Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Gevolgen van de non-discriminatiebepalingen voor de Wet IB 2001

Onderdeel van Internationaal belastingrecht, belastingverdragen; gevolgen van de non-discriminatiebepalingen (België, Suriname en Aruba) voor de Wet inkomstenbelasting 2001· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 21 december 2019

Hieronder is een overzicht gegeven van de gevolgen van de specifieke non-discriminatiebepalingen voor de Wet IB 2001 in situaties waarin een buitenlandse belastingplichtige niet als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige wordt aangemerkt. De gevolgen hebben betrekking op de toepassing van de heffingskortingen, de persoonsgebonden aftrekposten en de toerekening van inkomensbestanddelen. Voor het toepassen van de heffingskortingen en de persoonsgebonden aftrekposten worden dezelfde voorwaarden gesteld als voor binnenlandse belastingplichtigen. Als een heffingskorting afhankelijk is van het inkomen van de belastingplichtige of dat van de partner, wordt voor de bepaling hiervan uitgegaan van het volgens de regels voor binnenlandse belastingplichtigen berekende inkomen (wereldinkomen). Er bestaat op grond van de specifieke non-discriminatiebepalingen recht op het belastingdeel van de heffingskortingen voor zover deze kortingen worden aangemerkt als persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen uit hoofde van burgerlijke staat of samenstelling van het gezin. Het gaat hierbij om de algemene heffingskorting (artikel 8.10 Wet IB 2001), de verhoging van de maximum gecombineerde heffingskorting bij de minstverdienende partner (artikel 8.9 Wet IB 2001) en de bijzondere verhoging van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting voor niet-inwoners (artikel 8.9a Wet IB 2001). In de relatie tot België is de specifieke non-discriminatiebepaling alleen van toepassing op inwoners van België die inkomsten verkrijgen uit Nederland die ter heffing aan Nederland zijn toegewezen (zie onderdeel 3). Dit betekent dat de niet-verdienende partner geen recht heeft op de toepassing van artikel 8.9 en 8.9a Wet IB 2001. De specifieke non-discriminatiebepalingen geven geen recht op de aan arbeid gekoppelde heffingskortingen: de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Inwoners van België kunnen deze kortingen te gelde maken op basis van artikel 2.7, lid 1, Wet IB 2001. Voor inwoners van Suriname en Aruba bestaat deze mogelijkheid niet. Op grond van artikel 7.7, lid 1, Wet IB bestaat, net als bij een inwoner van Nederland, recht op het heffingvrije vermogen, als bedoeld in artikel 5.5 Wet IB 2001. De specifieke non-discriminatiebepalingen vervullen hierbij geen rol (meer). Op grond van de specifieke non-discriminatiebepalingen bestaat recht op het gezamenlijke bedrag van de volgende uitgaven: uitgaven voor onderhoudsverplichtingen: periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting, tenzij deze worden gedaan aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn (partneralimentatie); afkoopsommen van dergelijke uitkeringen en verstrekkingen die worden gedaan aan de gewezen echtgenoot; op grond van paragraaf 6.5 van de Participatiewet verhaalde kosten van bijstand tot voorziening in het levensonderhoud van de duurzaam van de belastingplichtige gescheiden levende echtgenoot of gewezen echtgenoot; bedragen die in het kader van echtscheiding of scheiding van tafel en bed worden voldaan ter zake van de verplichting tot verrekening van pensioenrechten en van lijfrenten en andere inkomensvoorzieningen waarvan de betaalde premies als uitgave voor een inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen; weekenduitgaven voor gehandicapten voor zover het uitgaven voor een eigen kind betreft. Daarnaast bestaat recht op het gedeelte van de persoonsgebonden aftrek van voorafgaande jaren dat niet eerder in aanmerking is genomen, voor zover dit ziet op de hiervoor genoemde uitgaven en voor zover dit op grond van artikel 6.2a Wet IB 2001 door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking is vastgesteld. De persoonsgebonden aftrek blijft buiten aanmerking voor zover deze bij de buitenlandse belastingplichtige, zijn partner of degene die als zijn partner zou worden aangemerkt indien beide personen binnenlands belastingplichtig zouden zijn, bij de belastingheffing in de woonstaat in aanmerking kunnen worden genomen. Volgens artikel 2.17, tweede lid, Wet IB 2001 worden gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen van de belastingplichtige en zijn partner geacht bij hen op te komen respectievelijk tot hun bezit te behoren in de onderlinge verhouding die zij daarvoor kiezen. Op grond van de specifieke non-discriminatiebepalingen komen niet-inwoners die als partner in de zin van artikel 1.2 Wet IB 2001 zouden worden aangemerkt als zij inwoners van Nederland zouden zijn geweest, voor deze vrije toerekening in aanmerking. Voor deze vrije toerekening blijven de persoonsgebonden aftrekposten die overeenkomstig het voorgaande worden verleend, buiten aanmerking voor zover deze bij de partner, zoals hiervoor bedoeld, bij de belastingheffing in de woonstaat in aanmerking kunnen worden genomen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel