Ingevolge artikel 3.4 van het rechtspositiebesluit kunnen Gedeputeerde Staten een gemeente op grond van bijzondere omstandigheden voor een bepaald tijdvak in een hogere inwonersklasse plaatsen dan die waartoe zij op grond van haar inwoneraantal behoort. Gedeputeerde Staten stellen het einde van de periode vast; in de regel eindigt een periode van opclassificatie rond de verkiezingsdatum van de gemeenteraad. De benoemingsperiode van de burgemeester (zes jaar) loopt zelden gelijk met de raadsperiode (vier jaar).
Het is onwenselijk dat de bezoldiging van een burgemeester van een opgeclassificeerde gemeente tijdens zijn of haar benoemingstermijn terugvalt naar het reguliere niveau wanneer de opclassificatie wordt geëindigd. Met het oog op de rechtszekerheid moet aan de vóór de overgang naar de lagere klasse aangetreden burgemeester de garantie worden geboden dat hij of zij die functie tegen gelijkblijvende beloning kan blijven uitoefenen.
Dit is thans geregeld in een nieuw zesde lid van artikel 3.2.1. Dit nieuwe lid is dus alleen van toepassing op de burgemeester die in functie is op het moment dat Gedeputeerde Staten besluiten tot beëindiging van de opclassificatie. Voor wethouders is een dergelijke bepaling niet relevant, aangezien een periode van opclassificatie, zoals gezegd, in de regel eindigt rond de verkiezingsdatum van de gemeenteraad en dus rond het einde van de zittingsperiode van de wethouders.
De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum
van uitgifte.
De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum
van uitgifte.
Artikel 13
Bezoldiging zittende burgemeester na einde periode opclassificatie
Onderdeel van Circulaire Specifieke aandachtspunten Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers voor gemeenten· Staats- en bestuursrecht
Deze tekst geldt sinds 20 december 2019