Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 4:3

Beëindiging tenuitvoerlegging niet-gratieerbare geldboetes

Onderdeel van Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen· Procesrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2020

De Minister betrekt bij het vormen van een oordeel als bedoeld in artikel 6:1:11 van de wet met betrekking tot de bevoegdheid om de tenuitvoerlegging van geldboeten te beëindigen, in ieder geval: de aard en de ernst van het strafbare feit dat ten grondslag ligt aan de geldboete; de effecten op lopende zorgtrajecten of re-integratietrajecten, alsmede de invloed op het slagen van deze trajecten, indien de tenuitvoerlegging niet wordt beëindigd; het uitblijven van het plegen van enig strafbaar feit of het overtreden van enige voorwaarde gedurende de tenuitvoerlegging van gedragsbeïnvloedende maatregelen; de mate waarin de veroordeelde opgelegde voorwaarden heeft nageleefd. Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen in werking treedt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel