Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het brengen van grond of baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in artikel 3.48o, tweede lid, voor zover het gaat om het opvullen van een diepe plas voor het bevorderen van de natuurwaarde of recreatieve waarde van de diepe plas, het ontwikkelen tot landbodem voor het verwezenlijken van bedrijventerreinen, woningbouwlocaties, landbouwgronden, natuurgronden of recreatieterreinen of het stabiliseren van wanden.
Artikel XVI van Stb. 2021/98 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Hoofdstuk 3 › Afdeling 3.2 › § 3.2.26
Artikel 3.48p
(aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
Onderdeel van Besluit activiteiten leefomgeving· Ruimtelijke ordening en milieu
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2024