Provinciale staten kunnen bij verordening bepalen dat de vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van de commissie naar boven afwijkt van het bedrag, genoemd in artikel 2.4.1, eerste lid, ten aanzien van:
een commissielid dat op grond van zijn bijzondere beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de commissie voor deelneming aan haar werkzaamheden is aangetrokken; en
een commissielid ten aanzien waarvan de vergoeding niet geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van zijn taak en de omvang van de door hem te verrichten arbeid.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 2.4
Artikel 2.4.2
Hogere vergoeding
Onderdeel van Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers· Staats- en bestuursrecht
Deze tekst geldt sinds 28 maart 2019