De Belastingdienst voert vooroverleg ter verkrijging van zekerheid vooraf in de vorm van een ruling met een internationaal karakter. Hierbij spelen de volgende partijen een rol:1Voor specifieke regels met betrekking tot bi- en multilaterale APA’s wordt verwezen naar paragraaf 8.2.
de inspecteur (degene onder wie de belastingplichtige ressorteert);
het Behandelteam IFZ (het team waarvan de medewerkers zijn aangewezen als eerste behandelaar in de in paragraaf 2.4 van dit besluit genoemde gevallen);
het College IFZ (het college van tweedehandtekeningzetters dat conform paragraaf 2.2 van dit besluit de verantwoordelijkheid draagt voor de coördinatie en de afgifte van rulings met een internationaal karakter);
het APBI; en
de relevante kennis- en coördinatiegroepen.
De inspecteur voert het vooroverleg en wordt in beginsel aangemerkt als eerste behandelaar van het vooroverleg ter verkrijging van zekerheid vooraf in de vorm van een ruling met een internationaal karakter. Een belanghebbende die een verzoek tot vooroverleg doet, richt dit verzoek daarom in eerste instantie aan zijn inspecteur.
De Belastingdienst heeft een Behandelteam IFZ. De inspecteur schakelt het Behandelteam IFZ in voor de onderwerpen die zijn opgenomen in paragraaf 2.4. Het Behandelteam IFZ is in die gevallen eerste behandelaar van het vooroverleg. Het Behandelteam IFZ voert het vooroverleg in samenspraak met de inspecteur.
Bij internationaal vooroverleg dat betrekking heeft op de Wet MB zal de inspecteur het expertiseteam Pijler 2 inschakelen bij de behandeling van het verzoek. De inspecteur is in die gevallen de eerste behandelaar en sluit daarbij het expertiseteam Pijler 2 aan.
In situaties dat sprake is van een potentiële buitenlandse investeerder als bedoeld in paragraaf 2.5 wordt een verzoek tot vooroverleg om zekerheid vooraf in de vorm van een ruling met een internationaal karakter gericht aan het APBI. Het APBI schakelt in die gevallen een eerste behandelaar in.
De eerste behandelaar en het College IFZ zoeken gedurende het traject van het vooroverleg om zekerheid vooraf in de vorm van een ruling met een internationaal karakter afstemming met de voor dat verzoek relevante kennis- en coördinatiegroepen via de daarvoor voorgeschreven procedures in het BFB of het instelbesluit van de desbetreffende coördinatiegroep.
De Belastingdienst heeft een College IFZ. Het College IFZ is verantwoordelijk voor de centrale coördinatie van het vooroverleg ter verkrijging van zekerheid vooraf in de vorm van rulings met een internationaal karakter teneinde:
de eenheid van beleid en uitvoering te waarborgen;
de kwaliteit te bewaken van de desbetreffende vaststellingsovereenkomsten (juiste toepassing van wet- en regelgeving, jurisprudentie en beleid); en
het op de juiste wijze naleven van procedurevoorschriften te waarborgen.
Voordat een ruling met een internationaal karakter wordt afgegeven, wordt deze ruling door de eerste behandelaar ter goedkeuring voorgelegd aan het College IFZ.
Als binnen de reikwijdte van dit besluit zekerheid vooraf wordt gegeven over de toepassing van de Wet VPB, de Wet DB, de Wet BB, de Wet MB of een Belastingverdrag, wordt deze zekerheid vooraf in alle gevallen vastgelegd in een vaststellingsoverkomst als bedoeld in paragraaf 7. Deze vaststellingsovereenkomst wordt door de Belastingdienst voorzien van ten minste twee handtekeningen: een handtekening van de eerste behandelaar en een handtekening van het College IFZ. Als het Behandelteam IFZ de eerste behandelaar is, tekent ook de inspecteur waaronder de belastingplichtige ressorteert de vaststellingsovereenkomst. De vaststellingsovereenkomst komt tot stand op het moment dat deze is voorzien van alle voorgeschreven handtekeningen, van zowel de zijde van de Belastingdienst als de zijde van de belanghebbende(n).
Het Behandelteam IFZ is eerste behandelaar voor de volgende onderwerpen:
de toepassing van de deelnemingsvrijstelling op voordelen uit niet in Nederland gevestigde deelnemingen1Dit is met inbegrip van artikel 23c Wet VPB.;
de kwalificatie van hybride financieringsvormen of hybride rechtsvormen in internationale structuren2Het gaat hierbij om de kwalificatie van rechtsvormen, samenwerkingsverbanden en financieringsvormen.3Het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter geldt ook in relatie tot de toepassing van het besluit van 11 december 2009, CPP2009/519M (Besluit kwalificatie buitenlandse samenwerkingsverbanden).;
de toepassing van de artikelen 13ab en 23e Wet VPB;
de vraag of er al dan niet sprake is van een vaste inrichting in Nederland of op de BES-eilanden van een daarbuiten gevestigd lichaam als bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel a, Wet VPB;
de vraag of al dan niet sprake is van een vaste inrichting in een ander rechtsgebied van een voor de toepassing Wet VPB of Wet DB in Nederland gevestigd lichaam4Dit is met inbegrip van de toepassing van afdeling 2.10A Wet VPB (objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten) en artikel 23d Wet VPB.;
de toepassing van artikel 17, derde lid, onderdeel b, Wet VPB (aanmerkelijk belangregeling);
de vraag of er al dan niet sprake is van een vaste inrichting op de BES-eilanden van een op Aruba, Curaçao of Sint Maarten gevestigd lichaam als bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel c, Wet VPB;
de vraag of er sprake is van een Nederlandse onderneming als bedoeld in artikel 17a Wet VPB;
de toepassing van artikel 1, zevende en achtste lid, Wet DB;
de toepassing van artikel 4, tweede, derde, vierde, negende, tiende en twaalfde lid, Wet DB;
de toepassing van een in een Belastingverdrag opgenomen antimisbruikbepaling die de verdragsvoordelen met betrekking tot dividenden, rente en royalty’s aan de uiteindelijk gerechtigde van dit dividend, deze rente of royalty onthoudt als deze uiteindelijke gerechtigde het belang houdt met het hoofddoel of een van de hoofddoelen om de voordelen van het desbetreffende Belastingverdrag deelachtig te worden. Het betreft zowel antimisbruikbepalingen die worden aangeduid als een zogenoemde ‘principal purpose test” als die worden aangeduid als een zogenoemde ‘main purpose test”;
de toepassing van de Wet BB;
de toepassing van de artikelen 12aa tot en met 12af Wet VPB;
de allocatie van activa (waaronder aandelen), vermogen of risico’s aan een vaste inrichting;
het sluiten van een APA5De behandeling van een APA-verzoek is mede gebaseerd op de paragrafen 4.134 tot en met 4.176 van de OESO-richtlijnen.. Een APA geeft zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke beloning (een arm's-lengthbeloning) of een methode voor de vaststelling van een dergelijke beloning voor grensoverschrijdende transacties tussen gelieerde lichamen en winstallocatie aan vaste inrichtingen van lichamen;
de vraag of lichamen gelieerd zijn in de zin van artikel 8b, eerste of tweede lid, Wet VPB;
de vraag of sprake is van een concerndienst voor groepsmaatschappijen dan wel van een activiteit die als aandeelhouder wordt verricht als bedoeld in paragraaf 6 van het Verrekenprijsbesluit6Besluit van 22 april 2018, nr. 2018-6865.;
de toepassing van de artikelen 8ba tot en met 8bd en artikel 35 Wet VPB;
de vraag of al dan niet sprake is van een omgekeerd hybride lichaam als bedoeld in artikel 2, twaalfde lid, Wet VPB; en
de toepassing van artikel 9, eerste lid, onderdeel f, Wet VPB.
De Belastingdienst heeft een APBI voor potentiële buitenlandse investeerders die overwegen in Nederland te investeren. Het APBI is – binnen het kader van wet- en regelgeving, jurisprudentie en beleid – bevoegd tot het maken van afspraken vooraf over de fiscale aspecten van voorgenomen investeringen door een potentiële buitenlandse investeerder. Het APBI schakelt een eerste behandelaar in. Het APBI maakt deel uit van het College IFZ.
De door het APBI gemaakte afspraken kunnen betrekking hebben op de vennootschapsbelasting, de dividendbelasting, de bronbelasting, de minimumbelasting, de inkomstenbelasting, de loonbelasting en de omzetbelasting. Voor de invoerrechten en accijnzen fungeert het aanspreekpunt als contactpersoon. Ter waarborging van de eenheid van beleid en uitvoering zal over de beoordeling van deze aspecten afstemming plaatsvinden binnen het College IFZ en daar waar nodig met de relevante kennis- en coördinatiegroepen. De afspraken tussen het APBI en de buitenlandse investeerder worden vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst.
Als een potentiële buitenlandse investeerder wordt aangemerkt de investeerder die overweegt een eerste substantiële (fysieke) investering in Nederland te doen die werkgelegenheid oplevert in Nederland en die ook aan de volgende kenmerken voldoet:
de centrale leiding van de investeerder dan wel van het concern waarvan de investeerder deel uitmaakt bevindt zich buiten Nederland; en
de investeerder heeft nog geen activiteiten in Nederland ontplooid die meer omvatten dan hulp- en ondersteunende werkzaamheden.
De hierboven genoemde eerste substantiële investering in Nederland kan zich overigens over meer dan één jaar uitstrekken. Het APBI kan bij het hanteren van deze investeringseis rekening houden met de omvang van de investering in alle relevante opzichten en – meer in het algemeen – met het belang voor de Nederlandse economie.
Daarnaast is het APBI op verzoek van de inspecteurs waaronder de belastingplichtige ressorteert en in het verlengde van de voorgaande taken, beschikbaar voor ondersteuning bij relatief omvangrijke vervolginvesteringen en potentiële desinvesteringen door bestaande belastingplichtigen.
Artikel 2
Procedure rulings met een internationaal karakter
Onderdeel van Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 1 juli 2019