In een ruilbesluit zijn niet uitruilbaar:
gronden met een uitzonderlijk slechte cultuurtoestand;
gronden met een zeer oneffen maaiveld;
heidevelden, hoogveenterreinen, zandverstuivingen, duinterreinen, kwelders, schorren, gorzen, slikken, riet- en ruiglanden en laagveenmoerassen, die niet als cultuurgrond in gebruik zijn;
te diep ontgronde percelen;
gronden waarop sport- of recreatieterreinen liggen;
gronden waarop spoorwegen liggen;
de volgende gronden waarvoor op grond van afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving een herbeplantingsplicht geldt:
gronden met een houtopstand groter dan 10 are; en
gronden waarop een houtopstand groter dan 10 are heeft gestaan; en
boomgaarden en andere gronden met meerjarige gewassen.
Hoofdstuk 10 › Afdeling 10.1 › § 10.1.2
Artikel 10.10
(overige niet-uitruilbare gronden)
Onderdeel van Besluit kwaliteit leefomgeving· Ruimtelijke ordening en milieu
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2024