Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1 › § 1

Artikel 2

Artikel 2

Onderdeel van Regeling energie vervoer· Ruimtelijke ordening en milieu

Deze tekst geldt sinds 20 juni 2026

1. De energie-inhoud op basis van de onderste verbrandingswaarde van de geleverde brandstof, de geleverde biobrandstof of de geleverde hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong, waarvoor bijlage III bij de richtlijn hernieuwbare energie geen energie-inhoud vermeldt, wordt door de leverancier tot eindverbruik onderscheidenlijk de inboeker ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aangetoond met behulp van een erkende methode die bestemd is voor het vaststellen van de verbrandingswaarde van de brandstof, de biobrandstof of de hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong. 2. De energie-inhoud als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald op basis van een monstername die representatief is voor de geleverde brandstof, de geleverde biobrandstof of de geleverde hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong. Met uitzondering van methylvetzuren (FAME), bioethanol en ETBE: gebeurt de monstername volgens EN ISO 3170 of EN ISO 3171 en door een instelling die door een nationaal accreditatie-instituut als bedoeld in Verordening (EG) nr. 765/2008 voor die norm is geaccrediteerd; gebeurt een analyse onder ISO-/IEC 17025 door een instelling die door een nationaal accreditatie-instituut als bedoeld in Verordening (EG) nr. 765/2008 voor die norm is geaccrediteerd. 3. De energie-inhoud wordt voor de sector zeevaart bepaald overeenkomstig bijlage II van Verordening (EU) 2023/1805. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet milieubeheer, enz. (implementatie Richtlijn (EU) 2023/2413 (bevordering energie uit hernieuwbare bronnen)) in werking treedt.

Rechtspraak bij dit artikel