Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 8 › Afdeling 8.10 › § 8.10.2

Artikel 8.102

(specifieke gronden – bevoegdheid tot intrekking omgevingsvergunning milieubelastende activiteit, lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk)

Onderdeel van Besluit kwaliteit leefomgeving· Ruimtelijke ordening en milieu

Deze tekst geldt sinds 30 december 2025

1. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk in ieder geval intrekken in verband met: een doelmatig beheer van afvalstoffen; of het niet treffen van passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid als bedoeld in artikel 4.22, tweede lid, onder b, van de wet. 2. Het bevoegd gezag geeft alleen toepassing aan de intrekkingsbevoegdheid als niet kan worden volstaan met wijziging van de voorschriften van de omgevingsvergunning. 3. Bij de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder a, wordt rekening gehouden met: het circulair materialenplan, bedoeld in artikel 10.3 van de Wet milieubeheer; of de voorkeursvolgorde, aangegeven in artikel 10.4, en de criteria, genoemd in artikel 10.5 van die wet.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel