De buitengewoon agent van politie is, zodra hij met goed gevolg de opleiding aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden heeft voltooid, bevoegd bij het opsporen van de in artikel 3 genoemde strafbare feiten gebruik te maken van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 10, tweede lid, juncto artikel 13 van de Rijkswet Politie. Hij gedraagt zich overeenkomstig de op hem van toepassing zijnde Ambtsinstructie.
Artikel 6
Artikel 6
Onderdeel van Besluit buitengewoon agent van politie KMAR/Caribisch Nederland 2018· Procesrecht
Deze tekst geldt sinds 4 juni 2018