De waarde in het economische verkeer is van belang wanneer een pensioenverplichting tegen koopsombetaling wordt overgedragen aan een pensioenlichaam. Daarnaast speelt de waarde in het economische verkeer een rol bij het vaststellen van de zakelijkheid van een pensioentoezegging aan een DGA.
In dit hoofdstuk wordt op beide onderwerpen nader ingegaan.
In geval van overdracht van een pensioenverplichting dient een koopsom te worden betaald aan het overnemende pensioenlichaam. Bij koopsombetalingen aan een pensioenlichaam kan het zakelijke karakter van de overeenkomst tussen het overdragende lichaam en het pensioenlichaam in het geding zijn. Hiervan zal sprake zijn wanneer de koopsombetalingen niet de waarde in het economische verkeer van de overgedragen verplichtingen vertegenwoordigen.
De aan het pensioenlichaam verschuldigde koopsom dient te zijn gebaseerd op een door het overdragende lichaam en het pensioenlichaam gesloten (financierings)overeenkomst, welke schriftelijk is vastgelegd en waarin is opgenomen welke verplichtingen aan het pensioenlichaam worden overgedragen en welke koopsom daarvoor wordt berekend. Om onzekerheid over de omvang van de koopsom te voorkomen en een gelijke behandeling zoveel mogelijk te bevorderen, geef ik in dit onderdeel mijn opvattingen weer over het vaststellen van de als zakelijk aan te merken koopsom.
Naast een onderzoek naar de hoogte van de koopsom zal onderzocht moeten worden of en in hoeverre de koopsom een element van vooruitbetaling bevat en of de koopsom ingevolge de artikelen 3.26 tot en met 3.28 Wet IB 2001 juncto artikel 8 Wet Vpb 1969 slechts beperkt aftrekbaar is. Bij een betaling aan een pensioenstichting zal de aandacht zich voorts richten op de vraag of de koopsom het vermogen van het overdragende lichaam onherroepelijk heeft verlaten en of de beschikkingsmacht niet in feite in handen ligt van de DGA.
Als het overdragende lichaam en het overnemende pensioenlichaam voor de vennootschapsbelasting deel uitmaken van dezelfde fiscale eenheid wordt de winst van deze fiscale eenheid niet beïnvloed door de omvang van de koopsombetaling. Toch is het van belang om de koopsom op een zakelijk juist bedrag vast te stellen. De fiscale eenheid heeft bijvoorbeeld voor de loonbelasting geen betekenis. Stelt men de koopsom bijvoorbeeld onzakelijk laag vast, dan kan dit tot de conclusie leiden dat de DGA de pensioenaanspraak in feite voor een deel prijsgeeft.
De aan een pensioenlichaam te betalen koopsom voor een nominaal of vast geïndexeerd pensioen dient te zijn gebaseerd op de tarieven die levensverzekeringsmaatschappijen voor dergelijke pensioenverzekeringen plegen te hanteren (vgl. HR 24 oktober 2003, nr. 37.856, ECLI:NL:HR:2003:AI0411). Onder deze tarieven moet in dit verband worden verstaan de zogenoemde bruto-netto tarieven; dit zijn de bruto tarieven verminderd met alle gebruikelijke kortingen. Dit betekent dat rekening gehouden moet worden met o.a. omvangskortingen en – voor zover van toepassing – rentestandskortingen. Daarnaast moeten de tussen onafhankelijke derden gebruikelijke overrente- of winstdelingen zijn overeengekomen.
De omstandigheid dat levensverzekeringsmaatschappijen geen open geïndexeerde pensioenen verzekeren, vormt geen beletsel voor het bepalen van een koopsom die zou zijn overeengekomen tussen zakelijk handelende partijen. De waarde van een dergelijke pensioenaanspraak waarbij een open indexatie overeen is gekomen, kan worden bepaald door uit te gaan van de waarde van een pensioen met een vaste indexatie die tussen partijen op zakelijke wijze ten tijde van de overdracht ter vervanging van de toegezegde open indexatie zou zijn overeengekomen (vgl. HR 14 april 2006, nr. 41.569, ECLI:NL:HR:2006:AW1747).
Ter voorkoming van discussie over de hoogte van de fictieve vaste indexatie, die dient ter vervanging van de open indexatie, keur ik goed dat deze wordt gesteld op 2% per jaar, waarmee wordt aangesloten bij het streven van de Europese Centrale Bank dat is gericht op een inflatie beneden, maar dicht bij de 2%. Nader onderzoek naar de zakelijke overwegingen kan daarbij achterwege blijven. Ik merk hierbij op dat voor zover de rekenrente per saldo lager uitkomt dan 4%, de artikelen 3.26 tot en met 3.28 Wet IB 2001 juncto artikel 8 Wet Vpb 1969, mee kunnen brengen dat de betaalde koopsom gedeeltelijk moet worden geactiveerd.
Als een aan de DGA toegekende pensioenaanspraak voor de heffing van de loonbelasting fiscaal zuiver is, dat wil zeggen voldoet aan het bepaalde in hoofdstuk IIB Wet LB 1964, betekent dit niet dat deze toezegging voor de heffing van de vennootschapsbelasting altijd als zakelijk kan worden aangemerkt. Voldoening aan de geldende regels voor pensioenen in de Wet LB 1964 brengt niet in alle gevallen mee dat het voor de zakelijkheid vereiste verband aanwezig is tussen het genoten salaris en de werkelijke diensttijd enerzijds en de hoogte van het pensioen anderzijds. Onder omstandigheden kan de DGA bijvoorbeeld extra diensttijd inkopen (hetzij voor eigen rekening, hetzij voor rekening van de werkgever), zonder dat de pensioenregeling de begrenzingen van hoofdstuk IIB Wet LB 1964 overschrijdt (artikel 10a, tweede en derde lid, UBLB 1965). In een dergelijk geval kan een voor de loonbelasting zuivere pensioenregeling onder omstandigheden leiden tot een onzakelijke last voor de vennootschapsbelasting, ook al is overigens sprake van een normale arbeidsbeloning (exclusief de pensioenregeling).
De grens tussen zakelijk en onzakelijk handelen is niet in zijn algemeenheid aan te geven. Dit zal steeds aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval dienen te worden beoordeeld. Of in een concreet geval sprake is van een zakelijke of onzakelijke last moet volgens vaste jurisprudentie worden getoetst aan de totale arbeidsbeloning (vgl. HR 15 mei 1985, nr. 22.154, ECLI:NL:HR:1985:AW8273, HR 20 januari 1988, nr. 24.554 ECLI:NL:HR:1988:ZC3740, en HR 24 april 1991, nr. 27.021 ECLI:NL:HR:1991:ZC4572).
In de uitvoeringspraktijk roept vooral de hiervoor genoemde inkoop van dienstjaren vragen over de zakelijkheid op. Als de werknemer geen DGA is, komen de kosten van een dergelijke inkoop doorgaans voor rekening van de werknemer zelf. Als aan een DGA extra pensioenaanspraken worden toegekend en hij daarvoor geen of een geringe eigen bijdrage betaalt, kan toetsing van de concrete feiten en omstandigheden tot de conclusie leiden dat de kosten van de extra pensioenaanspraken dusdanig hoog zijn dat geen redelijk denkende werkgever deze kosten voor zijn rekening had genomen als de werknemer niet tevens aandeelhouder zou zijn, onder overigens vergelijkbare omstandigheden. De extra aanspraken vloeien dan niet voort uit de dienstbetrekking, maar uit de aandeelhoudersrelatie.
Van een onvoldoende eigen bijdrage kan ook sprake zijn als het loon wordt verhoogd om daarmee de eigen bijdrage van de DGA te compenseren. In dat geval komt de ‘eigen’ bijdrage door de loonsverhoging in feite toch voor rekening van de werkgever. Voor de beoordeling van de kosten van de extra aanspraken moet worden uitgegaan van de onvoorwaardelijk toegekende aanspraken.
Om te voorkomen dat de zakelijkheid moet worden getoetst bij elke inkoop, waarvan de kosten direct of indirect voor rekening van de werkgever komen, keur ik goed dat nader onderzoek naar de zakelijke overwegingen achterwege blijft als in het jaar van inkoop de extra ingekochte diensttijd niet meer bedraagt dan de pensioengevende diensttijd van het jaar waarin de inkoop plaatsvindt. Die zakelijke overwegingen worden in dat geval aanwezig verondersteld. Deze goedkeuring geldt alleen als de totale arbeidsbeloning overigens – dus exclusief de kosten van de extra pensioentoezegging – als zakelijk kan worden aangemerkt.
Als de kosten van de extra aanspraken te hoog zijn, is sprake van onzakelijke lasten en veelal tevens van een uitdeling. Onzakelijkheid heeft tot gevolg dat de kosten van het onzakelijke deel van de aanspraak voor de werkgever niet aftrekbaar zijn. Als tevens sprake is van een uitdeling wordt de waarde in het economische verkeer van het onzakelijke deel van die aanspraak bij de DGA aangemerkt als in het jaar van toekenning genoten inkomen uit aanmerkelijk belang in de zin van hoofdstuk 4 van de Wet IB 2001.
Indien de als onzakelijk aangemerkte aanspraken nadien worden verhoogd ingevolge een eindloontoezegging of een voorwaardelijke indexatie dienen de voor de vennootschap daarmee samenhangende backservicelasten eveneens als een onzakelijke last te worden aangemerkt. Voor zover bij de toekenning sprake is van een uitdeling, geldt dit ook voor de latere verhoging van de aanspraken. De latere backservicelasten vloeien immers voort uit een als onzakelijk aangemerkte inkoop.
Voor de goede orde merk ik nog het volgende op. Als de pensioenverplichting in eigen beheer wordt gehouden en de DGA een belang van ten minste een derde heeft in de vennootschap of in een daarmee verbonden vennootschap, valt de jaarlijkse oprenting van dit onzakelijke deel van de verplichting in beginsel onder de werking van artikel 10a Wet Vpb 1969. De in eigen beheer gehouden pensioenverplichting vormt voor het onzakelijke deel daarvan een bijzondere vorm van een schuld die verband houdt met een winstuitdeling in de zin van dit artikel.
Artikel A
Waarde in het economische verkeer
Onderdeel van Vennootschapsbelasting, inkomstenbelasting, waarderingsaspecten van pensioenen en lijfrenten· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 2 april 2019