In de circulaire van 30 januari 2019 staan enkele zinsneden die in tegenspraak met elkaar zijn. Enerzijds wordt in §3 beschreven waarom de vaste onkostenvergoedingen van ambtsdragers onder de vrije ruimte van de Werkkostenregeling zijn gebracht. Anderzijds wordt in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.3.8 “Eindheffingsbestanddelen” opgemerkt dat de vaste onkostenvergoedingen een gerichte vrijstelling zijn.
Deze formulering is per abuis iets te ruim gesteld. De algemene ambtstoelage is namelijk een vergoeding die niet onder een specifieke gerichte vrijstelling kan worden gebracht. Dat volgt eigenlijk al uit §3 van de circulaire, waar vermeld staat “mits de desbetreffende vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen binnen de normen blijven die voor deze gerichte vrijstellingen gelden”.
Voor alle duidelijkheid is de situatie als volgt:
De ambtstoelagen zijn in het rechtspositiebesluit aangewezen als eindheffingsbestanddeel om ze buiten het individuele loon van de werknemer te plaatsen. Nu dat in formele regelgeving is voorgeschreven aan waterschappen, is de uitbetaling aan de politieke ambtsdrager netto (zoals vermeld bij de toelichting bij artikel 4.2.6). Vervolgens moet worden bezien wat het waterschap als inhoudingsplichtige te doen staat. Als voor een specifieke vergoeding NIET een gerichte vrijstelling van toepassing is (zoals voor de ambtstoelage), maakt de als eindheffingsbestanddeel aangewezen vergoeding onderdeel uit van de vrije ruimte en zal bij overschrijding van de vrije ruimte het waterschap zelf een heffing van 80% over de overschrijding verschuldigd zijn. Als WEL een gerichte vrijstelling van toepassing is (zoals bij verhuizing) is de vergoeding om die reden vrij van heffing voor het waterschap (de vergoeding hoeft dan niet de vrije ruimte in en kan dus ook niet leiden tot een overschrijding).
De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum
van uitgifte.
De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum
van uitgifte.
BZK is benaderd met het verzoek (een deel van) de vaste kostenvergoeding aan te wijzen als gerichte vrijstelling, waardoor dat (deel) niet ten laste van de vrije ruimte gebracht hoeft te worden. Alles overziend, is niet voldaan aan dit verzoek.
De letterlijke tekst van het rechtspositiebesluit biedt wellicht de mogelijkheid en fiscaal is er misschien op lokaal niveau ruimte. Echter, er moet dan voor het kunnen gebruikmaken van een gerichte vrijstelling per kostensoort onderzoek worden gedaan naar de werkelijk gemaakte kosten. Reeds eerder is door de Belastingdienst geconcludeerd dat voorzitters, leden van het dagelijks bestuur en leden van het algemeen bestuur geen homogene groepen vormen. Dit betekent in beginsel dat door de werkgever voor iedere ambtsdrager die voor een (gedeeltelijk) onbelaste vaste kostenvergoeding in aanmerking wil komen, onderzoek moet worden gedaan naar zijn of haar eigen kosten.
BZK is van mening dat dergelijke onderzoeken, die bovendien alleen op lokaal zouden kunnen worden gehouden, niet wenselijk zijn. De ambtstoelage in de vorm van de vaste vergoeding beoogt ook dat de ambtsdragers niet nader hun kosten op individueel niveau hoeven te onderbouwen.
BZK is bovendien van oordeel dat het deel van de vaste kostenvergoeding dat gericht zou kunnen worden vrijgesteld, of als intermediaire kosten zou kunnen worden aangemerkt, zeer beperkt is. In het rechtspositiebesluit lijkt de grens van het specifiek benoemen van vergoedingsmogelijkheden, na die voor ICT-kosten, de contributie van beroepsgroepen en de niet-partijpolitieke scholing, intussen bereikt. Kosten voor representatie, vakliteratuur, bureaukosten, porti, zakelijke giften en ontvangsten, zijn zodanig persoonsgebonden en individueel bepaald dat hier bewust een vaste forfaitaire kostenvergoeding voor is neergelegd. Juist voor deze kosten op het grensvlak van zakelijk en privé zijn geen vaste bedragen vast te stellen, die bovendien ook nog als fiscaal zakelijk aan te merken zouden zijn.
Natuurlijk is het bevredigend voor het waterschap als er geen belasting hoeft te worden betaald, maar als de grens van de vrije ruimte wordt overschreden, is er sprake van reguliere belastingheffing. En wanneer het komt tot die belastingheffing, leidt die tot lagere kosten voor de werkgever dan bij het alternatief, bruteren. In §3 van de circulaire van 30 januari 2019 is hierop uitgebreid ingegaan. Kortheidshalve wordt op deze plaats hiernaar verwezen.
De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum
van uitgifte.
De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum
van uitgifte.
De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum
van uitgifte.
Artikel 16
Fiscale aspecten onkostenvergoedingen
Onderdeel van Circulaire Specifieke aandachtspunten Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers voor waterschappen· Staats- en bestuursrecht
Deze tekst geldt sinds 20 december 2019