Naar hoofdinhoud

Paragraaf 3

Artikel 3.3

Instapeisen

Onderdeel van Deelregeling meerjarige productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024· Cultureel recht

Deze tekst geldt sinds 22 november 2019

1. Een aanvrager dient te kunnen aantonen dat hij dan wel de maker(s) waarop de aanvraag betrekking heeft c.q. hebben in de jaren 2017–2019 artistiek verantwoordelijk is of zijn geweest voor de totstandkoming van meerdere producties die meermaals zijn uitgevoerd op verschillende podia of festivals die door het Fonds Podiumkunsten worden gesubsidieerd of daarmee gelijk te stellen zijn. 2. Een aanvrager dient in elk geval te kunnen aantonen dat hij voor het moment van het indienen van de aanvraag een minimaal aantal producties en uitvoeringen heeft gerealiseerd in de periode 2017–2019. Per categorie geldt het volgende minimum: categorie I: 3 producties en 40 uitvoeringen; categorie II: 4 producties en 75 uitvoeringen; categorie III: 5 producties en 120 uitvoeringen. 3. Een aanvrager voor de categorie II of III dient te voldoen aan de volgende eisen: De aanvrager dient te kunnen aantonen dat de artistieke en zakelijke leiding niet bij dezelfde persoon belegd zijn en dat dit in de komende periode ook niet het geval zal zijn; De aanvrager dient aan te tonen dat: het bestuur dan wel de raad van toezicht bestaat uit minimaal drie personen die onafhankelijk toezicht houden op de activiteiten; er een directiereglement dan wel reglementen voor bestuur en raad van toezicht is, waarin afspraken zijn gemaakt over de taak-, verantwoordelijksheids- en bevoegdheidsverdeling; de aanvrager heeft een procedure vastgelegd in het geval er sprake is van (mogelijke) belangenverstrengeling bij een van de leden van de directie, het bestuur of de raad van toezicht. 4. Een aanvrager voor de categorie III dient in aanvulling op de eisen in de voorgaande leden ook aan te tonen dat de solvabiliteit en liquiditeit in 2019 minimaal hoger zijn dan de volgende waarden: Solvabiliteit: 0,50; Liquiditeit: 1,00. Als een aanvrager hier niet aan voldoet, kan het bestuur voorwaarden verbinden aan het besluit om de aanvraag te honoreren. Het besluit om voorwaarden te stellen is afhankelijk van de mate waarin de aanvraag niet voldoet aan de voornoemde waarden. 5. Het bestuur kan besluiten om een aanvraag in behandeling te nemen die niet voldoet aan de vereisten uit de leden een tot en met drie als de aanvrager slechts in zeer beperkte mate niet voldoet aan de vereisten.

Rechtspraak bij dit artikel