Naar hoofdinhoud

Artikel III

Verstrekking van informatie op grond van artikel 39f Wjsg

Onderdeel van Aanwijzing Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens· Procesrecht

Deze tekst geldt sinds 1 juli 2018

Artikel 39f van de Wjsg biedt de mogelijkheid om strafvorderlijke gegevens te verstrekken voor buiten de strafrechtspleging gelegen doelen. De doelen betreffen onder andere het voorkomen en opsporen van strafbare feiten, het handhaven van de openbare orde en veiligheid en het beoordelen van de noodzaak tot het nemen van rechtspositionele of tuchtrechtelijke maatregelen. Het Openbaar Ministerie heeft de verantwoordelijkheid om een effectieve bijdrage te leveren aan een rechtvaardige en veilige samenleving. Het verstrekken van strafvorderlijke informatie aan anderen – binnen de geldende wettelijke kaders – kan daartoe een belangrijke bijdrage leveren. Zo is informatieoverdracht nodig bij de samenwerking met partners om de handhaving te versterken, alsmede bij het verlenen van hulp aan slachtoffers. In dit hoofdstuk zal worden aangegeven welke beginselen ten grondslag liggen aan een verstrekking op grond van artikel 39f, in welke gevallen een contra-indicatie bestaat om te verstrekken en aan wie of welke instantie strafvorderlijke gegevens kunnen worden verstrekt. De Wjsg kent geen verplichting om aan derden strafvorderlijke gegevens te verstrekken, maar schept een bevoegdheid. De grenzen van die bevoegdheid zijn uitgewerkt in de Wet en deze aanwijzing. Dit betekent dat een verzoeker geen recht op informatie kan ontlenen aan artikel 39f Wjsg. Er zal altijd een afweging dienen plaats te vinden. Het verstrekken van strafvorderlijke gegevens voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden is alleen mogelijk als het past binnen de taakuitoefening van het Openbaar Ministerie en voor zover dit noodzakelijk is wegens een zwaarwegend algemeen belang. Dat betekent dat strafvorderlijke gegevens niet mogen worden verstrekt op grond van het enkele belang dat de derde daarbij heeft. Het Openbaar Ministerie kan zowel actief (op eigen initiatief) als passief (op verzoek) informatie verstrekken voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden. Bij alle vormen van verstrekking van strafvorderlijke gegevens moet rekening gehouden worden met het feit dat het Openbaar Ministerie niet alleen een grondslag moet hebben om te verstrekken, maar dat er tevens een grondslag voor de ontvanger moet zijn om te ontvangen. De beantwoording van de vraag of er een grond is om te ontvangen, is aan het Openbaar Ministerie (art. 39f lid 2 aanhef en sub a Wjsg). Alvorens tot verstrekking wordt overgegaan wordt steeds een afweging gemaakt van het belang dat de ontvanger heeft bij het verkrijgen van de informatie ten opzichte van de belangen van opsporing en vervolging en het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene(n). Indien de uitkomst van een strafrechtelijk onderzoek nog onzeker is, dient meer terughoudendheid te worden betracht bij een verstrekking aan derden. Aan de andere kant betekent dit dat bij een bewijsbare zaak eerder de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen gerechtvaardigd is. Bij deze belangenafweging dienen de beginselen van noodzakelijkheid, subsidiariteit en proportionaliteit te worden betrokken. Indien het doel van de ontvanger op een andere, minder inbreuk op de privacy makende, manier dan via verstrekking van strafvorderlijke gegevens door het Openbaar Ministerie aan verzoeker kan worden bereikt, blijft verstrekking achterwege (subsidiariteit). Als zich bijvoorbeeld in een dossier informatie bevindt van de Kamer van Koophandel (KvK), dan zal door een verzoeker in beginsel eerst moeten worden bezien of deze informatie direct van de KvK kan worden verkregen. Verstrekking van méér informatie dan nodig voor het nastreven van een van de in art. 39f Wjsg genoemde doeleinden, dient te allen tijde achterwege te blijven (proportionaliteit). Uitgangspunt moet zijn dat niet meer wordt verstrekt dan nodig is voor het doel van de verstrekking. Het is op basis van de Wjsg niet aan de ontvanger om te bepalen welke strafvorderlijke gegevens deze nodig heeft, maar aan het Openbaar Ministerie. Ook de vorm van verstrekking is van belang. Als door de wijze van verstrekken een onnodige of onevenredige inbreuk op de privacy van een betrokkene wordt veroorzaakt, wordt bekeken of een alternatieve verstrekking mogelijk is, bijvoorbeeld door te anonimiseren, delen weg te laten, een samenvatting te geven of enkel mededeling te doen van de relevante informatie. Tot slot moet de verstrekking noodzakelijk zijn met het oog op het doel waarvoor deze wordt gevraagd (noodzakelijkheidsvereiste). In geval de informatie interessant is om te weten (nice te know), maar niet noodzakelijk om bijvoorbeeld de beoogde rechtspositionele maatregel te nemen (need to know) kan niet tot verstrekking worden overgegaan. Wanneer een zaak is geëindigd met een sepot of een vrijspraak of wanneer nog geen definitieve vervolgingsbeslissing is genomen, geldt als uitgangspunt dat geen informatie wordt verstrekt tenzij er sprake is van een zwaarwegend belang dat de verstrekking in dat geval rechtvaardigt. Een dergelijk zwaarwegend belang is in ieder geval aanwezig in de volgende situaties. Door middel van het verstrekken van informatie kan ernstig en acuut gevaar worden afgewend; Het gedrag (nalaten daaronder begrepen) dat voorwerp is geweest van strafrechtelijk onderzoek past niet binnen een integere uitoefening van een overheidsfunctie; Het gedrag (nalaten daaronder begrepen) dat voorwerp is geweest van strafrechtelijk onderzoek is relevant voor de vraag of een rechtspositionele dan wel tuchtrechtelijke maatregel moet worden genomen tegen iemand die als zelfstandige, werknemer, vrijwilliger of stagiaire een gevoelige functie bekleedt, indien dat vastgestelde handelen twijfels doet rijzen over zijn behoorlijk (beroepsmatig) functioneren; Het verstrekken van informatie maakt het treffen van noodzakelijke organisatorische of bestuurlijke maatregelen mogelijk; Het gedrag dat naar voren komt uit het strafrechtelijk onderzoek levert civielrechtelijk aansprakelijkheid op tussen het slachtoffer/de betrokkene en de (gewezen) verdachte. In het geval dat in een zaak nog geen definitieve vervolgingsbeslissing genomen is, dient tevens sprake te zijn van een spoedeisend belang. Op basis van art. 39f lid 1 Wjsg kunnen voor de aldaar genoemde doelen in ieder geval aan de volgende personen en instanties strafvorderlijke gegevens worden verstrekt. Ten behoeve van het voorkomen en opsporen van strafbare feiten kunnen daarvoor benodigde strafvorderlijke gegevens worden verstrekt aan: KNVB en buitenlandse voetbalorganisaties; Hulpverleningsinstanties op het terrein van de criminaliteitspreventie; Ambtenaren als bedoeld in de artikelen 141 en 142 Sv; Burgemeesters, Commissarissen van de Koning en de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Veiligheid en Justitie; Nederlandse rechterlijke ambtenaren ten behoeve van buiten het strafrecht gelegen wettelijke taken, zoals het beslissen over gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis; Overheidsinstellingen (anders dan genoemd onder IV) en de particuliere werkgever, vrijwilligersorganisatie en opleidingsinstantie als het gaat om bepaalde 'gevoelige' bedrijven/instellingen (zoals op het gebied van vervoer en transport, telecommunicatie en internet, beveiliging, financiën, onderzoek, onderwijs, kinderactiviteiten, energie, voedselvoorziening, kunst en oudheden); Dienst voor het Wegverkeer; (Openbaar-)vervoersbedrijven; Beroepsorganisaties (ten behoeve van het handhaven van een veroordeling tot ontzetting uit het bekleden van ambten of bepaalde ambten of het uitoefenen van bepaalde beroepen en van een veroordeling tot een voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde geen beroep uitoefent waarin hij werkt met een bepaalde doelgroep of dat de veroordeelde zich onthoudt van het verrichten van bepaalde (beroeps)werkzaamheden). Ten behoeve van het handhaven van de orde en veiligheid kunnen daarvoor benodigde strafvorderlijke gegevens worden verstrekt aan: KNVB en buitenlandse voetbalorganisaties; Burgemeesters, Commissarissen van de Koning, en de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Veiligheid en Justitie; Nederlandse rechterlijke ambtenaren ten behoeve van buiten het strafrecht gelegen wettelijke taken, zoals het beslissen over gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis; Overheidsinstellingen (anders dan genoemd onder II) en de particuliere werkgever, vrijwilligersorganisaties en opleidingsinstanties als het gaat om bepaalde 'gevoelige' bedrijven/ instellingen (bijvoorbeeld op het gebied van vervoer en transport, telecommunicatie en internet, beveiliging, financiën, onderzoek, onderwijs, kinderactiviteiten, energie, voedselvoorziening, kunst en oudheden); Ambtenaren als bedoeld in art. 2 Politiewet 2012 en ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee; Verhuurders van roerende of onroerende zaken geschikt voor bewoning of de uitoefening van een beroep of bedrijf; Nutsbedrijven; (Openbaar-)vervoersbedrijven. Ten behoeve van het uitoefenen van toezicht op het naleven van regelgeving kunnen de daarvoor benodigde strafvorderlijke gegevens worden verstrekt aan: Bestuursorganen (waaronder de Belastingdienst, bedrijfsverenigingen, uitkeringsinstanties, subsidieverstrekkers, inspecties, bijzondere opsporingsdiensten, De Nederlandsche Bank, Stichting Autoriteit Financiële Markten, de Pensioen- en Verzekeringskamer); OLAF (Office Européen De Lutte Anti-Fraude / Europees Bureau voor fraudebestrijding); Curatoren (ten behoeve van een correcte afwikkeling van een faillissement in geval van faillissementsfraude); Bewindvoerders voor zover het strafbare feiten betreft waarvan de inhoud raakt aan de wettelijke verplichtingen van de onder bewind gestelde c.q. van de bewindvoerder; Toezichthouders als bedoeld in artikel 5:11 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ten behoeve van het nemen van een bestuursrechtelijke beslissing kunnen de daarvoor benodigde strafvorderlijke gegevens worden verstrekt aan: Alle (lokale) overheidsinstanties (voor zover geen bijzondere wettelijke bepaling van kracht is) Ten behoeve van de beoordeling van de vraag of een rechtspositionele dan wel tuchtrechtelijke maatregel moet worden getroffen tegen een werknemer, vrijwilliger, stagiair of een lid van een beroepsgroep, die/dat wordt verdacht van of is veroordeeld wegens een strafbaar feit waarvan duidelijk is dat twijfels kunnen doen rijzen over zijn behoorlijk (beroepsmatig) functioneren, dan wel ten aanzien van wie is gebleken van handelen dat gevaarzetting voor anderen oplevert of de integriteit van de overheid of die beroepsgroep aantast, kunnen over betrokkene strafvorderlijke gegevens worden verstrekt aan ten minste de volgende instanties: De (semi-)overheid als werkgever; Werkgevers van ambtenaren als bedoeld in artikel 142 Sv; EU-instellingen en internationale organisaties (zoals de NAVO); De particuliere werkgever, vrijwilligersorganisaties en opleidingsinstanties als het gaat om bepaalde 'gevoelige' bedrijven/instellingen (bijvoorbeeld op het gebied van vervoer en transport, telecommunicatie en internet, beveiliging, financiën, onderzoek, onderwijs, kinderactiviteiten, energie, voedselvoorziening, kunst en oudheden); Instanties belast met toezicht op vrije beroepen, zoals de (plaatselijke) Deken van de Orde van Advocaten, de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants en de Inspectie voor de gezondheidszorg. f.1) Voor zover noodzakelijk voor het verlenen van hulp aan slachtoffers en anderen die bij een strafbaar feit betrokken zijn, kunnen daarvoor benodigde strafvorderlijke gegevens worden verstrekt aan: Slachtoffers en anderen die bij een strafbaar feit betrokken zijn; Slachtofferhulp Nederland; Ambtenaren als bedoeld in de artikelen 141 en 142 Sv; Bureau maatschappelijk werk; Raad voor de Kinderbescherming; Vertrouwensartsen; Gezondheidsdiensten en -instellingen; Buro’s voor Jeugdzorg; Slachtoffer in Beeld. f.2) Ten behoeve van de vergoeding aan het slachtoffer van de schade, die is ontstaan als gevolg van een strafbaar feit, kunnen de daarvoor benodigde strafvorderlijke gegevens worden verstrekt aan: Degenen die rechtstreeks schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit, voor zover geen sprake is van een geval waarop artikel 51b Sv betrekking heeft; Verzekeraars van direct betrokkenen; Uitkeringsinstanties; Stichting Processen-Verbaal; Buma/Stemra en Brein in geval van overtredingen van intellectuele eigendomsrechten; Arbodiensten; Ambtenaren als bedoeld in artikel 2 van de Politiewet 2012 en ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee. Voor het nemen van een beslissing die in het kader van artikel 5a van de Wet Bibob door de overheid (rechtspersoon) wordt genomen kunnen de daarvoor benodigde gegevens worden verstrekt aan. Alle (lokale) overheidsinstanties. Zoals hierboven is vermeld, kan het Openbaar Ministerie aan de bovengenoemde personen en instanties strafvorderlijke gegevens verstrekken onder de voorwaarden die de Wjsg en deze aanwijzing stellen. Dat wil niet zeggen dat het niet tevens tot de taak van het Openbaar Ministerie kan behoren om, ter nastreving van de doelen die art. 39f stelt, aan andere personen of instanties informatie te verstrekken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel