Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Afdeling 3.2

Artikel 3.5

(beperkingengebied hoofdspoorweginfrastructuur)

Onderdeel van Omgevingsbesluit· Ruimtelijke ordening en milieu

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2024

1. Het beperkingengebied met betrekking tot hoofdspoorweginfrastructuur bestaat uit de hoofdspoorweg en het daaromheen gelegen gebied, begrensd door een lijn liggend op een afstand van: bij een hoofdspoorweg op maaiveldniveau: 11 m, gemeten vanaf het hart van het buitenste spoor, zijnde een denkbeeldige lijn in de lengterichting van het spoor midden tussen beide spoorstaven; bij een hoofdspoorweg in ingraving: 6 m, gemeten uit de bovenzijde van de ingraving; bij een hoofdspoorweg in ophoging: 6 m, gemeten uit de teen van het talud; bij een hoofdspoorweg in een tunnel: 30 m, gemeten vanaf de buitenste wand van de tunnel; of bij een hoofdspoorweg op een brug of op een viaduct: 30 m, gemeten vanaf de buitenste rand van de constructie. 2. Als een deel van de hoofdspoorweg alleen is bestemd voor goederenvervoer voor de lokale ontsluiting van haven- en industriegebieden, bestaat het beperkingengebied, in afwijking van het eerste lid, uit dat deel van de hoofdspoorweg en het daaromheen gelegen gebied, begrensd door een lijn liggend op een afstand van 3 m op maaiveldniveau, gemeten vanaf het hart van het buitenste spoor.

Rechtspraak bij dit artikel