**1.** Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg wordt een kabel of leiding gelegd:
buiten de verharding van de weg;
op een afstand van ten minste 2,5 m van de aanwezige bomen, gemeten vanuit de as van de bomenrij als er een bomenrij is;
op een afstand van ten minste 1,5 m van andere beplanting, met uitzondering van gras;
als de kabel of leiding parallel aan een bermsloot wordt gelegd: op een afstand van ten minste 1,5 m vanaf de insteek van de bermsloot;
als de kabel of leiding parallel aan een talud wordt gelegd: op een afstand van ten minste 1,5 m vanaf de teen van het talud; en
als de kabel of leiding parallel aan een geleiderailconstructie wordt gelegd: op een afstand van ten minste 1,5 m vanaf die constructie.
**2.** De afstanden worden gemeten tot aan de dichtstbij gelegen zijde van de kabel of leiding.
**3.** Het vlak, gelegen onder een helling van 1:3 uit de onderkant van de verharding of de fundering, wordt niet doorsneden.
**4.** In de berm van de weg is de gronddekking boven een kabel of leiding ten minste 0,8 m. De gronddekking bestaat uit twee lagen.
**5.** Als een kabel of leiding kruist met een bermsloot, is de gronddekking boven de kabel of leiding ten minste 0,8 m.
Hoofdstuk 8 › Afdeling 8.2 › § 8.2.2
Artikel 8.24
(ligging van de kabel of leiding)
Onderdeel van Besluit activiteiten leefomgeving· Ruimtelijke ordening en milieu
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2024