Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7

Artikel 28

Algemeen terugvorderingsbeleid

Onderdeel van Beleidsregels toepassing Besluit onderstand BES 2019· Staats- en bestuursrecht

Deze tekst geldt sinds 8 februari 2019

Te veel of ten onrechte betaalde onderstand wordt in beginsel teruggevorderd. Er wordt in elk geval teruggevorderd indien de verleende onderstand evident gebaseerd is op onjuiste informatie van de belanghebbende, of als anderszins sprake is van verwijtbaarheid. Voorbeeldsituaties zijn het niet of niet tijdig hebben gemeld van overlijden, het verzwijgen van inkomsten, of het na uitnodiging door niet komen opdagen voor een herbeoordelingsgesprek. Er wordt ook teruggevorderd als het de belanghebbende zonder meer duidelijk had kunnen zijn dat hij geen recht had op onderstand of op het bedrag dat hij heeft ontvangen (bijvoorbeeld als er per abuis een dubbele betaling is gedaan). In alle andere situaties, waarin verwijtbaarheid ontbreekt, kan op basis van ‘hardheid’ van invordering worden afgezien. De beslissing hierover wordt op basis van individuele beoordeling door de Minister genomen. Wanneer er evident sprake van is dat de belanghebbende in redelijkheid niet hadden kunnen weten dat hij teveel ontving (‘te goede trouw’), dan kan de Minister op grond daarvan beslissen om de teveel of ten onrechte ontvangen onderstand niet terug te vorderen. De termijnen van terugvordering worden afgestemd op de betalingscapaciteit van belanghebbende. De algemene gedragslijn is dat bij terugvordering minimaal 10% van het tweewekelijkse onderstandbedrag wordt teruggevorderd, ook bij uitstroom uit de onderstand. Het besluit om wel of niet in te vorderen wordt de belanghebbende schriftelijk meegedeeld, onder vermelding van de ingangsdatum van de herziening of beëindiging van de onderstand, het met de beslissing gemoeide bedrag, en de motivering. Grondslag: Artikel 33 Besluit onderstand BES (bevoegdheid terugvordering).

Rechtspraak bij dit artikel