De bestuursrechtelijke handhavingstaak, bedoeld in artikel 18.1 van de wet, berust in geval van de volgende gedoogplichten uit hoofdstuk 10 van de wet bij:
gedeputeerde staten: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.10 van de wet;
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat:
bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.7 van de wet;
bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.8, eerste lid, van de wet;
het bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van een gedoogplicht:
bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.2 van de wet;
bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.3, eerste, derde en vierde lid, van de wet; en
bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.6, eerste lid, van de wet;
het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 17.9, eerste tot en met vierde lid, van de Wet milieubeheer: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.6, tweede lid, van de wet;
het dagelijks bestuur van een openbaar lichaam, bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.8, derde lid, van de wet;
het bevoegd gezag voor een vergunning voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen, het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte of het opslaan van stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.9 van de wet; en
het bestuursorgaan dat bevoegd is tot oplegging van een gedoogplicht:
bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.13a, eerste lid, van de wet;
bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.17 van de wet;
bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.19, eerste en tweede lid, van de wet; en
bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.19a van de wet.
Hoofdstuk 13 › Afdeling 13.1
Artikel 13.2
(toedeling handhavingstaak gedoogplichten)
Onderdeel van Omgevingsbesluit· Ruimtelijke ordening en milieu
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2024