Onder het oude regime was er geen grondslag in het rechtspositiebesluit voor enige vergoeding van parkeerkosten. Met ingang van het nieuwe rechtspositiebesluit worden sommige parkeerkosten wel vergoed. Er wordt in dit verband onderscheid gemaakt tussen parkeerkosten bij dienstreizen en parkeerkosten bij woon-werkverkeer of privéritten. Ook is van belang om wat voor soort auto het gaat; een eigen auto of een ter beschikking gestelde auto.
Bij gebruik van de eigen auto komen parkeerkosten wel voor vergoeding in aanmerking als er sprake is van dienstreizen, maar niet bij woon-werkverkeer of privéritten.
In beginsel zijn afzonderlijke vergoedingen voor parkeergelden belast, omdat daarnaast ook €0,19 per kilometer wordt vergoed. Deze parkeervergoedingen worden bij de werkgever belast, omdat zij op grond van artikel 4.2.10, zesde lid, en artikel 4.3.8, onder d, van het besluit in de eindheffing worden betrokken.
Bij zakelijke ritten in geval van een ter beschikking gestelde auto worden parkeergelden door de fiscus echter aangemerkt als “intermediaire kosten”. Deze fiscale term wil zeggen dat het gaat om kosten die de werknemer maakt ten behoeve van de werkgever of kosten die samenhangen met het zakelijk gebruik ten behoeve van de werkgever. Vanwege dit zakelijke karakter komen deze parkeergelden niet ten laste van de ambtsdrager, maar van het waterschap.
De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum
van uitgifte.
De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum
van uitgifte.
In de Waterschapswet wordt onderscheid gemaakt tussen financiële en niet-financiële voorzieningen. Niet alleen dit (overigens al jarenlang bestaande) onderscheid, maar ook de fiscale regelgeving hebben hun weerslag op de behandeling van de parkeervoorzieningen. Het antwoord op de vraag of een parkeervoorziening nu wel of niet kan worden vergoed of ter beschikking worden gesteld, kan daarom afhankelijk van de situatie nogal verschillen. Om deze reden worden hieronder verschillende varianten toegelicht.
Specifieke parkeerplaatsen die voor voorzitter, leden van het dagelijks bestuur, leden van het algemeen bestuur en commissieleden zijn aangewezen bij het waterschapshuis, zijn parkeervoorzieningen.
Wanneer die parkeerplaatsen door het waterschap ter beschikking worden gesteld voor woon-werkverkeer of dienstreizen, is er in principe geen sprake van strijd met het vereiste van de Waterschapswet dat er een juridische grondslag moet zijn voor geldelijke voorzieningen voor politieke ambtsdragers. Zolang er geen sprake is van vergoedingen ten laste van het waterschap aan die ambtsdragers, is er geen sprake van een geldelijke vergoeding die in strijd is met de artikelen 32a, 44 en 48 van de Waterschapswet. Dan zijn die aan te merken als bedrijfsvoeringskosten van het waterschap: zij worden dan gezien als onderdeel van de werkplek.
Indien er echter sprake is van het ter beschikking stellen van een inrijkaart voor een parkeerplaats in een openbare parkeergarage of van een beleidslijn dat de ambtsdrager de bonnetjes van een dergelijke parkeerplaats vergoed krijgt waarvoor een niet-ambtsdrager wel moet betalen, dan is er sprake van een vergoeding voor de ambtsdrager. Als er dan sprake is van woon-werkverkeer (voor leden van het algemeen bestuur en commissieleden om vergaderingen bij te wonen), is die inrijkaart of die declaratie van dat bonnetje een vergoeding die uitdrukkelijk is uitgesloten. Voor dienstreizen kunnen deze wel worden vergoed.
Indien het waterschap dergelijke parkeerplaatsen voor woon-werkverkeer ter beschikking wil stellen aan leden van het algemeen bestuur en commissieleden, moet dat in een verordening worden opgenomen en behoeft die de goedkeuring van gedeputeerde staten. Dan is namelijk artikel 32a, derde lid, van de Waterschapswet van toepassing. Voor de voorzitter en de leden van het dagelijks bestuur hoeft dat niet omdat hun aanspraken voortvloeien uit het rechtspositiebesluit en niet uit een verordening.
Het bovenstaande sluit ook naadloos aan bij de fiscaliteit van het verstrekken of vergoeden van een parkeervoorziening bij de werkplek ingeval van woon-werkverkeer. In artikel 21.10.1 van Het Handboek Loonheffing staat bij “Uw werknemer reist met een eigen vervoermiddel”:
“Gebruiken uw werknemers een parkeerplaats of garage op uw bedrijfsterrein? Dan maken deze deel uit van de werkplek. Deze parkeervoorziening is onbelast (nihilwaardering).
Gebruiken uw werknemers een parkeerplaats in de omgeving van de werkplek? Dan maakt deze ook deel uit van de werkplek als u verantwoordelijk bent voor die parkeerplaats. Dat wil zeggen dat een werknemer u met succes aansprakelijk kan stellen als door uw nalatigheid bijvoorbeeld zijn auto beschadigd raakt. In dat geval mag u deze parkeergelegenheid onbelast ter beschikking stellen.
Kan de werknemer u niet met succes aansprakelijk stellen, dan is het ter beschikking stellen van de parkeergelegenheid belast. Dat zal het geval zijn bij het beschikbaar stellen van een parkeerplaats in een openbare betaalde parkeervoorziening.”
De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum
van uitgifte.
De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum
van uitgifte.
De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum
van uitgifte.
Artikel 8
Parkeerkosten en parkeerplaatsen
Onderdeel van Circulaire Specifieke aandachtspunten Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers voor waterschappen· Staats- en bestuursrecht
Deze tekst geldt sinds 20 december 2019