeskundige en worden overgelegd aan de Autoriteit; het meetprogramma iedere vijf jaar wordt geëvalueerd en geactualiseerd, rekening houdend met de actuele stand van de techniek, en dat de resultaten van deze evaluatie binnen zes maanden na beëindiging van de betreffende periode aan de Autoriteit worden overlegd; bij de uitvoering van monstername, analyse, kwaliteitscontrole en rapportage van de volgens het meetprogramma vereiste monsters wordt uitgegaan van nationaal of internationaal vastgelegde normen of richtlijnen; van elke daartoe in het meetprogramma aangewezen monstername, voor een in het meetprogramma vastgestelde periode, een controlemonster beschikbaar gesteld wordt om, op aanwijzing van de Autoriteit, ter verificatie over te dragen aan een door de Autoriteit aangewezen instelling; iedere twee jaar wordt deelgenomen aan een nationaal of internationaal vergelijkend onderzoek teneinde de kwaliteit van de monsternamemethode en analyses te borgen, en; de resultaten van het meetprogramma worden opgenomen in de rapportage over de stralingsbescherming aan de ondernemer en de Autoriteit, bedoeld in artikel 5.30, onderdeel f, van de Regeling basisveiligheidsnormen stralingsbescherming. 3. In geval van lozingen als gevolg van handelingen als bedoeld in artikel 15, aanhef en onderdeel b, van de wet voor een inrichting waarin kernenergie wordt vrijgemaakt met als hoofddoel de productie van elektriciteit of waar bestraalde splijtstoffen kunnen worden opgewerkt: bepaalt de houder van de vergunning de geloosde activiteit van alle in kolom 1 van bijlage 13 genoemde radionucliden, en, rapporteert de houder van de vergunning voor 1 juni van ieder jaar over de resultaten van de onder a genoemde bepalingen van het voorafgaande kalenderjaar, gebruikmakend van het in bijlage 13, onderdeel A, respectievelijk onderdeel B, opgenomen formulier aan de Autoriteit. 4. Bij de bepaling van de geloosde activiteit, als bedoeld in het derde lid, geeft de ondernemer uitvoering aan het vijfde tot en met het achtste lid. 5. Wanneer de meetwaarden beneden de detectiegrenzen liggen, mogen, voor de in kolom 2 van bijlage 13 genoemde representatieve radionucliden, de feitelijke detectiegrenzen niet hoger liggen dan de in kolom 3 van bijlage 13 opgenomen waarden. 6. In situaties waarin voor specifieke radionucliden een gelijke nauwkeurigheid kan worden bereikt door de berekening van de lozing op basis van operationele gegevens of op basis van de meetresultaten voor andere radionucliden, mogen dergelijke berekende lozingswaarden worden gebruikt ter vervanging van feitelijke meetwaarden. 7. De bepaling van de detectiegrenzen en beslissingsdrempels en de weergave van de resultaten moeten in overeenstemming zijn met de internationale norm ISO/IS 11929-7. De beslissingsdrempel mag gelijk worden gesteld aan de helft van de detectiegrens, ook in gevallen waarin de beslissingsdrempel lager ligt dan de helft van de feitelijk voor een meting bereikte detectiegrens. 8. Wanneer de meetwaarden beneden de beslissingsdrempel liggen, moeten deze waarden voorzichtigheidshalve gelijk worden gesteld aan de helft van de beslissingsdrempel. Wanneer de resultaten van herhaalde metingen in de relevante periode echter allemaal beneden de beslissingsdrempel liggen, is het redelijk om aan te nemen dat de werkelijke waarde nul is, dat betekent dat de radionuclide niet aanwezig is in de geloosde afvalstoffen. 9. De krachtens artikel 6.24, tweede lid, van het besluit door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat aangewezen dienst of instantie die is belast met de coördinatie van het milieumonitoringprogramma zorgt ervoor dat de in het derde lid, onderdeel b, genoemde gegevens worden samengevat, gebruikmakend van het in bijlage 14 opgenomen formulier, en voor 30 juni van elk kalenderjaar worden gerapporteerd aan de Europese Commissie.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel