Verzoeken om vermindering van Nederlandse dividendbelasting die is ingehouden op dividenden op aandelen (dan wel de opbrengsten van hybride leningen), kunnen collectief worden gedaan door buitenlandse fiscaal transparante entiteiten namens de achterliggende participanten (deelgerechtigden).1Besluit van 19 maart 1997, nr. IFZ97/204M. In dit onderdeel wordt aangegeven in welke gevallen en onder welke voorwaarden wordt tegemoetgekomen aan een collectief verzoek om teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting dat is gedaan door een buitenlandse fiscaal transparante entiteit.
Het gaat bij buitenlandse entiteiten die een collectief verzoek doen om teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting op basis van belastingverdragen om entiteiten die volgens de nationale belastingwetgeving van het andere land als fiscaal transparant worden aangemerkt en die dus zelf niet als fiscaal inwoner van dat land worden beschouwd. Deze entiteiten zijn dan ook geen inwoner van de betrokken landen in de zin van de belastingverdragen, zodat zij geen zelfstandig beroep kunnen doen op de voordelen van de belastingverdragen. Het zijn de achterliggende participanten die een beroep kunnen doen op verdragstoepassing. Indien de achterliggende participanten bij een zelfstandig beroep op verdragstoepassing recht hebben op verdragsvoordelen, komen zij elk apart in aanmerking voor die verdragsvoordelen. In beginsel moeten zij elk apart een verzoek om verdragstoepassing doen overeenkomstig de procedure die is voorgeschreven in de van toepassing zijnde uitvoeringsvoorschriften. De achterliggende participanten kunnen natuurlijke personen of lichamen zijn.
Ik keur goed dat onder de in onderdeel 5.3 vermelde voorwaarden buitenlandse fiscaal transparante entiteiten namens al hun achterliggende participanten die voor verdragstoepassing kwalificeren een collectief verzoek kunnen indienen om teruggaaf van ingehouden Nederlandse dividendbelasting overeenkomstig de toepasselijke verdragstarieven voor dividenden.
Ik merk nog op dat deze goedkeuring uitsluitend betrekking heeft op de teruggaafprocedure, en niet op de vrijstellingsprocedure.
Indien een buitenlandse fiscaal transparante entiteit gebruik wil maken van de in onderdeel 5.2 vermelde goedkeuring dient een verzoek om een algemene machtiging te worden ingediend bij de Belastingdienst/kantoor Buitenland. Pas na afgifte van de machtiging kan de buitenlandse fiscaal transparante entiteit via de website van de Belastingdienst een collectief verzoek indienen om teruggaaf namens al zijn achterliggende participanten uit verdragslanden. Aan een collectief verzoek om teruggaaf, dat op grond van een afgegeven machtiging wordt gedaan, worden de volgende voorwaarden verbonden:
Het collectieve verzoek dient alle verdragsgerechtigde participanten te betreffen en dient te worden gedaan per verdragsland op naam van de transparante entiteit;
De transparante entiteit dient in het bezit te zijn van een door de fiscale autoriteiten van de betrokken verdragsstaat gedagtekend en ondertekend document waarin deze autoriteiten verklaren dat alle verdragsgerechtigde participanten voor de toepassing van het verdrag met die staat inwoner is van die staat (woonplaatsverklaring). De woonplaatsverklaring mag niet ouder zijn dan twee jaar voorafgaand aan het jaar waarin het dividend ter beschikking is gesteld;
De transparante entiteit beschikt vanaf het tijdstip van indiening van het collectieve verzoek in zijn administratie over een geldig en ingevuld formulier IB 95 USA of formulier IB 96 USA voor in de Verenigde Staten gevestigde participanten. Beide inclusief geldig certificaat form. 6166;
Bij het collectieve verzoek bevestigt de transparante entiteit voor elke achterliggende participant dat zij de uiteindelijk gerechtigde is tot de dividenden;
De transparante entiteit draagt tijdig zorg voor rechtsgeldige opdrachten tot vertegenwoordiging en draagt tevens de verantwoordelijkheid voor de communicatie met de achterliggende participanten. De opdracht tot vertegenwoordiging aan de transparante entiteit omvat de instemming van de achterliggende participanten met het bundelen van:
het verzoek om teruggaaf van de participant in één collectief verzoek met overige verzoeken om teruggaaf;
de beschikking op het verzoek om teruggaaf van de participant in één beschikking met overige verzoeken om teruggaaf; en
de betaling aan de participant in één totaaluitbetaling met overige betalingen aan participanten aan de transparante entiteit.
De participant ontvangt op verzoek een afschrift van zijn individuele beschikking;
De transparante entiteit mag geen collectief verzoek om teruggaaf namens zijn achterliggende participanten indienen, indien de achterliggende participanten zelf een verzoek om teruggaaf van ingehouden Nederlandse dividendbelasting hebben ingediend met betrekking tot dezelfde dividenden op aandelen;
De voorschriften van artikel 52 AWR zijn van toepassing op de bewijsstukken die ten grondslag liggen aan een collectief verzoek;
Indien naar aanleiding van een collectief verzoek ten onrechte of tot een te hoog bedrag teruggaaf van dividendbelasting is verleend brengt de transparante entiteit de Belastingdienst hiervan onverwijld op de hoogte. De bepalingen van artikel 20 van de AWR zijn van (overeenkomstige) toepassing;
De transparante entiteit gaat – ongeacht de mogelijkheid tot verhaal op een achterliggende participant – onvoorwaardelijk akkoord met terugbetaling aan de Belastingdienst/kantoor Buitenland van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende teruggaven;
De voor verdragstoepassing kwalificerende participanten moeten tenminste een jaar onafgebroken eigenaar zijn van hun aandeel in de transparante entiteit. Ingeval het naar het oordeel van de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Buitenland duidelijk is dat er geen misbruik in het geding is, kan hij afwijken van de bedoelde eenjaarseis. Hierbij kan gedacht worden aan de in onderdeel 5.4 genoemde buitenlandse werknemersspaarfondsen of werknemersspaarbanken.
Het kan voorkomen dat ondernemingen voor hun werknemers centrale werknemersfondsen hebben opgericht of aandelenspaarplannen hebben ontwikkeld. Daaraan kunnen de eigen werknemers van de onderneming deelnemen. Deze werknemers kunnen dan aandelen kopen in de onderneming waaraan zij verbonden zijn. Hierdoor kan het aantal particuliere aandeelhouders van de onderneming aanzienlijk toenemen. De werknemers kunnen woonachtig zijn in verdragslanden. Onder werknemers worden in dit verband ook begrepen gepensioneerde werknemers en nabestaanden van werknemers.
Indien de aandelen van de bedoelde werknemers in hun onderneming namens hen worden gehouden door een lichaam, kan de regeling van onderdeel 5.3 hiervoor ook gelden. Dit betekent dat dit lichaam een algemene machtiging kan aanvragen voor een collectief verzoek namens de werknemers/aandeelhouders en dat pas na afgifte van de machtiging het collectief verzoek kan worden gedaan. Het betekent voorts dat de voorwaarden van onderdeel 5.3, die gelden voor transparante entiteiten, van overeenkomstige toepassing zijn, met uitzondering van voorwaarde 2. Anders dan bij de transparante entiteiten mag het hiervoor bedoelde lichaam zelf namelijk een woonplaatsverklaring afgeven. De inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Buitenland kan echter ten aanzien van personen namens wie een collectief verzoek is gedaan steekproefsgewijs verzoeken om woonplaatsverklaringen van de autoriteiten van het desbetreffende verdragsland.
De in onderdeel 5.2 vermelde goedkeuring geldt niet voor instellingen voor collectieve beleggingen in effecten als bedoeld in artikel 25 van het Nederlands-Belgische belastingverdrag 2001. Ingeval een dergelijke instelling de in dat artikel neergelegde regeling wil toepassen moet zij zich wenden tot de Belastingdienst/kantoor Buitenland voor de voorwaarden waaronder deze regeling kan worden toegepast.
Artikel 5
Collectieve verzoeken door fiscaal transparante buitenlandse lichamen om teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting
Onderdeel van Dividendbelasting, vermindering, (gedeeltelijke) vrijstelling en teruggaaf van dividendbelasting· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 29 maart 2018