De Minister betrekt bij het vormen van een oordeel als bedoeld in artikel 6:1:11 van de wet met betrekking tot de bevoegdheid om de tenuitvoerlegging van geldboeten te beëindigen, in ieder geval:
de aard en de ernst van het strafbare feit dat ten grondslag ligt aan de geldboete;
de effecten op lopende zorgtrajecten of re-integratietrajecten, alsmede de invloed op het slagen van deze trajecten, indien de tenuitvoerlegging niet wordt beëindigd;
het uitblijven van het plegen van enig strafbaar feit of het overtreden van enige voorwaarde gedurende de tenuitvoerlegging van gedragsbeïnvloedende maatregelen;
de mate waarin de veroordeelde opgelegde voorwaarden heeft nageleefd.
Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit
tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen in werking treedt.
Hoofdstuk 4
Artikel 4:3
Beëindiging tenuitvoerlegging niet-gratieerbare geldboetes
Onderdeel van Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen· Procesrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2020