Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 11 › Afdeling 11.2 › § 11.2.3

Artikel 11.53

(vergunningvrije gevallen soorten habitatrichtlijn op basis van aangewezen gedragscode)

Onderdeel van Besluit activiteiten leefomgeving· Ruimtelijke ordening en milieu

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2024

1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt in bij ministeriële regeling aangewezen gevallen niet voor flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in de artikelen 11.46, eerste lid, en 11.47, eerste lid, aanhef en onder b, die in een bij die regeling aangewezen gedragscode worden beschreven en die: aantoonbaar worden uitgevoerd in overeenstemming met die gedragscode; en plaatsvinden in het kader van: het bestendig beheren of onderhouden van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; een bestendig gebruik; of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 2. Een gedragscode wordt bij ministeriële regeling alleen aangewezen, als: de daarin beschreven activiteiten voldoen aan artikel 8.74k, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en daarin een wijze van verrichten van activiteiten is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister voor Natuur en Stikstof afdoende is gewaarborgd dat: geen benutting of economisch gewin plaatsvindt van dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, en van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern; en de activiteiten met betrekking tot die dieren en planten zorgvuldig worden verricht. 3. Activiteiten worden in ieder geval zorgvuldig verricht als: daarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de soorten waartoe de dieren of de planten behoren; en in redelijkheid alles wordt gedaan of nagelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat: de dieren worden gedood; voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de dieren worden beschadigd of vernield; eieren van de dieren worden vernield; en de planten worden geplukt, afgesneden, ontworteld of vernield.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel