Naar hoofdinhoud

Artikel 8

Artikel 8

Onderdeel van Besluit informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken· Informatierecht

Deze tekst geldt sinds 31 maart 2018

1. De gebieden, met inbegrip van de daarin gelegen fysieke infrastructuur en civiele werken, bedoeld in artikel 30 van de wet, zijn: de luchthavens Schiphol, Rotterdam, Lelystad, Maastricht, Eelde, Leeuwarden, Volkel, Eindhoven, De Peel, Gilze Rijen, Woensdrecht en De Kooy; de plaatsen van vestiging van de inrichtingen die beschikken over een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet; de marinehavens van Den Helder en Vlissingen; de plaatsen van vestiging van militaire zend- en ontvangstinstallaties die naar hun aard een bijzondere vorm van informatiebeveiliging vereisen. 2. In dit artikel wordt onder gebiedsbeheerder verstaan: voor de in het eerste lid, onder a, bedoelde burgerluchthavens: exploitant van de luchthaven; voor de in het eerste lid, onder a, bedoelde militaire luchthavens: Onze Minister van Defensie; voor de in het eerste lid, onder b, bedoelde gebieden: houder van de vergunning; en voor de in het eerste lid, onder c en d, bedoelde gebieden: Onze Minister van Defensie. 3. De gebiedsbeheerder doet bij de Dienst opgave van de begrenzing van de gebieden, bedoeld in het eerste lid, waarover hij het beheer voert en stelt onverwijld de Dienst in kennis van wijzigingen van die begrenzing. 4. Indien een oriëntatieverzoek of graafmelding betrekking heeft op gebied als bedoeld in het eerste lid: verstrekt de gebiedsbeheerder geen liggingsgegevens over netten of netwerken die hij beheert aan de Dienst; verstrekt de Dienst gebiedsinformatie onverwijld, doch uiterlijk binnen twee werkdagen na verzending van het graafbericht, aan de gebiedsbeheerder; indien de gebiedsbeheerder niet degene is die het oriëntatieverzoek of de graafmelding heeft ingediend, verstrekt hij onverwijld de van de Dienst ontvangen gebiedsinformatie en beheerdersinformatie over eigen netten die zijn gelegen in de oriëntatiepolygoon of de graafpolygoon aan degene die het oriëntatieverzoek of de graafmelding heeft gedaan, voor zover dit naar zijn oordeel noodzakelijk is voor het zorgvuldig verrichten van de graafwerkzaamheden en geen afbreuk doet aan het vereiste niveau van informatiebeveiliging. 5. Op de verstrekking van informatie door de gebiedsbeheerder zijn artikel 13, derde lid, van de wet en de krachtens artikel 28 en 29 van de wet gestelde regels van overeenkomstige toepassing. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken in werking treedt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel