Artikel 7, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (WWM), stelt dat de in de WWM genoemde vergunningen (erkenningen, consenten, verloven en ontheffingen), onverminderd de bijzondere gronden tot weigering daarvan, worden geweigerd indien (onder meer) er reden is om te vrezen dat aan de aanvrager het onder zich hebben van wapens of munitie niet kan worden toevertrouwd of er reden is om te vrezen dat daarvan dan wel van wapens of munitie misbruik zal worden gemaakt.
Het tweede lid van artikel 7 stelt dat de in de WWM genoemde vergunningen, onverminderd de bijzondere gronden tot wijziging of intrekking daarvan, door het bestuursorgaan of de Minister van Justitie en Veiligheid kunnen worden gewijzigd of ingetrokken indien (onder meer) er aanwijzingen zijn dat aan de houder daarvan het onder zich hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd of in geval van misbruik daarvan dan wel van wapens of munitie.
Voor verloven tot het voorhanden hebben van wapens en munitie van categorie III bepaalt artikel 28, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWM, dat een verlof slechts wordt verleend indien de aanvrager geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kan vormen. Omdat het begrip ‘vrees voor misbruik’ reeds een ruime uitleg kent worden die gevallen waarin iemand anderszins een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kan vormen, niet in dit hoofdstuk nader uitgewerkt.
‘Vrees voor misbruik’ en ‘het niet langer kunnen toevertrouwen’ zijn twee verschillende omschrijvingen voor in feite dezelfde situatie. Hetgeen hierna wordt opgemerkt met betrekking tot de invulling van het ‘vrees voor misbruik-criterium’ kan daarom analoog worden toegepast indien het de intrekking of weigering van een vergunning betreft om reden dat het voorhanden hebben van wapens of munitie niet (langer) kan worden toevertrouwd.
Wapens en munitie vormen een potentieel ernstige bedreiging voor de veiligheid in de samenleving indien zij in handen komen van personen die onvoldoende betrouwbaar zijn om wapens en munitie voorhanden te hebben. Derhalve wordt er een restrictief beleid gevoerd waar het de toepassing van het criterium ‘geen vrees voor misbruik’ betreft.
Degene aan wie een vergunning wordt verleend voor het voorhanden hebben van wapens en/of munitie komt in een bijzondere positie te verkeren ten opzichte van zijn medeburgers, voor wie immers het algemene wettelijke verbod geldt om wapens of munitie voorhanden te hebben. Die positie brengt met zich mee dat van de vergunninghouder stipte naleving van de (wapen)wettelijke voorschriften moet kunnen worden verlangd en dat van hem tevens wordt verwacht dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een (ernstige) aantasting van de rechtsorde.
Het weigeren dan wel intrekken van een verlof is uitdrukkelijk geen strafrechtelijke sanctie, maar is een maatregel ter bescherming van de veiligheid in de samenleving. Tegen de achtergrond van het eerdergenoemde maatschappelijke belang, is daarom reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de te maken (of gemaakte) uitzondering – ook naar de vaste jurisprudentie van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State – voldoende reden om een verlof niet te verlenen respectievelijk in te trekken. Het spreekt voor zich dat die twijfel gebaseerd moet zijn op een objectief toetsbare motivering (zie hierna).
Voor de beoordeling van de vraag of in een bepaald geval vrees voor misbruik bestaat worden in dit onderdeel een aantal concrete criteria gegeven. De korpschef zal aan de hand van deze criteria in elk geval afzonderlijk moeten bezien of er sprake is van ‘vrees voor misbruik’.
Bij het onderzoek in verband met de vraag of er vrees voor misbruik bestaat kan gebruik worden gemaakt van informatie afkomstig uit de registers van de justitiële documentatie en van andere, politiële informatie, die afkomstig kan zijn uit verschillende bronnen.
Bij dergelijk onderzoek kan blijken van:
veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken;
andere omtrent de aanvrager bekende feiten.
De aanvrager of houder van een in de Wet wapens en munitie genoemde vergunning mag op het moment van de aanvraag en tijdens het houderschap niet:
met toepassing van artikel 37 respectievelijk artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht binnen de afgelopen acht jaren in een psychiatrisch ziekenhuis zijn geplaatst dan wel ter beschikking zijn gesteld;
binnen de laatste acht jaren zijn veroordeeld wegens:
het plegen van een misdrijf waarbij een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd;
het plegen van een misdrijf waarbij geweld of bedreiging met geweld heeft plaatsgevonden;
het plegen van een misdrijf of overtreding op grond van de Wet wapens en munitie;
het plegen van een misdrijf of overtreding op grond van de Opiumwet.
binnen de laatste vier jaren zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een geldboete of een taakstraf is opgelegd;
Ad b.
Wanneer de aanvrager gedurende de voor zijn aanvraag relevante terugkijktermijn enige tijd een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel heeft ondergaan wordt de van toepassing zijnde terugkijktermijn (telkens) vermeerderd met de feitelijke duur van de vrijheidsbeneming. Dit totdat de termijn bestaat uit in totaal vier dan wel acht jaren, waarin geen sprake is geweest van een vrijheidsbenemende straf of maatregel. De betrokkene heeft immers gedurende de duur van de vrijheidsbenemende straf of maatregel niet kunnen laten zien dat hij geen (relevante) strafbare feiten meer zal plegen.
Ad. c
Indien op een veroordeling zowel de criteria genoemd onder ‘b’ alsmede de criteria genoemd onder ‘c’ van toepassing zijn (bijvoorbeeld een geweldsmisdrijf waarbij aan de dader een geldboete is opgelegd), dan is de onder ‘b’ genoemde termijn van acht jaar het uitgangspunt voor de beoordeling van de vraag of het voorhanden hebben van wapens en munitie (nog langer) aan betrokkene kan worden toevertrouwd.
Vrijwillige betaling van een geldsom, als bedoeld in artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht (een transactie met het Openbaar Ministerie), of als bedoeld in artikel 257a, 257b en 257ba van het Wetboek van Strafvordering (een strafbeschikking, opgelegd door het Openbaar Ministerie of door een opsporingsambtenaar) wordt gelijk gesteld met een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.
Om te bepalen of een relevant justitieel gegeven binnen de terugkijktermijn valt wordt als uitgangspunt genomen de datum van rechterlijke uitspraak in eerste aanleg.
Een veroordeling in het buitenland, wegens overtreding van een aldaar geldende strafbepaling, wordt gelijk gesteld met een veroordeling in Nederland voor zover het feit ook in Nederland strafbaar is gesteld.
Er is ruimte om (gemotiveerd) van bovengenoemde leidraad af te wijken. De korpschef kan indien het gaat om een (toekomstig) vergunninghouder een kortere periode hanteren als de aard of de ernst van de verweten gedragingen, de kans op recidive, de recente persoonlijke ontwikkelingen van de betrokkene, de pleegdatum of eventuele disculperende omstandigheden dat toelaten. Zo hoeft bijvoorbeeld een lichte onregelmatigheid met betrekking tot de naleving van de aan een vergunning verbonden voorschriften en beperkingen, niet zonder meer te leiden tot intrekking of weigering van een vergunning maar kan dit, afhankelijk van de omstandigheden, worden afgedaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing.
Omgekeerd kan de korpschef ook een langere termijn aanhouden indien diezelfde factoren daartoe aanleiding geven, in het bijzonder als de aanvrager (vergunninghouder), op basis van zijn strafrechtelijk verleden, moet worden gekenschetst als een recidivist of een gewoontecrimineel.
Daar zal aanleiding toe zijn wanneer de veroordelingen buiten de termijn aansluiten op enkele of een reeks veroordelingen binnen de termijn. Een incidentele veroordeling buiten de termijn of meerdere van die veroordelingen, maar dan in een geïsoleerde periode die verder in het verleden ligt, worden niet in de beoordeling betrokken, tenzij het om een zeer ernstig feit gaat waaraan bij de vergunningaanvraag niet kan worden voorbij gegaan.
Bij gebleken illegaal wapenbezit, ongeoorloofd wapengebruik, ernstige geweldsdelicten, drugsdelicten of een lange reeks van strafbare feiten is er alle reden zware maatstaven aan te leggen ten aanzien van de periode waarover de aanvrager zal moeten aantonen zich aan de wettelijke normen te kunnen houden. Afwijking (naar beneden) van bovengenoemde leidraad zal in die gevallen zwaar moeten worden gemotiveerd.
Met betrekking tot rechterlijke uitspraken die niet tot een veroordeling hebben geleid, kan onderscheid worden gemaakt tussen zaken waarbij het tot een vrijspraak is gekomen wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs en zaken waarbij de rechtbank de verdachte heeft ontslagen van alle rechtsvervolging.
Eerstgenoemde situatie zal in het algemeen minder snel aanknopingspunten bieden om een verlof te weigeren of in te trekken dan laatstgenoemde situatie. Een vrijspraak wil echter niet zonder meer zeggen dat de verdachte het feit niet heeft gepleegd, maar dat de rechter niet voldoende bewezen acht dat de verdachte het feit gepleegd heeft. De korpschef kan in bepaalde gevallen ook na een vrijspraak nog altijd reden hebben om te vrezen dat misbruik zal worden gemaakt van het verlof dan wel van wapens of munitie. In het algemeen is het wel zo dat een vrijspraak extra zware eisen zal stellen aan de motivering van de beslissing tot weigering of intrekking van het verlof.
Bij ‘ontslag van rechtsvervolging’ heeft de rechtbank geoordeeld dat het feit bewezen is maar dat of het feit of de dader niet strafbaar is. Indien het feit niet strafbaar is dan kan het plegen van dit feit in principe ook niet leiden tot intrekking of weigering van een vergunning.
Ontslag van rechtsvervolging wegens het niet strafbaar zijn van de dader kan in sommige gevallen wel leiden tot intrekking of weigering van een vergunning. Indien bijvoorbeeld het ontslag van rechtsvervolging het gevolg is van de ontoerekeningsvatbaarheid van de dader dan kan in vrijwel alle gevallen tevens geconcludeerd worden dat het voorhanden hebben van wapens en munitie aan die persoon niet kan worden toevertrouwd. Ontslag van rechtsvervolging omdat er sprake is van noodweer(exces) zal daarentegen niet zonder meer leiden tot de conclusie dat het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer aan betrokkene kan worden toevertrouwd. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval zal moeten worden bekeken in hoeverre uit het gedrag van betrokkene geconcludeerd moet worden dat het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer kan worden toevertrouwd.
Vrees voor misbruik kan ook worden aangenomen op basis van andere, niet uit veroordelingen of transacties gebleken, omtrent betrokkene bekende feiten.
In zijn algemeenheid geldt dat tegen een aanvrager (houder) bestaande bezwaren, voor zover daarvan niet reeds blijkt uit veroordelingen of opgemaakte processen-verbaal, alsnog in een rapport dienen te worden vastgelegd.
Te denken valt aan door het openbaar ministerie geseponeerde zaken. Indien er sprake is van sepot wegens procedurele fouten in de opsporingsfase, of omdat de zaak te lang is blijven liggen, wegens gering feit of wegens geringe strafwaardigheid van het feit, kan er een duidelijker grond voor weigering of intrekking van een verlof zijn dan bij een sepot wegens gebrek aan bewijs. Een sepot omdat betrokkene ten onrechte als verdachte is aangemerkt zal uiteraard geen rol bij de beoordeling kunnen spelen.
De vrees voor misbruik kan eveneens worden gebaseerd op een door de politie opgemaakt proces- verbaal dat (nog) niet tot een veroordeling heeft geleid of in het geval dat de persoon in kwestie in hechtenis heeft gezeten, zonder dat daar een onherroepelijke rechterlijke uitspraak aan ten grondslag ligt. Een geval waarin een proces-verbaal (nog) niet tot een veroordeling heeft geleid, doet zich voor wanneer de zaak zo recent is dat van een beslissing door de rechter of de officier van justitie nog geen sprake is (kan zijn) geweest.
Niet de veroordeling van de aanvrager of de vergunninghouder is immers de reden de vergunning te weigeren of in te trekken, maar de vrees voor misbruik. Die vrees kan er uiteraard ook al zonder veroordeling zijn. Uit het feit dat – in afwachting van een eventuele veroordeling – door de korpschef positief op de aanvraag wordt beslist, zou de betrokkene kunnen (en wellicht ook mogen) afleiden dat de korpschef de zaak niet zo ernstig neemt. Deze omstandigheid zal in bestuursrechtelijk opzicht op een later moment een hindernis kunnen vormen bij een beslissing tot intrekking, namelijk op het moment dat de veroordeling (alsnog) een feit is geworden. De bevoegdheid van de korpschef om vergunningen te weigeren en in te trekken is dan ook een eigen bestuursrechtelijke verantwoordelijkheid, die los staat van het strafrechtelijke traject.
In beginsel is het niet verantwoord om aan iemand die – door oorzaken van zowel interne, als externe aard – onder sterke psychische druk staat, wat tot uitdrukking komt in een onvoorspelbaar gedragspatroon of (bijvoorbeeld) alcohol- en drugsmisbruik en waarbij de indruk bestaat dat de vergunninghouder zichzelf niet in de hand heeft, het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie toe te vertrouwen. In het bezit van een vuurwapen zou de vergunninghouder een gevaar zijn voor zichzelf en voor de openbare orde en veiligheid. Indien de aanvrager of vergunninghouder – in tegenstelling tot de korpschef – van mening is dat het voorhanden hebben van wapens en munitie wel aan hem kan worden toevertrouwd dan dient hij dit aan te tonen middels een schriftelijke verklaring van een arts/psychiater. Uit deze verklaring moet duidelijk blijken dat de arts/psychiater bekend is met de problemen van betrokkene en dat deze niet (langer) een belemmering vormen om aan betrokkene een vergunning te verlenen voor het voorhanden hebben van (vuur)wapens. Een dergelijke verklaring wordt dan in de beoordeling betrokken, maar daaraan hoeft niet altijd doorslaggevende betekenis te worden toegekend. Dat is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Zo mag van iemand die recent nog onder behandeling was in verband met zijn psychische gesteldheid, worden verwacht dat hij over een langere periode aantoont dat zijn psychische gesteldheid niet meer aan het bezit van wapens en munitie in de weg staat.
Risicofactoren betreffende de psychische gesteldheid van aanvragers of houders van een wapenverlof met het oog op potentieel misbruik van een (legaal) vuurwapen zijn:
Klinische factoren (psychische stoornis, verslaving, gedwongen opname, forensische zorg en suïcidale gedachten);
Stressvolle omstandigheden (problemen in relationele sfeer, problemen in de arbeidssfeer of opleiding, gebrekkig sociaal steunsysteem en stressvolle levensomstandigheden);
Specifieke kenmerken van de aanvrager (agressie, crimineel gedrag, impulsiviteit en zelfregulatie, zelfstandige handelingsbekwaamheid, fascinatie voor geweld, extreme uitingen en/of uitingen van radicalisering).
Deze risicofactoren worden in het aanvraagproces in ieder geval meegewogen. Daarbij gaat het niet zozeer om de klinische kant van de psychische aandoening, maar veel meer om het risico dat de aandoening inhoudt voor risicovol gedrag.
In geval van aanwijzingen – bijvoorbeeld verkregen uit informatie van de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) – dat de aanvrager (vergunninghouder) verkeert in kringen waarbinnen geweld met gebruikmaking van (vuur)wapens niet wordt geschuwd, dan wel indicaties die wijzen in de richting van betrokkenheid van aanvrager (vergunninghouder) bij enige vorm van drugshandel of zware (georganiseerde) criminaliteit dan wel het verkeren door hem in (zware) criminele kringen, is het eveneens onverantwoord om de betrokkene in het bezit te stellen c.q. te laten van een vuurwapen. Er zijn hierdoor immers (op zijn minst geringe) twijfels gerezen over de aanvaardbaarheid van de uitzonderingspositie waarin de aanvrager (vergunninghouder) komt te verkeren (verkeert) ten opzichte van zijn medeburgers. Daarbij moet wel worden bedacht dat betrokkene zoveel mogelijk de gelegenheid moet krijgen zich te verweren tegen de tegen hem bestaande bedenkingen.
Wanneer de (CIE-)informatie niet mag worden prijsgegeven zijn de desbetreffende feiten dus niet bruikbaar in een bestuursrechtelijke procedure. Vastlegging in een rapport of proces-verbaal is dus noodzakelijk maar ter bescherming van de identiteit van de informant kan worden volstaan met het beknopt vermelden van de (strafbare) feiten waarmee de aanvrager in verband wordt gebracht en wat de betrouwbaarheid is van deze informatie. In het kader van een eventuele beroepsprocedure kan de rechtbank zo nodig vertrouwelijk kennis nemen van de onderliggende informatie om zich zodoende een oordeel te kunnen vormen over de juistheid van het bestreden besluit17Zie artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht.
De vergunning kan ook worden geweigerd wanneer de vrees voor misbruik zich niet concentreert op de aanvrager (de houder) van de vergunning zelf, maar op bijvoorbeeld de kennelijke onbetrouwbaarheid van een huisgenoot, waarvan niet uitgesloten is dat hij het wapen zou kunnen bemachtigen. In dergelijke gevallen hoeft de vergunning niet altijd geweigerd te worden, maar kan de oplossing ook worden gezocht in aanvullende beperkingen en voorschriften op het verlof. Bijvoorbeeld door het opnemen van een voorschrift dat het wapen uitsluitend in de kluis van de schietvereniging of bij een erkenninghouder mag worden opgeslagen. Daarbij zullen echter specifieke eisen moeten worden gesteld aan de motivering van de korpschef, omdat de vrees voor misbruik niet de persoon van de aanvrager (de houder) van het verlof zelf betreft, maar een huisgenoot. Afhankelijk van onder meer de ernst van die feiten en de datum waarop zij zijn gepleegd kan een door de huisgenoot van de aanvrager (de houder) van een vergunning begaan strafbaar feit of anderszins verwijtbaar gedrag vrees voor misbruik van de vergunning, dan wel van wapens of munitie opleveren.
Indien er grond is om aan te nemen dat van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben misbruik zal worden gemaakt dan wel dat de aanvrager hierdoor een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid kan gaan vormen, dan dient een gevraagde jachtakte te worden geweigerd (zie artikel 3.28, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet natuurbescherming). De jachtakte wordt ingetrokken indien de houder misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie dan wel van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben, of indien er anderszins aanwijzingen zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer kan worden toevertrouwd (zie artikel 5.4, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet natuurbescherming). De termen ‘vrees voor misbruik’ en ‘het niet langer kunnen toevertrouwen’ in de WWM en de hierboven weergegeven termen in de Wet natuurbescherming vallen inhoudelijk samen.
Hetgeen hierboven omtrent ‘vrees voor misbruik’ en ‘het niet langer kunnen toevertrouwen’ is aangegeven, geldt derhalve ook bij de toepassing van de Wet natuurbescherming.
Dit hoofdstuk bevat bijzondere regels voor sportschutters en traditionele schutters, zoals leden van Gilden en de Schutterijen, schietverenigingen, schietcentra en in B 2.9 de airsoftsport. Deze regels hebben onder meer betrekking op het gebruik van verenigingswapens (zie B 2.2), het exploiteren van een schietcentrum (zie B 2.3) en het bezit en gebruik van privé-wapens (zie B 2.4). In onderdeel B 2.5 is een toelichting opgenomen over onderdelen, hulpstukken en munitie. Voor de verschillende takken van schietsport alsmede voor verboden/ongewenste wapens bevatten de onderdelen B 2.6 respectievelijk B 2.7 nadere regels. In onderdeel 2.8 is tenslotte een drietal overgangsregelingen opgenomen met betrekking tot voor de schietsport ongewenste wapens, met betrekking tot de certificering van verenigingen en met betrekking tot herintredende verlofhouders.
Onderdeel B 2.9 heeft louter betrekking op airsoft apparaten, zoals gedefinieerd in artikel 1, onder h, van de RWM.
In dit hoofdstuk wordt onder meer uiteengezet binnen welke kaders een schietvereniging of een individu een verlof kan krijgen ten einde de schietsport te kunnen beoefenen. In artikel 28, tweede lid, van de WWM is bepaald dat een verlof wordt verleend indien:
een redelijk belang de verlening van het verlof vordert;
de aanvrager geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kan vormen;
de aanvrager tenminste de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt, behoudens de afwijking voor leden van een schietvereniging.
In artikel 7 WWM staan de algemene gronden genoemd die leiden tot afwijzing van de verlofaanvraag. Dit is het geval wanneer:
de aanvrager niet de door Onze Minister bij regeling vastgestelde gegevens en bescheiden heeft overgelegd;
er reden is om te vrezen dat aan de aanvrager het onder zich hebben van wapens of munitie niet kan worden toevertrouwd;
er reden is om te vrezen dat daarvan dan wel van wapens of munitie misbruik zal worden gemaakt;
of
wanneer daartoe dringende, aan het algemeen belang ontleende, redenen bestaan.
In artikel 26, vierde lid van de WWM is opgenomen dat Onze Minister ten aanzien van de personen die houder zijn van een verlof als bedoeld in 28, tweede lid, van de WWM regels kan vaststellen met betrekking tot:
de medische geschiktheid en vaardigheid in het omgaan met wapens;
de vereiste kennis op het terrein van wapens; en
het aantal wapens dat zij ten hoogste voorhanden mogen hebben.
Deze regels zijn, zover voor de schietsport van belang, in artikel 43 en 43 a van de RWM uitgewerkt. Wanneer een schietvereniging of een individueel persoon een verlofaanvraag doet in het kader van het beoefenen van de schietsport, is bovenstaande wettelijke kader van belang. Binnen dit kader wordt afgewogen of iemand in aanmerking komt voor een verlof. Hieronder wordt uiteengezet hoe aan dit kader in de praktijk invulling dient te worden gegeven.
Gelet op de grote gevaarzetting van vuurwapens is er een noodzaak het voorhanden daarvan streng te reguleren. Daarom kan er alleen sprake zijn van het legaal beoefenen van de schietsport, wanneer iemand dit in Nederland op een veilige en gecontroleerde wijze doet. Hiervoor moet sprake zijn van een zogenoemd redelijk belang om wapens en munitie voorhanden te hebben. Dit is verder uitgewerkt onder het kopje redelijk belang en onder het kopje erkende en gereglementeerde takken van schietsport.
Daarnaast mag er tegen de aanvrager van een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie geen vrees voor misbruik bestaan. Dit is uitgewerkt in paragraaf B/1.2. In het geval de aanvrager een schietvereniging is mag er behalve jegens de vereniging, ook jegens de bestuurders van die vereniging en jegens de beheerders geen vrees voor misbruik bestaan. Van een wapenverlofhouder en een schietvereniging wordt verwacht dat hij op de hoogte is van de geldende (wapen)wettelijke regels en deze stipt volgt.
De wapens waarmee en de schietbaan of schietterrein waarop geschoten wordt, moeten geschikt zijn om op een veilige wijze de schietsport te beoefenen. Ook het systeem van de opbouw in wapentypes (zie onder 2.2.2, 2.2.3, 2.2.5 en 2.4.6) is een uitwerking van het wettelijk criterium dat de aanvrager geen gevaar voor zichzelf, openbare orde en veiligheid mag vormen: voorkomen moet worden dat de relatief ongeoefende schutter de beschikking krijgt over ‘zwaardere’ vuurwapens.
Bepaalde wapens zijn voor iedere discipline te gevaarlijk om te schieten. Dit is nader uitgewerkt in paragraaf B2.7.
De wapens moeten zowel door een schutter met een privé verlof als een schietvereniging op een veilige wijze worden opgeborgen. Dit is nader uitgewerkt in hoofdstuk B 8.
Het belang van de openbare orde en veiligheid van artikel 28, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wwm vereist een adequaat overheidstoezicht op de wijze waarop verlofhouders met wapens omgaan. Het lidmaatschap van een vereniging is een passend en proportioneel middel om concreet gestalte te geven aan dit toezicht. Aan schietsportverenigingen worden derhalve eisen gesteld om te waarborgen dat er toezicht wordt gehouden op de wijze waarop individuele leden met hun wapens omgaan. Een schietsport vereniging respectievelijk een vereniging waar traditioneel schieten wordt beoefend moet om die reden door de KNSA respectievelijk de KNTS zijn gecertificeerd. Deze certificering draagt er toe bij dat het schieten op een veilige en gecontroleerde wijze wordt beoefend en een sportschutter c.q. traditioneel schutter geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde en veiligheid kan vormen. De certificering wordt hierna nog nader toegelicht. Schieten buiten een door de KNSA of KNTS gecertificeerde schietvereniging is in het kader van de openbare orde en veiligheid ongewenst. Er zijn drie mogelijkheden voor een vereniging om gecertificeerd te worden. In de eerste plaats kan een vereniging lid zijn van de KNSA. In dat geval bestaat de mogelijkheid om binnen het KNSA-verband een vorm van de daar geldende certificering te verkrijgen. Binnen de KNSA zijn 2 certificaten mogelijk: de zogenoemde basiscertificering die voldoet aan de certificering die is voorgeschreven door de Minister, en de certificering met één kroon voor verenigingen die voldoen aan aanvullende kwaliteitseisen die door de KNSA zelf zijn gesteld. Een tweede mogelijkheid is dat een vereniging waar traditioneel wordt geschoten, lid kan worden van de KNTS en daar gecertificeerd wordt. Als laatste kan een vereniging op haar verzoek gecertificeerd worden door de KNSA zonder lid te zijn van de KNSA. Het staat de KNSA en de KNTS vrij om andere (extra) voorwaarden te verbinden aan de certificering voor de bij hun aangesloten verenigingen, dan de voorwaarden die betrekking hebben op de veiligheid en openbare orde die met de Minister zijn overeengekomen en vastgelegd in een gezamenlijk convenant. Het voldoen aan deze extra voorwaarden geschiedt op vrijwillige basis. Deze aanvullende voorwaarden kunnen daarom geen reden vormen om een basiscertificering te weigeren.
Krachtens artikel 28, tweede lid, Wwm jo. 43a, eerste lid, Rwm dient een ieder die de schietsport wenst te beoefenen en daartoe een wapenverlof aanvraagt, aangesloten te zijn bij een schietvereniging, die door een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen organisatie is gecertificeerd. De KNSA en de KNTS zijn als organisaties door de Minister van Justitie en Veiligheid, met inachtneming van onderstaande voorwaarden, aangewezen om schietsportverenigingen c.q. verenigingen waar de traditionele schietsport wordt beoefend te certificeren. De KNSA is aangewezen omdat deze organisatie in internationaal verband het vertegenwoordigend orgaan van de schietsport is en is aangesloten bij onder meer NOC*NSF, ISSF (International Shooting Sport Federation) en de ESC (European Shooting Confederation). De KNSA is daarmee de koepelorganisatie op het gebied van de schietsport in Nederland en heeft de afgelopen jaren samen met de Minister van Justitie en Veiligheid kaders ontwikkeld om te toetsen dat een schietvereniging de schietsport op een veilige en gecontroleerde wijze door haar leden laat beoefenen.
De KNTS is opgericht door de Noord Brabantse Federatie van Schuttersgilden en de Vereniging Brabantse Gildeschutters en vertegenwoordigt een belangrijk deel van de Gilden en daarmee van het traditioneel schieten in Nederland. De KNTS staat als koepel dicht bij de overige activiteiten die naast het schieten plaatsvinden bij de Gilden.
Om een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wwm te verkrijgen moet er sprake zijn van een redelijk belang tot het voorhanden hebben van wapens en munitie. De schietsport of het traditioneel schieten kan een redelijk belang opleveren tot het voorhanden hebben van wapens en munitie. Dit is alleen het geval, indien er geen gevaar is voor de openbare orde en veiligheid, de schietsport of het traditioneel schieten op een veilige en gecontroleerde wijze wordt beoefend, en het gaat om het (in wedstrijdverband) beoefenen van een door mij in bijlage C8 aangewezen tak van schietsport of het traditioneel schieten (hierna ook wel schietsportdisciplines genoemd) in het verband van een schietvereniging. Een schietsportvereniging of een vereniging aangesloten bij de KNTS dient om een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie te verkrijgen, haar leden in staat te stellen een erkende of gereglementeerde schietsportdiscipline binnen haar vereniging te beoefenen.
Zoals in onderdeel B/2.1 en B/2.4.1 is vermeld is het in wedstrijdverband beoefenen van een gereglementeerde schietsportdiscipline, of als betrokkene lid is van een vereniging voor traditionele schietsportdisciplines, één van de voorwaarden voor het verkrijgen van een verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens ten behoeve van de (traditionele) schietsport. Daarbij is bepalend of het beoefenen van de schietsport een redelijk belang voor het voorhanden hebben van wapens als bedoeld in artikel 28 WWM oplevert. Door voor de invulling van het criterium van het redelijk belang bij het beoefenen van de schietsport aan te sluiten bij de bestaande kaders voor die sport, wordt zo veel mogelijk gewaarborgd dat daadwerkelijk sprake is van beoefening van de schietsport en wordt zoveel mogelijk de veiligheid gewaarborgd. Schietsportdisciplines zijn vastgesteld om te waarborgen dat onder meer wapens en schietterrein geschikt zijn om op veilige wijze de schietsport te beoefenen. Een vrije interpretatie van het begrip schietsport zou kunnen leiden tot een wildgroei aan schietsportdisciplines. Hierdoor zou de korpschef niet of nauwelijks meer kunnen controleren of er sprake is van een schietsportdiscipline en of de wapens en munitie geschikt zijn voor de te beoefenen discipline. Gezien het voorgaande zou het dan niet of nauwelijks te bepalen zijn of de schutter een redelijk belang heeft bij het voorhanden hebben van het door hem gewenste wapens en munitie ten behoeve van het beoefenen van de schietsport. Bovendien is dan niet goed meer vast te stellen of het beoefenen van de schietsportdiscipline een gevaar voor de openbare orde en veiligheid oplevert. Om invulling te geven aan wat ik onder een schietsportdiscipline versta, is in bijlage C8 een overzicht opgenomen van de schietsportdisciplines die naar mijn oordeel een redelijk belang op kunnen leveren voor het verkrijgen van een wapenverlof. Dit betreft schietsportdisciplines die in verenigings- en wedstrijdverband worden beoefend en waarvan ik van oordeel ben dat dit gangbare schietsportdisciplines zijn. Daarbij is ook opgenomen welke eigenschappen de wapens hebben om in redelijkheid noodzakelijk zijn voor de beoefening van deze schietsportdisciplines. Zie verder 2.6. Schietsportdisciplines.
Onder een schietvereniging, wordt verstaan de vereniging die blijkens de in een notariële akte opgenomen statuten tot doel heeft haar leden in de gelegenheid te stellen de schietsport te beoefenen (artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWM). Een schietsportvereniging of een vereniging aangesloten bij de KNTS kan een verenigingsverlof krijgen indien zij hierbij een redelijk belang heeft en zij met dit verlof geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid vormt. Voor verenigingen die in aanmerking wensen te komen voor een zogenaamd verenigingsverlof, geldt dat zij door de KNSA of KNTS gecertificeerd dienen te worden en dat binnen die vereniging de schietsport wordt beoefend zoals aangewezen in bijlage C8 en overeenkomstig de voor die schietsport gestelde sporttechnische eisen door de KNSA. Voor het traditioneel schieten, gelden de door de KNTS sporttechnische eisen met betrekking tot de traditionele schietsportdisciplines.
Aan een door de KNSA of KNTS gecertificeerde schietsportvereniging c.q. vereniging waar de traditionele schietsport wordt beoefend, kan een verlof worden verleend tot het voorhanden hebben van vuurwapens, die aan die vereniging toebehoren en die bestemd zijn voor gebruik door de leden van die vereniging. Een verenigingsverlof wordt alleen verleend indien de schietvereniging en haar leden met de verlening van dit verlof geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kunnen vormen en er een redelijk belang is voor het verlenen van het verlof. Het verlof tot het voorhanden hebben van verenigingswapens en munitie wordt feitelijk gesteld op naam van de beheerder(s) van de vereniging. De vereniging dient zich bezig te houden met het beoefenen van de (traditionele) schietsport en alle geldende wetten en regelgeving na te leven.
Gelet op de grote gevaarzetting van vuurwapens is er een noodzaak het voorhanden daarvan streng te reguleren. Daarom kan er alleen sprake zijn van het legaal beoefenen van de schietsport, wanneer iemand dit in Nederland op een veilige en gecontroleerde wijze doet. Er kan alleen sprake zijn van een veilige en gecontroleerde wijze, wanneer de persoon die wapens en munitie voorhanden heeft, dit op legale gronden heeft.
Jegens de vereniging en ook jegens de bestuurders van die vereniging en jegens de beheerders van die vereniging mag geen vrees voor misbruik bestaan. Van de schietvereniging en haar bestuurders en beheerders wordt verwacht dat zij op de hoogte zijn van de geldende (wapen)wettelijke bepalingen en deze stipt volgen.
Wanneer een vereniging een verenigingsverlof voor de schietsport aanvraagt, moet in ieder geval blijken dat de beheerders, al langere tijd conform de geldende regels de schietsport beoefenen en gedurende die periode voldoende oefening hebben gehad. Ook het systeem van de opbouw in wapentypes (zie onder 2.2.2, 2.2.3, 2.2.5 en 2.4.6) is met dit doel in het leven geroepen: voorkomen moet worden dat de relatief ongeoefende schutter de beschikking krijgt over ‘zwaardere’ vuurwapens.
Om een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wwm te verkrijgen moet er sprake zijn van een redelijk belang tot het voorhanden hebben van wapens en munitie. De schietsport kan een redelijk belang opleveren tot het voorhanden hebben van wapens en munitie. Dit is alleen het geval, indien de schietvereniging door de KNSA of vereniging waar de traditionele schietsport wordt beoefend door de KNTS is gecertificeerd en met de wapens die zij aanvraagt door haar leden binnen de vereniging op een veilige en gecontroleerde wijze, in wedstrijdverband, een door mij in bijlage C8 aangewezen tak van de schietsport wordt beoefend. Voor de verenigingen die lid zijn van de KNTS gelden de door de KNTS gereglementeerde traditionele schietsportdisciplines (zie B/2.1 onder Geen gevaar voor zichzelf, openbare orde en veiligheid en B/2.6 Schietsportdisciplines. Het aantal vuurwapens, waarvoor het verenigingsverlof geldt, dient voorts in een redelijke verhouding te staan tot het aantal leden dat regelmatig van die wapens gebruik maakt. Een eenmaal bevoegd voorhanden gehouden vuurwapen mag alleen gebruikt worden binnen de doelen waarvoor de bevoegdheid is verkregen. Misbruik maken van deze bevoegdheid door het vuurwapen voor andere doeleinden dan de schietsport te gebruiken, geldt als intrekkingsgrond, zoals bepaald in artikel 7, tweede lid, onder c van de Wet wapens en munitie.
De vereniging dient bij de aanvraag tot een verlof gebruik te maken van de door de Minister van Veiligheid en Justitie in de Rwm vastgestelde aanvraagformulieren.
In het verenigingsverlof wordt vermeld wie als beheerder van de verenigingswapens optreedt, voor zover het betreft het beheren van de vuurwapens. Het verlof wordt aan de beheerder verstrekt. Indien meer (bestuurs-)leden als beheerder optreden, dan verkrijgt ieder van die (bestuurs-)leden een verlof tot het voorhanden hebben van verenigingswapens, met daarop zijn naam. Het verlof bevat tevens zijn pasfoto.
Indien er ten aanzien van de vereniging, het bestuur van de vereniging en de beheerder geen vrees voor misbruik bestaat, kan het gevraagde verlof, met een geldigheidsduur van één jaar, worden verleend. Op het verlofdocument kan, indien hiervoor een redelijk belang bestaat, worden aangegeven dat tevens verlof tot vervoer en verlof tot het voorhanden hebben van de bijbehorende munitie wordt verleend.
Bij verlening en verlenging van het verlof behoeft de beheerder niet te voldoen aan het minimum aantal schietbeurten dat met betrekking tot het voorhanden hebben van privé-wapens geldt.
Bij een eerste verlofaanvraag dient (de vertegenwoordiger van) de korpschef - middels een bezoek aan de locatie waar het wapen en/of de munitie opgeslagen zal gaan worden - te controleren of de aanvragende vereniging beschikt over een opbergplaats die voldoet aan de eisen voor het opbergen van wapens en munitie (zie B/8). Deze controle wordt, in verband met de mogelijk daaruit voor de aanvrager voortvloeiende consequenties, zoals de aanschaf van een wapenkluis of de aanpassing van een bergplaats, pas gedaan als vaststaat dat het verlof kan worden verleend. Er zijn tenminste 3 persoonlijke contactmomenten tussen het bestuur, de beheerder van de vereniging en politie. Het is van groot belang dat de politie iedere beheerder van het verenigingsverlof bij een eerste verlofaanvraag in persoon ontmoet. De beheerder(s) word(t)(en) daarom uitgenodigd zelf het aanvraagformulier in persoon op het politiebureau af te geven. Een ander moment van persoonlijk contact tussen de vertegenwoordiging van de vereniging en politie in het aanvraagproces betreft de controle van de wapenkluis of wapenkamer. De eis dat de beheerder(s) de documenten dien(t)(en) af te halen op het politiebureau staat garant voor een derde moment van persoonlijk contact.
Verenigingswapens zijn ervoor bestemd om de leden van de vereniging, die niet over een (geschikt) eigen vuurwapen beschikken, in staat te stellen de desbetreffende tak van schietsport te beoefenen. De op het verenigingsverlof vermelde beheerders mogen daartoe de verenigingswapens ter hand stellen aan andere leden, die onder toezicht van die beheerders en binnen de eigen verenigingsaccommodatie, de schietsport beoefenen.
Voor het gebruik van verenigings- en privéwapens mag de vereniging munitie aan haar leden ter beschikking stellen. De vereniging mag alleen die munitie aan haar leden ter beschikking stellen die de vereniging zelf krachtens het verenigingsverlof voorhanden mag hebben.
Bij de uitgifte en het gebruik van verenigingswapens en munitie dienen, met het oog op het voorkomen van gevaar voor de openbare orde of veiligheid, de volgende voorschriften in acht genomen. Deze voorschriften worden ook in het verenigingsverlof opgenomen:
Het gebruik van de op het verenigingsverlof vermelde verenigingsvuurwapens is uitsluitend toegestaan aan:
(aspirant) leden van een schietvereniging met een KNSA-licentie, (aspirant) leden van een schietvereniging met KNTS-licentie of leden van een door de KNSA gecertificeerde schietvereniging of introducés, conform de regeling voor promotieactiviteiten en introducés (zie B 2.2.5.).
leden van de traditionele schietverenigingen zonder wapen die geen KNTS-licentie hebben. Deze leden mogen ten hoogste drie keer per jaar gebruik maken van de verenigingswapens of de wapens van leden van de vereniging, voor het schieten tijdens het koning/keizerschieten, het gemeentelijk koningschieten en het koning/keizerschieten tijdens gildedagen en landjuwelen. In alle andere gevallen, bijvoorbeeld bij het schieten tijdens oefenavonden, in wedstrijdverband en bij schietwedstrijden tijdens gildedagen, dient men in het bezit te zijn van een licentie van de KNTS of KNSA om gebruik te mogen maken van de verenigingswapens.
De schietvereniging dient een wapenuitgifteregister bij te houden conform het model van de KNSA; of – voor verenigingen die niet zijn aangesloten bij de KNSA het model opgenomen in bijlage C4. De bij de KNTS aangesloten verenigingen dienen gebruik te maken van het door de KNTS vastgestelde model.
De schietvereniging dient een munitie-uitgifteregister bij te houden conform het model van de KNSA; of – voor verenigingen die niet zijn aangesloten bij de KNSA – het model opgenomen in bijlage C6. De bij de KNTS aangesloten verenigingen dienen gebruik te maken van het door de KNTS vastgestelde model.
De beheerder dient er op toe te zien dat het verenigingswapen door het (aspirant) lid, na afloop van diens oefening of wedstrijd, zo spoedig mogelijk aan hem wordt teruggegeven.
Het gebruik van de aan leden verstrekte munitie geschiedt, voor zover het gaat om leden die geen privé-verlof hebben tot het voorhanden hebben van die munitie, onder toezicht van de beheerder. Dit toezicht is zodanig georganiseerd dat het niet mogelijk is dat het lid de eventueel niet verschoten munitie meeneemt buiten de schietaccommodatie. De eventueel niet verschoten munitie dient na afloop van de oefening of wedstrijd bij de beheerder in bewaring te worden gegeven die het opbergt in de daarvoor bestemde bergplaats.
Aan leden die korter dan één jaar volwaardig lid zijn van een schietvereniging, mogen alleen de op het verenigingsverlof vermelde verenigingsvuurwapens18En niet zijnde semi-automatische geweren. worden uitgeleend die geschikt zijn voor de Olympische disciplines, de disciplines van de International Sport Shooting Federation en de disciplines van de Muzzle Loaders Association International Committee, zoals aangewezenin bijlage C8. Aan leden van de bij de KNTS aangesloten vereniging die korter dan één jaar volwaardig lid zijn mogen de bij die vereniging voor het traditioneel schieten in gebruik zijnde verenigingswapens of bij die vereniging in gebruik zijnde privé vuurwapens worden uitgeleend.
Het beoefenen van de (traditionele) schietsport met verenigingswapens, door leden van die vereniging, buiten de accommodatie van de eigen schietvereniging (bijvoorbeeld het deelnemen aan een schietwedstrijd elders) kan op de volgende wijzen plaatsvinden:
De beheerder van de verenigingswapens begeleidt het desbetreffende lid naar die andere schietvereniging of schietplaats, alwaar hij hem het wapen ter beschikking stelt. Het lid schiet dan onder toezicht van de beheerder. Na afloop van de wedstrijd of de schietoefening neemt de beheerder het wapen weer in ontvangst.
Eén of meerdere verenigingswapens worden door de beheerder uitgeleend aan een lid van de vereniging ter medeneming naar elders. De duur van de uitlening dient in een redelijke verhouding te staan tot het gebruik dat het betrokken lid van dat vuurwapen buiten de vereniging maakt. Met andere woorden, hij mag het wapen niet voor langere perioden onder zich houden of thuis voorhanden hebben maar dient het steeds binnen redelijke termijn na gebruik weer aan de beheerder terug te geven. De beheerder mag niet meer wapens tegelijkertijd aan één persoon uitlenen dan deze redelijkerwijze voor gebruik buiten de eigen vereniging nodig heeft. Bij gebruikmaking van deze mogelijkheid dient aan de volgende voorwaarden te worden voldaan:
het lid dient tenminste een jaar lid te zijn van de schietvereniging;
het lid dient in het bezit te zijn van een op zijn naam gesteld verlof tot het voorhanden hebben en tot het vervoer van die verenigingswapens (maximaal 5), waarover hij met goedvinden van het bestuur buiten de accommodatie van de vereniging mag beschikken; en
de beheerder dient een register bij te houden, conform het model van de KNSA of – voor verenigingen die niet zijn aangesloten bij de KNSA – het model opgenomen in bijlage C5, waarin hij aantekening doet van de uitlening van een verenigingswapen. De bij de KNTS aangesloten verenigingen dienen gebruik te maken van het door de KNTS vastgestelde model.
aan leden die korter dan twee jaar lid zijn van de schietvereniging19Zie voetnoot 17., mogen alleen de op het verenigingsverlof vermelde verenigingsvuurwapens20Niet zijnde semi-automatische geweren. worden uitgeleend die geschikt zijn voor de Olympische disciplines, de disciplines van de International Sport Shooting Federation en de disciplines van de Muzzle Loaders Associations International Committee, zoals aangewezen in bijlage C8.
Bij verlening en verlenging van het verlof behoeft betrokkene niet te voldoen aan het minimum aantal schietbeurten dat met betrekking tot het voorhanden hebben van privé-wapens geldt.
Er zijn studentenweerbaarheidsverenigingen waaraan door de krijgsmacht vuurwapens ter beschikking worden gesteld om te worden gedragen bij het uitoefenen van eerbetoon en soortgelijke manifestaties. De aanvraag voor een verlof tot het voorhanden hebben en vervoeren van deze wapens en de bijbehorende munitie, wordt door het bestuur van de betrokken vereniging ingediend bij de korpschef. De aanvraag wordt eerst in behandeling genomen nadat de bereidheid om de wapens ter beschikking te stellen schriftelijk is bevestigd van de zijde van de verantwoordelijke militaire autoriteit, die daarbij dient aan te geven om welke wapens het gaat, met vermelding van typen en nummer.
In het verenigingsverlof wordt vermeld wie als vertegenwoordiger van de vereniging optreedt, voor zover het betreft het beheren van de vuurwapens. Het verlof bevat tevens zijn pasfoto. Indien meer (bestuurs-)leden als beheerder optreden, dan verkrijgt ieder van die (bestuurs-)leden een verenigingsverlof.
Op het verlof tot het voorhanden hebben dient hetgeen onder ‘BEPERKINGEN’ is gesteld met betrekking tot het vervoer, te worden aangepast aan de feitelijke situatie.
Verenigingsverloven en verloven tot het voorhanden hebben van privé-vuurwapens strekken er niet toe om personen die geen lid zijn van een schietvereniging in staat te stellen de schietsport te beoefenen.
Niettemin bestaat er zoals ook gesteld in artikel 43a van de Rwm geen bezwaar tegen indien een schietvereniging incidenteel – in het kader van promotie van de vereniging en de schietsport – geïnteresseerden (introducés) in de gelegenheid stelt met de schietsport kennis te maken. Deze promotieactiviteiten mogen zowel georganiseerd (door het bestuur van de vereniging) als ad hoc (bijvoorbeeld een door een lid van de vereniging meegebrachte introducé) plaatsvinden. Het aanbieden of gelegenheid bieden tot het organiseren van bedrijfsfeesten of andere evenementen – waarbij met vuurwapens kan worden geschoten – is echter niet toegestaan. Uitsluitend erkende schietcentra mogen op commerciële basis vuurwapens ter beschikking stellen aan derden (zie onderdeel B/2.3 voor de voorwaarden).
Bij het ter beschikking stellen van verenigings- of privé-wapens aan introducés dienen de volgende voorschriften in acht te worden genomen. Hierbij geldt dat de voorschriften voor zover het gaat om het ter beschikking stellen van luchtdrukwapens, slechts gelden voor het ter beschikking stellen aan minderjarigen.
De schietvereniging dient een introducéregister21De introducéregisters dienen door de vereniging gedurende minimaal drie jaar te worden bewaard. bij te houden conform het model van de KNSA; of – voor verenigingen die niet zijn aangesloten bij de KNSA – het model dat onder bijlage C7 bij deze Circulaire is gevoegd De bij de KNTS aangesloten verenigingen dienen gebruik te maken van het door de KNTS vastgestelde model.
het vuurwapen of luchtdrukwapen alsmede de daarbij behorende munitie mag pas op het schietpunt van de schietbaan – door de persoon die bevoegd is het betrokken vuurwapen voorhanden te hebben – aan de schutter worden afgegeven22Omdat het schieten onder direct toezicht wordt beoefend, is er geen sprake van ‘overdragen’ in de zin van artikel 1, aanhef en onder 11°, van de WWM, zodat de schutter niet behoeft te beschikken over een verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens.;
de persoon die bevoegd is het betrokken vuurwapen of luchtdrukwapen voorhanden te hebben blijft tijdens het schieten in de onmiddellijke nabijheid van de schutter op het schietpunt;
het vuurwapen en de niet verschoten patronen of het luchtdrukwapen dienen onmiddellijk na de schietoefening op het schietpunt te worden teruggegeven aan de persoon die bevoegd is het betrokken vuurwapen voorhanden te hebben;
door de persoon die bevoegd is het betrokken vuurwapen voorhanden te hebben dient gecontroleerd te worden of het aantal verschoten patronen plus het aantal overgebleven patronen overeenkomt met het aantal uitgereikte patronen;
dezelfde persoon mag – binnen een periode van 12 maanden – maximaal drie keer met een vuurwapen worden geïntroduceerd;
de introducé bij een door de KNSA gecertificeerde vereniging mag alleen de op het verenigingsverlof vermelde verenigingsvuurwapens23Niet zijnde semi-automatische geweren. gebruiken welke geschikt zijn voor de Olympische disciplines, de disciplines van de International Sport Shooting Federation en de disciplines van de Muzzle Loaders Association International Committee, zoals opgenomen in bijlage C824Zie 16.;
de introducé bij een door de KNTS gecertificeerde vereniging mag schieten met de op het verenigingsverlof vermelde verenigingsvuurwapens die normaliter door de vereniging tijdens wedstrijden worden gebruikt;
de introducé heeft tenminste de leeftijd van 18 jaren bereikt.
De onder f genoemde beperking geldt niet ten aanzien van personen die aantoonbaar in het kader van de door de Stichting Jachtopleidingen Nederland (SJN) georganiseerde jachtcursussen ten behoeve van het behalen van een erkend jachtexamen, gebruik maken van de faciliteiten van een schietvereniging.
De onder f en g genoemde beperkingen gelden niet voor zover gebruik wordt gemaakt van enkelschotsbuksen in het kaliber 12 of 16 met een minimaal gewicht van 12 kilogram.
Het is niet ongebruikelijk dat een houder van een erkenning bij wijze van nevenactiviteit een schietcentrum exploiteert. Hierbij wordt ook aan personen die niet beschikken over een eigen vuurwapen de gelegenheid gegeven buiten verenigingsverband recreatief te schieten. Er bestaat geen bezwaar tegen deze activiteit mits er wordt voldaan aan de onderstaande voorwaarden. De houders van een erkenning kunnen derhalve, naast het verrichten van de activiteiten genoemd in artikel 9, eerste lid, WWM, een schietcentrum exploiteren. Op het bewijs van erkenning wordt aantekening gedaan van het verrichten van deze activiteiten. Bij de exploitatie van een schietcentrum dient het volgende in acht te worden genomen.
Met de feitelijke leiding van het schietcentrum is de in het bewijs van erkenning genoemde beheerder belast. Door de beheerder en zijn schietinstructeurs wordt toezicht gehouden op de naleving van de veiligheidsvoorschriften inzake het omgaan met vuurwapens.
De erkenninghouder dient een bezoekersregister25Het bezoekersregister dient door de erkenninghouder gedurende minimaal drie jaar te worden bewaard. bij te houden waarin alle personen dienen te worden vermeld die gebruik maken van het schietcentrum. Van deze personen dienen minimaal de volgende gegevens te worden geregistreerd:
Datum
Naam en voorletters van de schutter;
Woonplaats;
Soort legitimatiebewijs (paspoort, rijbewijs of ID-kaart);
Nummer legitimatiebewijs;
Nummer van de wapenvergunning (verlof of jachtakte) waarop het wapen staat vermeldt waarmee wordt geschoten.
Voor zover de gelegenheid tot schieten wordt gegeven aan personen die niet beschikken over een eigen vuurwapen gelden in aanvulling hierop nog de volgende voorschriften:
bij het schieten mogen geen andere vuurwapens worden gebruikt dan de hageljachtgeweren of kogelgeweren van het kaliber .22 long rifle, welke door de beheerder op grond van zijn erkenning voorhanden mogen worden gehouden. Het gebruik van voor de schietsport verboden of ongewenste wapens (zie onderdeel B 2.7) is niet toegestaan;
het schieten met hagelgeweren is uitsluitend toegestaan ten behoeve van het kleiduivenschieten in de aangewezen kleiduivendisciplines;
het vuurwapen alsmede de daarbij behorende munitie mag pas op het schietpunt van de schietbaan door de beheerder of door een van zijn schietinstructeurs aan de schutter worden afgegeven26Omdat het schieten onder direct toezicht wordt beoefend, is er geen sprake van ‘overdragen’ in de zin van artikel 1, aanhef en onder 11°, van de WWM, zodat de schutter niet behoeft te beschikken over een verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens.;
de beheerder of de betrokken schietinstructeur blijft tijdens het schieten bij de schutter op het schietpunt;
het vuurwapen en de overgebleven patronen dienen onmiddellijk na het schieten op het schietpunt weer aan de beheerder of de betrokken schietinstructeur te worden terug gegeven;
gecontroleerd wordt of het aantal verschoten patronen plus het aantal overgebleven patronen overeenkomt met het aantal uitgereikte patronen;
de persoon in kwestie heeft ten minste de leeftijd van 18 jaren bereikt.
De erkenninghouder, de beheerder en het voor de erkenning houder werkzame personeel mogen geen schietbeurten aftekenen.
Jachtaktehouders, al dan niet door deelname aan wedstrijden, en personen die aantoonbaar in het kader van de door de Stichting Jachtopleidingen Nederland (SJN) georganiseerde jachtcursussen ten behoeve van het behalen van een erkend jachtexamen, gebruik maken van de faciliteiten van een schietcentrum, mogen, indien het schietcentrum over de nodige faciliteiten beschikt, ook schieten met hageljachtgeweren of kogelgeweren van een ander kaliber, welke zijn toegestaan voor jacht, beheer en schadebestrijding. Hierbij geldt als vanzelfsprekend dat het gebruik van voor de schietsport verboden of ongewenste wapens (zie onderdeel B 2.7) behoudens semi-automatische en repeterende (pomp-mechanisme, hendel- en grendel repeteer) hagelgeweren27In zoverre deze vuurwapens voldoen aan de vereisten die gesteld zijn in artikel 12 van het Jachtbesluit., niet is toegestaan.
Een sportschutter kan een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie ten behoeve van de schietsport verkrijgen. Onder schietsport wordt hier verstaan: het in wedstrijdverband beoefenen van een tak van schietsport overeenkomstig bijlage C8. Om een dergelijk privé verlof te verkrijgen, dient er jegens de sportschutter of traditioneel schutter geen vrees voor misbruik te bestaan en dient er door verlening van het verlof geen gevaar te bestaan voor de openbare orde of veiligheid en dient de sportschutter een redelijk belang te hebben tot het voorhanden hebben van wapens en munitie.
In dit hoofdstuk zijn ook een aantal nadere specifieke eisen voor sportschutters met een privé verlof gesteld, welke zijn terug te voeren op het wettelijke criterium dat de aanvrager geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid mag vormen (zie B/2.1 onder Geen gevaar voor zichzelf, openbare orde en veiligheid). Met het stellen van deze voorwaarden wordt tevens voorkomen dat een ieder die stelt de schietsport te willen beoefenen, een verlof kan krijgen voor een vuurwapen. Wanneer een persoon een privéverlof voor de schietsport aanvraagt, moet in ieder geval blijken dat de betrokkene minimaal twaalf maanden voorafgaande de aanvraag conform de geldende regels de schietsport beoefent en gedurende die periode voldoende oefening heeft gehad. Ook het systeem van de opbouw in disciplines en wapentypes (zie 2.4.4) is met dit doel in het leven geroepen: voorkomen moet worden dat de relatief ongeoefende schutter de beschikking krijgt over ‘zwaardere’ vuurwapens.
Bij een eerste verlofaanvraag dient de vertegenwoordiger van de politiechef - middels een bezoek aan de locatie waar het wapen en/of de munitie opgeslagen zal gaan worden - te controleren of de aanvrager beschikt over een opbergplaats die voldoet aan de eisen voor het opbergen van wapens en munitie (zie B 8). Deze controle wordt, in verband met de mogelijk daaruit voor de aanvrager voortvloeiende consequenties, zoals de aanschaf van een wapenkluis of de aanpassing van een bergplaats, pas gedaan als vaststaat dat het verlof kan worden verleend. Er zijn tenminste 3 persoonlijke contactmomenten tussen aanvrager en politie.
Het is van groot belang dat de politie iedere aanvrager van een verlof bij een eerste verlofaanvraag in persoon ontmoet. De aanvrager wordt daarom uitgenodigd zelf het aanvraagformulier in persoon op het politiebureau af te geven. Een ander moment van persoonlijk contact tussen de verlofaanvrager en de politie betreft de controle van de wapenkluis thuis. De eis dat de verlofaanvrager het document zelf dient af te halen op het politiebureau staat garant voor een derde moment van persoonlijk contact.
Om een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet wapens en munitie te verkrijgen moet er sprake zijn van een redelijk belang tot het voorhanden hebben van wapens en munitie. De (traditionele) schietsport kan een redelijk belang opleveren tot het voorhanden hebben van wapens en munitie. Dit is alleen het geval, indien de aanvrager op een veilige en gecontroleerde wijze (in wedstrijdverband), gedurende een periode van twaalf maanden voorafgaande de aanvraag, een in bijlage C8 aangewezen reglementeerde tak van schietsport binnen zijn gecertificeerde schietvereniging beoefent. (zie B/2.1 onder Geen gevaar voor zichzelf, openbare orde en veiligheid en B/2.6 Schietsportdisciplines). De aanvrager dient regulier lid te zijn, en gedurende minimaal 1 jaar voorafgaande de aanvraag regulier lid te zijn geweest, van zijn gecertificeerde schietvereniging. Een eenmaal bevoegd voorhanden gehouden vuurwapen mag alleen gebruikt worden binnen de doelen van die waarvoor de bevoegdheid is verkregen. Misbruik maken van deze bevoegdheid door het vuurwapen voor andere doeleinden dan de schietsport te gebruiken, geldt als intrekkingsgrond, zoals bepaald in artikel 7, tweede lid, onder c, van de Wet wapens en munitie.
Bij het aanvragen van een nieuw verlof dan wel bij de aanvraag tot verlenging van een bestaand verlof dient de aanvrager, aan te tonen dat hij in de 12 maanden voorafgaande aan de aanvraag minimaal 18 schietbeurten bij een gecertificeerde schietsportvereniging met een vuurwapen heeft verricht. De verlofhouder toont hiermee aan dat hij de schietsport beoefent (redelijk belang) en zijn vaardigheid in de omgang met wapens op peil tracht te houden.
Hierbij gaat het om het totaal aantal door de verlofhouder in de voorafgaande 12 maanden verrichte schietbeurten. Hoe de schietbeurten over deze periode zijn verdeeld, en met welk vuurwapen waarvoor het verlof geldt is geschoten, is hierbij niet van belang.
De aanvrager dient hiertoe een op naam gesteld en door het bestuur van de schietvereniging gewaarmerkt schietregister te overleggen, waarin aantekening is gedaan van de schietoefeningen waaraan de aanvrager heeft deel genomen. De aantekening dient te vermelden:
de datum;
het naamstempel van de vereniging/schietbaan waar de oefening of wedstrijd is geschoten;
de naam en de handtekening of paraaf van een bestuurslid of een namens het bestuur optredende baancommandant, veiligheidsfunctionaris of organisator van de schietwedstrijd.
Als de schutter op een schietbaan een schietbeurt in zijn register doet aantekenen, dient zijn aanwezigheid op die schietbaan te blijken uit het aldaar aanwezige presentieregister, tenzij hij heeft deelgenomen aan een wedstrijd en zijn naam voorkomt op de lijst van deelnemers. Het presentieregister dient per dag te worden afgesloten en afgetekend. Het blad of de bladen worden na afloop van de schietoefening afgesloten en opgeborgen in het archief van de vereniging Zij worden desgevraagd aan de politie getoond indien er twijfel is over de juistheid van de in een schietregister geregistreerde schietbeurten.
Schietbeurten die zijn verricht in een land dat deel uitmaakt van de Europese Unie tellen mee voor de bepaling van het aantal verrichte schietbeurten voor zover de desbetreffende sportschutter dit kan aantonen middels het overleggen van originele wedstrijdbriefjes of een originele gewaarmerkte verklaring van een, te goeder naam en faam bekend staande, schietvereniging waar de schietbeurten zijn verricht. Voor informatie over buitenlandse schietverenigingen kan zo nodig contact worden opgenomen met de KNSA.
Als uitgangspunt geldt dat niet meer dan één schietbeurt per dag kan worden aangetekend, ongeacht het aantal wapens waarmee is geschoten.
Hierop bestaan echter twee uitzonderingen:
Voor geweren van de wapengroepen ‘Groot Kaliber Geweer’ en ‘Historische wapens’ geldt dat, voor zover is geschoten op een door de overheid ter beschikking gestelde schietaccommodatie, per dag één schietbeurt kan worden aangetekend voor ieder wapen waarmee daadwerkelijk is geschoten. Deze uitzondering geldt alleen voor zover uit het stempel in het schietregister blijkt dat er geschoten is op een overheidsbaan. Voorbeeld: drie stempels van het Infanterie Schietkamp Harskamp betekent dat er is geschoten met drie geweren.
Voor alle wapens geldt dat iedere deelname aan een officieel erkend (inter-)nationaal, districts- of afdelingskampioenschap als aparte schietbeurt kan worden aangetekend (ongeacht het wapen waarmee is geschoten). Desgevraagd moeten wedstrijdbriefjes worden overgelegd.
Wanneer de aanvrager bij verlenging van de geldigheidsduur van een bestaand verlof niet kan aantonen voldoende schietbeurten te hebben behaald maar wel ten genoegen van de korpschef kan onderbouwen, dat het tekort aan schietbeurten het gevolg is van een oorzaak die hem redelijkerwijs niet kan worden aangerekend – bijvoorbeeld langdurige ziekte, langdurig verblijf in het buitenland, andere persoonlijke omstandigheden – dan kan de verlenging van de geldigheidsduur van het verlof hem niettemin worden toegestaan.
Het kunnen beoefenen van de schietsport in buitenlands verenigingsverband levert voor de betrokkene weliswaar een belang op bij het voorhanden mogen hebben van vuurwapens, maar dit enkele belang is geen ‘redelijk belang’ in de zin van artikel 28 van de WWM. Gelet op de restrictieve wetgeving en het dienovereenkomstige beleid, wordt geen verlof verleend indien de aanvrager slechts de bedoeling heeft buiten Nederland de schietsport te beoefenen. De betrokkene zal zich, om in het desbetreffende land de bevoegdheid te krijgen om over een wapen te beschikken, tot de autoriteiten van dat land moeten wenden. Hij zal er voorts voor moeten zorgen dat het wapen in dat land – ten behoeve van het doel waarvoor hij het voorhanden wil houden – kan worden bewaard.
Uitgangspunt ingevolge het bepaalde in artikel 43, eerste lid RWM, is – zoals hiervoor reeds uiteengezet – een maximum aantal van vijf vuurwapens, bij te schrijven op een verlof tot het voorhanden hebben. Dit criterium houdt verband met de doelstelling van de WWM om het legale wapenbezit binnen redelijke grenzen te houden. Het staat de sportschutter echter vrij om, binnen de grenzen van het maximum aantal van vijf vuurwapens (zie B 2.4.1, onder g), meer wapens van een zelfde type of kaliber voorhanden te hebben.
In het derde lid van artikel 43 van de RWM is echter bepaald dat het maximum van vijf wapens niet van toepassing is op houders van een verlof tot het voorhanden hebben die aantonen dat zes of meer wapens voor hen onontbeerlijk zijn voor de beoefening van de schietsport. Deze verklaring dient te worden afgegeven door de KNSA en te worden ondersteund door het bestuur van de vereniging waar de betrokkene de schietsport beoefent. Het moet gaan om een uitzonderingssituatie.
Ten aanzien van beginnende sportschutters geldt een stringenter wapenregime. Voor zowel de sportschutter als de traditionele schutter die voor de eerste maal een vuurwapenverlof aanvraagt en die lid is van een door de KNSA respectievelijk KNTS gecertificeerde verenging zijn er twee mogelijkheden.
De sportschutter die voor de eerste maal een vuurwapenverlof aanvraagt, en niet langer dan twee jaar lid is van een door de KNSA gecertificeerde vereniging, komt slechts in aanmerking voor een verlof voor één vuurwapen, niet zijnde een semi-automatisch geweer, welke geschikt is voor de Olympische disciplines, zoals door de KNSA gereglementeerd (Zie B/2.6). Gedurende het eerste verlofjaar geldt het verlof voor niet meer dan één vuurwapen.
De sportschutter die, nadat hem bij zijn eerste verlofaanvraag een wapenverlof is verleend en aan het eind van het eerste verlofjaar een verlenging van een vuurwapenverlof aanvraagt, of die voor de eerste maal een vuurwapen aanvraagt en langer dan twee jaar lid is van een door de KNSA gecertificeerde vereniging, komt slechts in aanmerking voor een verlof voor vuurwapens, niet zijnde semi-automatische geweren, welke geschikt zijn voor de Olympische disciplines, de disciplines van de International Sport Shooting Federation en de disciplines van de Muzzle Loaders Associations International Committee, zoals aangewezen in bijlage C8 gereglementeerd door de KNSA. Voor de traditionele schutter die voor de eerste maal een vuurwapenverlof aanvraagt en die lid is van een door de KNTS gecertificeerde vereniging zijn er verschillende mogelijkheden. Indien bij zijn vereniging geschoten wordt met wapens met .22 munitie komt de aanvrager in aanmerking voor een verlof voor één vuurwapen zoals dat bij zijn vereniging in gebruik is. Als er sprake is van een zwaarder kaliber dan .22 dient betrokkene tenminste twee jaar lid te zijn van een door de KNTS gecertificeerde vereniging.
Het komt regelmatig voor dat sportschutters de schietsport willen beoefenen met vrijgestelde (antieke) wapens waarvan het voorhanden hebben – op grond van artikel 18 van de RWM – is vrijgesteld28Zie ook het in bijlage C 1 opgenomen beslissingsschema. Voor het schieten met een vrijgesteld wapen is een verlof tot het voorhanden hebben niet nodig.
De munitie voor deze vrijgestelde (antieke) wapens is – met uitzondering van ronde loden kogels (zie artikel 20 van de RWM) – echter niet vrijgesteld. Voor het beoefenen van de schietsport met een op grond van artikel 18 van de RWM vrijgesteld wapen, is voor de munitie een verlof tot voorhanden hebben vereist. Het vrijgestelde wapen is eveneens vrijgesteld van het in deze circulaire onder 2.4.1.2 opgenomen systeem van opbouw van wapentypes.
Het bestuur van de schietvereniging waarvan de schutter lid is verklaart op het formulier dat het vuurwapen waarvoor het verlof tot voorhanden hebben van munitie wordt gevraagd, zal worden aangewend voor een in bijlage C8 aangewezentak van schietsport zoals die in het verband van de vereniging kan worden beoefend.
Elk kaliber waarvan de verlofhouder munitie voorhanden wenst te houden dient apart op het verlof vermeld te worden. Voor het schieten met vrijgestelde wapens behoeven geen schietbeurten te worden geregistreerd. Het op het verlof bijschrijven van de munitie heeft geen invloed op het maximaal aantal wapens als bedoeld in artikel 43, eerste lid, van de RWM. Wel dient de aanvrager te voldoen aan de algemene voorwaarden voor de verlening van een verlof ten behoeve van de schietsport. Het vrijgestelde vuurwapen hoeft niet op het verlof te worden vermeld, enkel de vermelding van de verlofplichtige munitie.
Het tijdelijk en incidenteel in gebruik afstaan van privé-wapens tijdens een schietoefening of wedstrijd aan een medeschutter – die in het bezit is van een geldige KNSA-licentie of van een lidmaatschapsbewijs van een niet bij de KNSA aangesloten, maar wel door de KNSA gecertificeerde schietvereniging, of die in het bezit is van een wapenverlof of jachtakte – is toegestaan als dat geschiedt onder de volgende voorwaarden
het vuurwapen alsmede de daarbij behorende munitie mag pas op de schietbaan aan de schutter worden afgegeven29Omdat het schieten onder direct toezicht wordt beoefend, is er geen sprake van ‘overdragen’ in de zin van artikel 1, aanhef en onder 11°, van de WWM, zodat de schutter niet behoeft te beschikken over een verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens.;
de persoon die bevoegd is het betrokken vuurwapen voorhanden te hebben blijft tijdens het schieten in de onmiddellijke nabijheid van de schutter;
het vuurwapen en – voor zover de schutter niet zelf bevoegd is de munitie van het desbetreffende kaliber voorhanden te hebben – de overgebleven patronen dienen onmiddellijk na het schieten op het schietpunt weer te worden teruggegeven.
Aan leden korter dan twee jaar in het bezit van een KNSA-licentie of die korter dan twee jaar lid zijn van een niet bij de KNSA aangesloten, maar wel door de KNSA gecertificeerde schietvereniging, mogen alleen de vuurwapens30Niet zijnde semi-automatische geweren. welke geschikt zijn voor de Olympische disciplines, de disciplines van de International Sport Shooting Federation en de disciplines van de Muzzle Loaders Associations International Committee, zoals opgenomen in bijlage C8, tijdelijk worden afgestaan.
Het tijdelijk en incidenteel in gebruik afstaan van privé-wapens tijdens een traditionele schietoefening of wedstrijd aan een medeschutter – die in het bezit is van een geldige KNTS-licentie is toegestaan als dat geschiedt onder de volgende voorwaarden:
het vuurwapen alsmede de daarbij behorende munitie mag pas op de schietbaan aan de schutter worden afgegeven;
de persoon die bevoegd is het betrokken vuurwapen voorhanden te hebben blijft tijdens het schieten in de onmiddellijke nabijheid van de schutter;
het vuurwapen en – voor zover de schutter niet zelf bevoegd is de munitie van het desbetreffende kaliber voorhanden te hebben – de overgebleven patronen dienen onmiddellijk na het schieten op het schietpunt weer te worden teruggegeven.
aan leden die korter dan één jaar in het bezit zijn van een KNTS-licentie, mogen alleen de vuurwapens die op de vereniging worden gebruikt voor het traditioneel schieten tijdelijk worden afgestaan.
Het tijdelijk en incidenteel in gebruik afstaan van privé-wapens tijdens het konings/keizerschieten, het gemeentelijk koningsschieten en het koning/keizerschieten tijdens Gildedagen en Landjuwelen. Leden van de traditionele schietverenigingen zonder wapen die geen KNTS-licentie hebben zoals omschreven onder 2.2.2, is toegestaan onder de volgende voorwaarden:
het vuurwapen alsmede de daarbij behorende munitie mag pas op de schietbaan aan de schutter worden afgegeven;
de persoon die bevoegd is het betrokken vuurwapen voorhanden te hebben blijft tijdens het schieten in de onmiddellijke nabijheid van de schutter;
het vuurwapen en de overgebleven patronen dienen onmiddellijk na het schieten op het schietpunt weer te worden teruggegeven.
Incidenteel dient hierbij te worden opgevat als tegenstelling tot het zogenaamd ‘parkeren’. ‘Parkeren’ is de situatie waarin een verlofhouder een vuurwapen op zijn verlof doet bijschrijven ten behoeve van een andere sportschutter, omdat laatstgenoemde niet of nog niet in aanmerking komt voor een verlof tot het voorhanden hebben van dat vuurwapen. Deze handelwijze, het ‘parkeren’ dus, is uitdrukkelijk niet toegestaan.
Ten behoeve van schutters wier bij de KNSA aangesloten schietvereniging niet over een schietbaan beschikt voor het schieten met grootkaliber vuurwapens, heeft de Koninklijke Nederlandse Schietsport Associatie een aantal overheidsschietbanen in gebruik, waar onder toezicht van KNSA-functionarissen schietoefeningen en wedstrijden worden gehouden.
Aan de KNSA-licentiehouders die van deze faciliteiten gebruik maken, kan op verzoek een verlof tot het voorhanden hebben van een groot kaliber vuurwapen worden verstrekt.
De bevestiging dat een schutter of een vereniging toegang heeft tot een overheidsbaan kan worden verkregen bij het bondsbureau van de KNSA te Leusden. In sommige gevallen (bijvoorbeeld bij het Infanterieschietkamp ‘De Harskamp’), kan de bevoegdheid ook blijken uit een toegangspasje.
Tenzij de schutter zijn bevoegdheid om op een overheidsbaan te schieten kan aantonen met een toegangspasje, dient de achterzijde van het aanvraagformulier WM-3, zowel door het bestuur van de eigen vereniging als door de KNSA te zijn ondertekend.
Aan het verlof dienen de volgende beperkingen en voorschriften te worden verbonden:
BEPERKINGEN:
Het verlof tot vervoer is beperkt tot het vervoer tussen de woning en de schietbaan, de erkende wapenhandelaar of (na daaraan voorafgaand verzoek of toestemming van politiezijde) het bureau van politie, langs de weg en binnen het tijdsbestek welke daar redelijkerwijze voor zijn geboden.
VOORSCHRIFTEN:
Met betrekking tot vervoer
Tijdens het vervoer dient het wapen (alsmede de munitie) zodanig te zijn ingepakt dat het niet voor onmiddellijk gebruik kan worden aangewend. Het wapen dient ontladen en ontspannen te zijn. In een eventueel aanwezig patroonmagazijn mogen zich geen patronen bevinden;
Het wapen en de munitie worden tijdens het vervoer niet onbeheerd in een vervoermiddel achtergelaten;
Met betrekking tot opbergen
Het wapen en de munitie worden bewaard in afzonderlijke deugdelijk afgesloten en voor onbevoegden niet gemakkelijk bereikbare bergplaatsen;
De verlofhouder dient bij verhuizing binnen de regionale eenheid van de politie dit verlof onverwijld ter wijziging aan te bieden aan de korpschef van politie. Bij verhuizing naar elders dient hij het verlof in te leveren onder opgave van zijn nieuwe adres. Hij dient tijdig in zijn nieuwe regionale eenheid van de politie een verlof aan te vragen;
De verlofhouder dient uiterlijk twee weken voor de datum waarop de geldigheid van het verlof afloopt, het verlof ter verlenging aan te bieden aan de korpschef van politie, onder bijvoeging van de voor de verlenging benodigde KNSA-licentie of KNTS-licentie of lidmaatschapsbewijs van een niet bij de KNSA aangesloten maar wel door de KNSA gecertificeerde schietvereniging en zijn schietbeurtenregister;
De houder van het verlof houdt zich strikt aan de bepalingen, gesteld bij of krachtens de Wet wapens en munitie, alsmede aan de in het verlof vermelde voorschriften en beperkingen.
Indien ten behoeve van de schietsport een verlof tot het voorhanden hebben van een of meer vuurwapens is verleend, kunnen op dat verlof ook onder de WWM vallende onderdelen en hulpstukken (zie artikel 3 van de WWM) – bestemd voor deze vuurwapens – worden bijgeschreven. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan (reserve)onderdelen of aan wissellopen/wisselsets van een ander kaliber die het mogelijk maken om met een ander (goedkoper) kaliber munitie te schieten. Wisselsets en (reserve) onderdelen zoals lopen of sledes tellen niet mee bij het bepalen van het (maximum) aantal wapens op het verlof. Bij een eerste verlofaanvraag wordt geen verlof verleend voor een vuurwapen in een groter kaliber dan .22, ook al wordt daarbij een wisselset om te schieten in een groter kaliber meegeleverd. In voorkomende gevallen is een verlof voor het voorhanden hebben van een pistool met uitsluitend de wisselset .22 toegestaan, waarbij de wisselset in het grotere kaliber in bewaring blijft of wordt gegeven bij een erkenninghouder.
Voor de bijschrijving van een wisselloop/wisselset op het verlof dient de aanvrager een volledig ingevuld WM-3 formulier in te dienen waaruit blijkt voor welke erkende of gereglementeerde tak(ken) van schietsport de wisselloop/wisselset aangewend zal worden31Zie onderdeel B 2.6 voor de erkende takken van schietsport..
In artikel 18, aanhef en onder g van de RWM, is een vrijstelling voor patroonmagazijnen opgenomen. Deze vrijstelling geldt slechts voor personen die bevoegd zijn de daarbij behorende wapens of munitie voorhanden te hebben. Buiten de in deze vrijstelling bedoelde groep is voor het voorhanden hebben van patroonmagazijnen een verlof vereist. Patroonschakels, patroonbanden, patroonhouders en laadstrips zijn geen onderdelen en/of hulpstukken die specifiek bestemd zijn voor die wapens en van wezenlijke aard zijn en zijn derhalve niet verlofplichtig.
Aan de houder van een verlof tot het voorhanden hebben van een vuurwapen ten behoeve van de schietsport wordt in principe tevens een verlof verleend tot het voorhanden hebben van de bijbehorende categorie III munitie. De verlofhouder mag dus uitsluitend categorie III munitie voorhanden hebben die bestemd is om met het desbetreffende wapen te worden verschoten. Het voorhanden hebben van categorie II munitie is dus – met uitzondering van expanderende projectielen (zie hieronder) – niet toegestaan.
Het aantal stuks munitie dat een verlofhouder (en een jachtaktehouder) voorhanden mag hebben wordt in beginsel beheerst door de milieuwetgeving. Ingevolge het Activiteitenbesluit op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, mag de verlofhouder (jachtaktehouder) – zonder vergunning op grond van deze wet – 10.000 stuks eenheidspatronen voorhanden hebben. Indien bijzondere omstandigheden naar het oordeel van de korpschef daartoe nopen, kan op grond van de Wet wapens en munitie het aantal stuks munitie dat de verlofhouder voorhanden mag hebben, (gemotiveerd) worden beperkt.
De houder van een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie ten behoeve van de schietsport mag de bij die wapens behorende categorie III munitie voorhanden hebben alsmede munitie voorzien van expanderende projectielen. In artikel 2, tweede lid, categorie II, onder 4 is namelijk bepaald dat munitie voorzien van expanderende projectielen in principe categorie II munitie is tenzij deze munitie bestemd is voor de jacht of de schietsport. In dat geval dient deze munitie te worden aangemerkt als categorie III munitie.
Ook zogenoemde ‘losse flodders’ zijn munitie in de zin van artikel 1, onder 4, van de WWM32Zie de uitspraak van de Raad van State van 18 juli 2001 (nr: 200005685/1) en het arrest van de Hoge Raad van 24 november 1987.. Het bezit van deze categorie III munitie – die onder meer gebruikt wordt voor instructie doeleinden en bij re-enactment – is dus onder meer toegestaan voor houders van een verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens ten behoeve van de schietsport of ten behoeve van re-enactment.
Een ieder – aan wie een verlof of jachtakte is verleend voor het voorhanden hebben van een hagelgeweer en de bijbehorende (categorie III) munitie – mag op grond van deze vergunning (zonder extra aantekening) lood- en zinkhagelmunitie voorhanden hebben (bijvoorbeeld ter uitoefening van de jacht of de beoefening van de schietsport in het buitenland).
Op deze hoofdregel zijn echter twee belangrijke beperkingen van toepassing, namelijk:
Het gebruik van lood- en zinkhagel is – op grond van het Besluit kleiduivenschieten Wet milieugevaarlijke stoffen33Besluit van 19 mei 2004, houdende regels inzake het beperken van het kleiduivenschieten, Staatsblad 2004, 237 – bij het schieten op kleiduiven in Nederland niet toegestaan. Ook het voorhanden hebben van deze patronen tijdens het schieten op kleiduiven is verboden34Uitzondering op dit verbod is door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM), na overleg met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), gemaakt voor aangewezen topsporters en gebruikers van geweren die zijn vervaardigd voor 1 januari 1890 en geweren die voor wat betreft model, materiaal en systeem identiek zijn aan geweren die vervaardigd zijn voor 1 januari 1890 (replica’s). Uitsluitend op deze personen is het verbod tot en met 31 december 2008 niet van toepassing.. Het opzettelijk in strijd handelen met het Besluit kleiduivenschieten Wms is op grond van artikel 1a juncto artikel 2 van de Wet op de Economische Delicten (WED) aangemerkt als een ‘misdrijf’ en kan derhalve leiden tot intrekking van het verlof of de jachtakte;
Het gebruik van loodhagel is op grond van de Wet Natuurbescherming, niet toegestaan bij de uitoefening van de jacht of bij beheer- en/of schadebestrijding.
Schietsportdisciplines vormen een indeling van vormen van schietsport (binnen een wapengroep), die kunnen worden onderscheiden op grond van onder meer houding en positie, aantal schoten, soort wapen, gewicht, trekkerdruk, soort kaliber en schietafstand (takken van schietsport).
Zoals ook onder B2.1 vermeld kan alleen de beoefening van een aangewezen schietsportdiscipline in verenigingsverband naar mijn oordeel een redelijk belang opleveren in de zin van artikel 28, tweede lid WWM. Dat betekent dat alleen een verlof kan worden verleend, als sprake is van beoefening van een aangewezen schietsportdiscipline. In bijlage C8 zijn deze schietsportdisciplines aangewezen, waarbij tevens de wapentechnische eisen zijn benoemd, die gelden voor de binnen de schietsport te gebruiken vuurwapens. Het gaat om schietsportdisciplines die een gereglementeerde tak van schietsport betreffen. Het maatschappelijk belang is ermee gediend dat niet meer wapens in de samenleving in omloop komen dan uitsluitend die, die geschikt zijn voor schietsportdoeleinden. De technische eisen die aan de wapens worden gesteld betreffen naar mijn oordeel een wezenlijke aspecten van wapens en zijn daarom eveneens opgenomen in bijlage C8. Verder gelden de door de KNSA en KNTS opgestelde reglementen voor wat betreft de sporttechnische eigenschappen van de schietsportdisciplines. De reglementering staat ook onder invloed van de internationale regels voor de schietsport van de International Shooting Sport Federation (I.S.S.F.).
Ik laat het reglementeren van de sporttechnische eigenschappen van de schietdisciplines aan deze verenigingen over, omdat het bepalen welke sporttechnische eisen gesteld worden aan een schietsportactiviteit bij uitstek een taak van de landelijke schietsportbond of de landelijke bond van traditionele schutters is.
Hierbij zij aangetekend dat er – doordat de Nederlandse sportschutter onder meer door het deelnemen aan buitenlandse schietwedstrijden kennis neemt van nieuwe wedstrijdvormen – ook in Nederland een aantal nieuwe schietsportdisciplines zijn ontstaan. Nieuwe of (nog) niet aangewezen schietsportdisciplines kunnen voor aanwijzing schriftelijk bij de Minister van Justitie en Veiligheid aangemeld worden. Alvorens een besluit te nemen laat de minister zich adviseren door de ministeriële werkgroep advies Wet wapens en munitie en KNSA dan wel KNTS. De disciplines die niet door mij zijn aangewezen als schietsportdisciplines waarvan de beoefening in verenigingsverband een redelijk belang op kan leveren voor het voorhanden hebben van vuurwapens, dienen te worden beschouwd als zijnde facultatief. Zij leveren geen redelijk belang op bij het voorhanden hebben van vuurwapens die uitsluitend voor die disciplines zijn bestemd. Het staat de verlofhouder echter vrij om deze schietsportdisciplines te beoefenen met de vuurwapens die hij ten behoeve van het beoefenen van andere, wel aangewezen, schietsportdisciplines reeds bevoegd voorhanden heeft. Voor de verlofhouders die een KNTS-licentie hebben is alleen het beoefenen van de traditionele schietsportdisciplines toegestaan, aangewezen in in bijlage C8.
Er zijn bepaalde wapens die niet – ten behoeve van de schietsport – op een verlof mogen worden bijgeschreven. Een en ander hierover is opgenomen in de hierna volgende opsomming (zie ook de overgangsmaatregelen in B 2.8.1).
Het is verboden vuurwapens die beantwoorden aan de navolgende algemene kenmerken voorhanden te hebben.
Wapens met klapkolven, schuifkolven of telescopische kolven, tenzij deze kolven zodanig duurzaam zijn vastgezet dat ze als vaste kolven kunnen worden beschouwd; of het wapen – ongeacht de stand van de kolf – een minimale lengte van 60 centimeter heeft en de loop een minimale lengte van 30 centimeter;
Wapens waarmee (vol)automatisch kan worden geschoten en wapens waaraan het (vol)automatische karakter onvoldoende duurzaam is ontnomen;
Wapens waarvan de loop of de kolf is afgezaagd of op andere wijze ingekort, anders dan ter verbetering van de schietprestaties.
Deze opsomming van kenmerken is niet uitputtend en is slechts bedoeld als hulpmiddel. Aan de hand van de omschrijving van de categorieën in artikel 2 van de WWM moet worden nagegaan onder welke categorie het betrokken wapen valt en of het al dan niet is verboden. Het aanbrengen van aanpassingen aan wapens met als doel verbetering van de resultaten in de schietsport (gedacht kan worden aan het aanbrengen van speciale richtmiddelen, terugstoot- en opslagcompensatoren e.d.) leidt er niet toe dat een wapen als verboden moet worden aangemerkt.
Wapens die voldoen aan onderstaande criteria zijn ongewenst ten behoeve van de schietsport. Een verlofaanvraag voor een dergelijk wapen dient dan ook te worden afgewezen tenzij op de aanvraag de overgangsregeling (zie onderdeel B 2.8.1.) van toepassing is.
Vuurwapens die door de fabriek zijn vervaardigd om volautomatisch35Vuurwapens die op volautomatische wapens lijken maar die in een speciaal voor de civiele markt (schietsport) ontwikkelde (slechts) semi-automatisch vurende variant worden vervaardigd vallen niet onder deze beperking. mee te schieten maar waarin een duurzame blokkering is aangebracht of waarvan onderdelen duurzaam zijn aangepast zodat volautomatisch schieten onmogelijk is, tenzij dit is geschied voor 1 augustus 2005. Dit kan worden aangetoond door middel van:
Een door een erkenninghouder afgegeven en ondertekende verklaring waarin vermeld wordt dat de blokkering voor 1 augustus 2005 is aangebracht en dat de blokkering voldoet aan de eisen zoals opgenomen in bijlage C2 bij deze circulaire; of
Een kopie van een verlof ten behoeve van de schietsport waaruit blijkt dat het wapen voor 1 augustus 2005 op een verlof was bijgeschreven; of
Een verklaring van de korpschef van een politieregio waaruit blijkt dat het wapen voor 1 augustus 2005 op een verlof was bijgeschreven.
Schoudervuurwapens met een totale lengte van 60 cm (23,6 inch) of minderof een looplengte36De looplengte wordt bij pistolen en geweren gemeten inclusief de kamer en exclusief eventuele toevoegingen zoals vlamdempers, tenzij deze permanent, door lassen, hardsolderen of nagelen, aan de loop bevestigd zijn. Bij revolvers wordt de lengte van de cilinder niet meegerekend. van 30 cm (11,8 inch) of minder;
Schoudervuurwapens zonder schoudersteun;
Semi-automatische- en repeterende (pomp mechanisme, hendel- en grendelrepeteer) hagelgeweren37Onder een hagelgeweer dient te worden verstaan elk achterlaadgeweer in een hagelkaliber (12, 16, 20 etc.), niet zijnde een schutterijbuks.;
Vuurwapens voorzien van een geïntegreerde geluiddemper, met uitzondering van schutterijbuksen die specifiek gemaakt zijn voor gebruik bij de door regionale schutterijen en schuttersgilden georganiseerde historische geweerwedstrijden;
Meerloops pistolen;
Vuistvuurwapens in het kaliber 6.35 (.25 ACP) of met een looplengte van 2,5 inch (6,35 cm) of minder;
Vuurwapens welke uitsluitend waren toegestaan in de door de KNSA gereglementeerde discipline Gebruiksgeweer.
De in onderdeel B 2.7.2. genoemde (en dus in principe ongewenste) vuurwapens waarvan door de houder c.q. aanvrager van het verlof – kan worden aangetoond:
Dat deze ten aanzien van de onder 1 tot en met 7 genoemde wapens voor 1 augustus 2005 in Nederland op een verlof ten behoeve van de schietsport stonden geregistreerd of dat deze zich in de voorraad van een in Nederland gevestigde erkenninghouder bevonden en op grond van de Circulaire wapens en munitie 1997 (CWM 1997) niet reeds als ‘ongewenst wapen’ waren aangemerkt;
Dat deze ten aanzien van de onder 8 genoemde wapens voor 1 januari 2013, ten behoeve van de discipline Gebruiksgeweer in het kader van de schietsport, op een verlof stonden geregistreerd;
worden niet aangemerkt als zijnde voor de schietsport ongewenste vuurwapens. Deze overgangsregeling beoogt zoveel mogelijk te voorkomen dat verlof- en erkenninghouders financieel worden gedupeerd, als gevolg van het feit dat een als ‘ongewenst’ aangemerkt vuurwapen een deel (althans in Nederland) van zijn commerciële waarde verliest. De wapens die voldoen aan bovenstaande voorwaarden mogen op het verlof vermeld blijven dan wel zonder beperking worden verkocht aan de wapenhandel of aan een andere binnen- of buitenlandse vergunninghouder.
Let op: Bij een verlofaanvraag voor een dergelijk wapen is het aan de aanvrager om te bewijzen dat aan bovenstaande voorwaarden is voldaan. De aanvrager kan dit bijvoorbeeld aantonen door middel van het tonen (van een kopie) van het (oude) verlof van de vorige eigenaar of middels een schriftelijke verklaring van de erkenninghouder waaruit blijkt dat het wapen voor 1 augustus 2005 (voor zover het de onder B/2.7.2 onder 8 genoemde wapens betreft voor 1 januari 2013) in zijn voorraad aanwezig was. Middels een vergelijking met de registers van de erkenninghouder kan deze verklaring op juistheid worden gecontroleerd.
Wapens die reeds op grond van de CWM 1997 zijn aangemerkt als ‘ongewenst wapen’, en die ook op grond van de huidige CWM aangemerkt dienen te worden als ‘ongewenst wapen’, worden aldus vermeld op het verlof. Hiermee wordt het ongewenste karakter van het wapen blijvend vastgelegd. Indien de betrokken verlofhouder dit wapen op enig moment van het verlof wil afvoeren, dan mag hij het slechts verkopen of afstaan aan de wapenhandel, aan gespecialiseerde verzamelaars of aan personen in het buitenland en niet aan (Nederlandse) collega-sportschutters. Er mogen derhalve geen nieuwe verloven (ten behoeve van de schietsport) voor deze wapens worden afgegeven. Hiermee wordt een uitsterfsysteem gehanteerd.
Er kan zich de situatie voordoen, dat een voormalige verlofhouder, die in het verleden in het bezit was van een verlof, gedurende een aantal jaren, niet in het bezit was van een verlof. Aangenomen moet worden dat deze voormalige verlofhouders in het verleden hebben aangetoond dat aan hen het voorhanden hebben van vuurwapens kon worden toevertrouwd. Dit is voor de politie echter niet meer na te gaan voor verloven afgegeven vóór 2006, toen het Veronasysteem is ingevoerd. Dit betekent dat door aanvragers van een verlof geen beroep kan worden gedaan op eventuele rechten die dateren van vóór de invoering van Verona in 2006.
Indien een voormalige verlofhouder een aanvraag indient voor een nieuw verlof, kan deze verzoeken te bezien of een verlof kan worden verleend voor een ander vuurwapen dan normaal gesproken voor een nieuwe aanvrager zou gelden Deze overgangsmaatregel beoogt om de herintredende verlofhouder in de gelegenheid te stellen om zijn ‘oude’ schietsportdiscipline te beoefenen. Hierbij gelden nog de volgende uitgangspunten:
Voor de aanvrager geldt de bewijslast om het bestaan van de oude rechten aan te tonen.
Het bestuur van de schietvereniging dient, evenals reguliere aanvragen, zich er van te overtuigen dat de aanvrager beschikt over voldoende vaardigheid in de veilige omgang met vuurwapens en geeft daarover advies aan de korpschef.
Vrijgestelde wapens tellen niet mee voor het aantal toegestane wapens op een verlof.
Het beroep op de oude rechten moet toetsbaar zijn voor de korpschef.
Voor het doen van een beroep op oude rechten, moet de aanvrager voldoen aan het vereiste dat hij minimaal 1 jaar lid is van een schietsportvereniging en minimaal 18 schietbeurten in de afgelopen twaalf maanden bij een door de KNSA gecertificeerde schietsportvereniging of door de KNTS gecertificeerde vereniging hebben verricht.
Het verlof kan voor het eerste jaar slechts geldig zijn voor één vuurwapen, zij het dat daar geen beperkingen aan gesteld worden, zoals dit wel geldt voor de reguliere nieuwe aanvragers.
Het beroep op oude rechten kan niet gedaan worden in die gevallen waarin het voormalige verlof werd ingetrokken door de korpschef, voor een van de intrekkingsgronden zoals genoemd in artikel 7, tweede lid, van de Wet wapens en munitie of een eerdere tussentijdse aanvraag voor een verlof werd geweigerd door de korpschef op basis van artikel 7, eerste lid van de Wet wapens en munitie.
Airsoft apparaten zijn wapens die vallen onder categorie I, onderdeel 7, van de WWM (‘voorwerpen die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen lijken, dat voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn’). Dergelijke wapens zijn in principe verboden. Met de wijziging van de Wet wapens en munitie per 1 mei 2012 is het op grond van artikel 4, eerste lid, van de wet mogelijk geworden om vrijstelling te geven dan wel ontheffing te verlenen voor wapens (en munitie) indien zij aangewend worden voor (onder andere) sportdoeleinden. Er is voor gekozen om airsoft apparaten vrij te stellen voor leden van door de Minister van Justitie en Veiligheid erkende verenigingen die zich toeleggen op de uitoefening van de airsoft sport. Ook aspirant-leden en introducés van leden bedoelde verenigingen worden vrijgesteld van enkele in de WWM genoemde verboden handelingen. De vrijstelling geldt niet voor airsoft apparaten in de vorm van onder meer explosieven en soortgelijk andere verschijningsvormen.
Airsoft apparaten zijn veer-, gas- of luchtdrukwapens met een maximum schotkracht van 3.5 joules. Airsoft apparaten onderscheiden zich in die zin van veelal krachtiger categorie I, sub 7 en categorie IV veer-, gas- of luchtdrukwapens. Om te bepalen of sprake is van een airsoft apparaat zal echter primair gekeken moeten worden naar het voorkomen van het voorwerp: gelijkt het op een vuurwapen dat voor afschrikking geschikt is en beschikt het apparaat over een mechanisme (gas-, veer- of luchtdruk) waarmee projectielen (de ‘munitie’) kan worden uitgestoten Ook kan de bezitter van het voorwerp gevraagd worden naar zijn/haar bewijs van lidmaatschap (voorlopige lidmaatschapskaart voor aspirant-leden en een introducé-bewijs voor introducés) van een door de Minister erkende airsoftsportvereniging. Indien deze getoond kan worden, is dat een extra aanwijzing dat het een airsoft apparaat betreft. Pas in laatste instantie, als onduidelijkheid blijft bestaan over de aard van het voorwerp, zal onderzoek moeten worden gedaan naar de schotkracht van het voorwerp.
Projectielen, verschoten met een lucht-, gas- of veerdrukwapen vormen geen munitie in de zin van de Wet wapens en munitie. Airsoftapparaten maken derhalve geen gebruik van munitie in de zin van de Wet wapens en munitie. Omtrent de ‘munitie’ van airsoftapparaten worden dan ook geen (aanvullende) regels gesteld.
Onder een airsoft sportvereniging wordt verstaan: de vereniging die blijkens de in een notariële akte opgenomen statuten tot doel heeft haar leden in de gelegenheid te stellen om sportactiviteiten met behulp van een of meer airsoftapparaten te beoefenen (artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h en i, RWM). Alleen leden van de op grond van artikel 17a, eerste lid, RWM aangewezen vereniging(en) komen in aanmerking voor de in dit lid genoemde vrijstelling.
Een vereniging kan door het Ministerie van Justitie en Veiligheid aangewezen worden indien voldaan is aan de volgende, niet limitatieve, randvoorwaarden:
Er moet sprake zijn van een redelijk belang tot het erkennen van een vereniging. Het redelijk belang kan er uit bestaan dat de aan te wijzen vereniging de enige is die zich toelegt op de airsoft sport of een specifiek aspect van de airsoft sport.
Van belang is dat de vereniging en haar bestuur betrouwbaar zijn. De vereniging moet zich ook ten doel stellen om de betrouwbaarheid van airsoft sportbeoefenaren te bevorderen. Uit bijvoorbeeld statuten of huisregels van de vereniging moet blijken dat bestuursleden en leden getoetst worden aan dit criterium. Naast de verplichting voor bezitters van airsoft apparaten tot het overleggen van een VOG, verlof, jachtakte of erkenning (zie hieronder), kan gedacht worden aan het instellen van een ballotagecommissie en de beëindiging van het lidmaatschap bij gebleken twijfel aan betrouwbaarheid. Afhankelijk van de situatie kunnen meer eisen van dergelijke strekking worden gesteld, alvorens een vereniging in aanmerking komt voor een aanwijzing door de Minister. Teneinde deze afspraken vast te leggen, kan er bijvoorbeeld voor gekozen worden met de vereniging een convenant te sluiten.
De verenigingsstatuten bevatten in ieder geval de volgende bepalingen:
een bepaling die de term airsoft sport omschrijft;
een bepaling die de minimumleeftijd voor bestuursleden leden en introducés op ten minste 18 jaar stelt;
een bepaling die bepaalt dat ten aanzien van het bestuurslid en lid geen ‘vrees voor misbruik’ mag bestaan (zie B 1.);
een bepaling die stelt dat bestuursleden en aspirant-leden een verklaring omtrent gedrag, verlof, jachtakte of erkenning overleggen;
een bepaling voor introducés die ten minste stelt dat bedoelde personen maximaal zes keer per jaar als introducé aan evenementen mogen deelnemen en verder bepaalt dat de introducé steeds in het gezelschap is van een volwaardig lid;
een bepaling die leden verplicht de vereniging eenmaal per jaar een stuk te overleggen waaruit blijkt welke activiteiten het lid in het voorgaande jaar heeft ontplooid met betrekking tot de airsoft sport. In de bepaling wordt voorts opgenomen dat op basis van bedoeld stuk het bestuur van de vereniging beoordeelt of het lid nog steeds kan worden beschouwd als een actief en serieus airsoft sportbeoefenaar;
een bepaling die eisen ten aanzien van de leden stelt voor plaatsen waar airsoft apparaten zowel bij het lid thuis, als ook elders opgeborgen dienen te worden. Uitgangspunt van de bepaling is dat de bergplaats(en) voor airsoft apparaten voldoende garanties biedt/bieden om te voorkomen dat airsoft apparaten, behoudens in huis uit (inpandig) te voeren test-, (oefen-) en onderhoudsmomenten, terstond voor bedreiging en afdreiging aangewend kunnen worden;
De vereniging dient haar leden de faciliteiten te bieden om de airsoft sport serieus te beoefenen.
Hiertoe kan de vereniging wedstrijden/evenementen en overige relevante bijeenkomsten te organiseren.
De vereniging is verantwoordelijk voor het afgeven van introducé-bewijzen, waaruit blijkt dat bedoelde persoon conform de reglementen van de vereniging, erkend wordt als introducé. Voorts dient de vereniging een introducéregister bij te houden dat ten minste zeven jaar bewaard wordt.
De vereniging moet representatief zijn voor haar leden en dient zich in de openbaarheid te presenteren als belangenvereniging. Bij het oordeel over de vraag hoe representatief een verenging is, kunnen verschillende aspecten een rol spelen. Hierbij kan worden gedacht aan het aantal leden van de vereniging, de exclusiviteit en specialiteit van een vereniging, de aanwezige gebundelde kennis in een vereniging, de manier waarop de belangen van de achterban worden aangekaart in de politiek en bij de beleidsmakers, de wijze waarop de belangen van de vereniging worden behartigd, enzovoorts.
Indien de situatie ontstaat waarin een nieuwe vereniging aangewezen zou kunnen worden, wordt aan de hand van de WWM, RWM en deze beleidsregels beoordeeld of het een vereniging betreft die voor aanwijzing in aanmerking komt. Aan de hand van deze beoordeling en nader te maken afspraken met de aan te wijzen vereniging (bijvoorbeeld door middel van een convenant), kan uiteindelijk tot erkenning van de vereniging worden overgegaan.
De vereniging kan de status van aangewezen vereniging verliezen als ze aantoonbaar handelt in strijd met onder meer het convenant, de voorwaarden waaronder de aanwijzing heeft plaatsgevonden, of indien er zich in een situatie als omschreven artikel 7, tweede lid, van de WWM voordoet. Ook kan de vereniging de status van aangewezen vereniging verliezen indien de vereniging ophoudt te bestaan, dan wel in een andere rechtspersoon overvloeit of gedurende een tijdsbestek van meer dan een jaar geen leden met een verlof of een ontheffing meer heeft.
Gebleken is dat de airsoft sport veelal in internationaal verband beoefend wordt. Het is dan ook noodzakelijk om enkele regels te stellen ten aanzien van het voorhanden hebben en houden van airsoft apparaten door niet-ingezetenen van Nederland, die aan een door een airsoftvereniging georganiseerde activiteit deel te nemen. De in artikel 17e van de RWM omschreven vrijstelling geldt voor niet-ingezetenen van Nederland die aan een dergelijke activiteit deelnemen.
De handel in airsoft apparaten is voorbehouden aan erkenninghouders. Zie hiervoor de artikelen 8a en 10, sub d, van de RWM. Zie verder 1.4.3 van deze circulaire alsook de relevante artikelen uit de WWM en RWM.
Airsoft apparaten:
mogen tussen woning en een door een erkende airsoft vereniging georganiseerd(e) bijeenkomst/ evenement/wedstrijd, de erkende wapenhandelaar of de schietvereniging langs de weg en het tijdsbestek vervoerd worden welke redelijkerwijs voor het vervoer geboden zijn;
dienen tijdens het vervoer op een zodanig deugdelijke wijze te zijn verpakt dat zij niet terstond voor bedreiging of afdreiging aangewend kunnen worden;
worden voorhanden gehouden op het adres van het lid van de erkende airsoft vereniging die de eigenaar is van het airsoft apparaat;
worden uitsluitend gedragen op plaatsen waar de door de een door een erkende airsoft vereniging georganiseerd(e) wedstrijd/evenement/bijeenkomsten plaatsvindt;
Het dragen van airsoftapparaten op voor het publiek toegankelijk plaatsen, is slechts toegestaan indien de verantwoordelijke korpschef schriftelijk toestemming heeft verleend aan betreffende vereniging om de wedstrijd/het evenement/de bijeenkomst te houden, met uitzondering van de openbare weg.
Airsoft sport wordt meestal in de openbare ruimte (publiek toegankelijke plaatsen) beoefend. Om dat te kunnen doen is voorafgaande schriftelijke toestemming van de korpschef benodigd (artikel 17c, tweede lid, onder b, RWM). Die toestemming wordt in ieder geval onthouden of ingetrokken indien er geen redelijke maatregelen ter voorkoming van bedreiging en afdreiging door de airsoft apparaten zijn getroffen, dan wel indien misbruik is te vrezen. Het is dus mogelijk dat er zich andere situaties kunnen voordoen die voor de korpschef aanleiding kunnen vormen om toestemming te onthouden of weer in te trekken. Deze moeten echter wel verband houden met de veiligheid of het veiligheidsgevoel van personen die zich in de nabijheid van het georganiseerde evenement bevinden. Als door omwonenden bezwaar wordt gemaakt tegen een (te organiseren) evenement, is dit een indicatie om te bepalen of het veiligheidsgevoel in het geding is. In het uiterste geval is als concrete situatie te denken aan een evenement dat op 4 mei (Dodenherdenking) zou moeten plaatsvinden in de nabijheid van een herdenkingsplaats. Het kan zijn dat omwonenden op een deze specifieke dag in het jaar niet geconfronteerd willen worden met (gesimuleerde) gevechtshandelingen en bewaar tegen een dergelijk voornemen maken.
In de RWM wordt in artikel 17, lid 2, onder b bepaald dat het vervoeren van airsoft apparaten onder meer is toegestaan als er sprake is van vervoer van en naar door de airsoft vereniging aangewezen bijeenkomsten en beurzen in het kader van de airsoft sport of voor de airsoft sport te gebruiken wedstrijdterreinen. Een bijeenkomst kan als zodanig worden aangemerkt, indien er een verwijzing naar de bijeenkomst op de website van de erkende airsoft vereniging staat. Hetzelfde geldt voor bijeenkomsten in de openbare ruimte, waarvoor in artikel 17c, lid 2 onder c bepaald is dat deze door de erkende airsoft vereniging georganiseerd zijn. Ook deze dienen op de website van de airsoft vereniging als zodanig vermeld te worden. In het geval een handhaver iemand staande houdt voor het vervoeren van een airsoft apparaat, kan de handhaver verifiëren of het door de aangehouden persoon genoemde evenement inderdaad op de website van de erkende vereniging vermeld wordt als aangewezen dan wel door de erkende airsoft vereniging georganiseerde bijeenkomst of beurs in het kader van de airsoft sport. Daarnaast moet uiteraard vastgesteld worden of de persoon in kwestie ook anderszins bevoegd is tot het vervoeren van een airsoft apparaat (lidmaatschap van een erkende airsoft vereniging).
Voor het doen binnenkomen van een airsoft apparaat in Nederland gelden de volgende principes: als een reiziger een airsoft apparaat bij zich heeft, moet hij een origineel lidmaatschapsbewijs van een erkende airsoft vereniging kunnen tonen. Als airsoft apparaten via cargo of als post-, pakket- en koerierszending binnenkomen en in Nederland in het vrije verkeer worden gebracht, kunnen deze apparaten worden vrijgegeven als bij de aangifte(behandeling) een origineel lidmaatschapsbewijs of een kopie hiervan wordt overgelegd.
In artikel 1, onder 3, van de Wet wapens en munitie is een ‘vuurwapen’ gedefinieerd als: ‘een voorwerp bestemd of geschikt om projectielen of stoffen door een loop af te schieten, waarvan de werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing of een andere scheikundige reactie’.
In artikel 3, eerste lid, van de Wet wapens en munitie is bepaald dat de bepalingen betreffende wapens mede van toepassing zijn op onderdelen en hulpstukken die specifiek bestemd zijn voor die wapens en van wezenlijke aard zijn. Derhalve zijn de wettelijke bepalingen die gelden voor wapens ook van toepassing op essentiële onderdelen van vuurwapens zoals onder meer de loop, de kast, de slede, alsmede de cilinder van een revolver, de grendel, het staartstuk en de afsluiter van een geweer, de bascule van basculerende geweren en patroonmagazijnen.
Ingevolge artikel 18 van de Regeling wapens en munitie (RWM), geldt er een vrijstelling voor het voorhanden hebben, vervoeren, overdragen, doen binnenkomen en doen uitgaan van wapens die het karakter hebben van oudheden dan wel vuurwapens die voor gebruik als zodanig ongeschikt zijn gemaakt op de wijze, beschreven in EU uitvoeringsverordening 2015/2403 of – voor vuurwapens die onklaar zijn gemaakt voor de inwerkingtreding van bovengenoemde EU uitvoeringsverordening per 8 april 2016 in bijlage II bij de regeling, die formeel is komen te vervallen. Om te bepalen of een bepaald type vuurwapen onder deze vrijstellingen valt of dat het wapen vergunning plichtig is (afhankelijk van de categorie een verlof of een ontheffing) kan er (als hulpmiddel) gebruik worden gemaakt van het beslissingsschema dat is opgenomen als bijlage C1 bij deze circulaire. Voor deze categorieën wapens geldt dat door de korpschef geen maximum mag worden gesteld aan het aantal wapens dat verzameld mag worden.
Personen die houder zijn van een onklaar gemaakt vuurwapen dat voor 8 april 2016 onklaar is gemaakt volgens de oude normen van de Bijlage II van de Rwm (die overigens vervallen is per 28 mei 2016), kunnen deze wapens voorhanden blijven houden. Indien deze wapens worden vervreemd of mee worden genomen naar een andere lidstaat binnen de EU, dienen die wapens te worden voorzien van een verklaring van de controlerende autoriteit, zoals bedoeld in de EU uitvoeringsverordening.
Daarnaast is in artikel 18, eerste lid, onder g, van de RWM een vrijstelling opgenomen voor het voorhanden hebben, vervoeren, overdragen, doen binnenkomen en doen uitgaan van patroonmagazijnen (uitsluitend) ten behoeve van personen die bevoegd zijn de wapens of de munitie waarvoor deze voorwerpen bestemd zijn voorhanden te hebben.
Met betrekking tot het verzamelen van vuurwapens die niet onder de vrijstellingsregeling van artikel 18 van de Regeling wapens en munitie vallen, geldt het volgende: Het houden van een verzameling vuurwapens kan worden aangemerkt als een redelijk belang dat de verlening van een verzamelverlof rechtvaardigt, indien het gaat om:
verzamelingen van algemeen wetenschappelijk of historisch belang, zoals die worden gehouden door musea en soortgelijke instellingen (voor de inhoud van het begrip museum wordt verwezen naar onderdeel B 3.6.); en
verzamelingen gehouden door individuele wapenverzamelaars, die in georganiseerd verband een serieuze studie maken van de historische, culturele of technische ontwikkeling van vuurwapens. Slechts personen die lid zijn van een door de Minister van Justitie en Veiligheid erkende vereniging van wapenverzamelaars, zoals de ‘Nederlandse Vereniging ter Bevordering en Instandhouding van Wapenverzamelingen, Edouard de Beaumont’, komen hiervoor in aanmerking.
Ad. a.
In het geval het verlof wordt verleend ten behoeve van een door een museum of dergelijke instelling te houden verzameling, wordt in het verlof achter ‘Naam’ de naam van deze instelling vermeld, waarachter opgenomen de tekst: ‘ten deze vertegenwoordigd door...’; vervolgens wordt de naam van de persoon vermeld die voor de genoemde instelling als beheerder van de wapens zal optreden.
Ad. b.
Om als individuele wapenverzamelaar in aanmerking te komen voor de verlening van een verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens van categorie III voor verzameldoeleinden dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan:
de leeftijd van de aanvrager is tenminste 18 jaar;
ten aanzien van de aanvrager mag geen ‘vrees voor misbruik’ bestaan (zie B 1.);
de aanvrager dient lid te zijn van een door de Minister van Justitie en Veiligheid erkende vereniging van wapenverzamelaars, zoals de ‘Nederlandse Vereniging ter Bevordering en Instandhouding van Wapenverzamelingen, Edouard de Beaumont’;
de aanvrager dient een positief luidend (schriftelijk en ondertekend) advies te overleggen van het bestuur van de erkende vereniging van wapenverzamelaars waarvan de aanvrager lid is;
de aanvrager dient, bij een eerste aanvraag dan wel bij een wijziging in het verzamelgebied, een verzamelplan te overleggen dat voldoet aan de in onderdeel B 3.1.3 gestelde eisen en waarop het bij ‘d’ genoemde advies is gebaseerd;
Om als individuele wapenverzamelaar in aanmerking te komen voor de verlening van een ontheffing tot het voorhanden hebben van vuurwapens van categorie II voor verzameldoeleinden dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan:
de leeftijd van de aanvrager is tenminste 18 jaar;
ten aanzien van de aanvrager mag geen ‘vrees voor misbruik’ bestaan (zie B 1.);
de aanvrager dient minimaal drie jaar lid te zijn van een door de Minister van Justitie en Veiligheid erkende vereniging van wapenverzamelaars, zoals de ‘Nederlandse Vereniging ter Bevordering en Instandhouding van Wapenverzamelingen, Edouard de Beaumont’;
de aanvrager dient een positief luidend (schriftelijk en ondertekend) advies te overleggen van het bestuur van de erkende vereniging van wapenverzamelaars waarvan de aanvrager lid is;
de aanvrager dient, bij een eerste aanvraag dan wel bij een wijziging in het verzamelgebied, een verzamelplan te overleggen dat voldoet aan de in onderdeel B 3.1.3 gestelde eisen en waarop het bij ‘d’ genoemde advies is gebaseerd.
Het houden van een verzameling van vuurwapens wordt slechts toegestaan aan individuele wapenverzamelaars indien zij in georganiseerd verband een serieuze studie maken van de historische, culturele of technische ontwikkeling van vuurwapens, die gericht is op het verkrijgen en vastleggen van informatie die relevant is voor een bredere kring van personen (zoals andere wapendeskundigen, overheidsfunctionarissen, wetenschappers, historici e.d.). Daarnaast kan ook het behouden (conserveren) van bijzondere wapen(s) (collecties) voor het nageslacht bijdragen aan de conclusie dat een individuele verzamelaar een redelijk belang heeft voor de verkrijging van een daartoe strekkend verlof en/of ontheffing.
Omdat in de praktijk gebleken is dat het erg lastig is om te beoordelen of er sprake is van een redelijk belang voor de verlening van een verlof en/of ontheffing ten behoeve van verzameldoeleinden is in overleg met de ‘Nederlandse Vereniging ter Bevordering en Instandhouding van Wapenverzamelingen, Edouard de Beaumont’ besloten om op dit punt een belangrijker rol en verantwoordelijkheid, toe te kennen aan het bestuur van deze vereniging. Dit heeft onder meer geleid tot de oprichting van een adviescommissie die aan de hand van een door het aspirant-lid in te dienen verzamelplan het bestuur adviseert over het al dan niet uitbrengen van een positief advies.
Om aan te kunnen tonen dat er sprake is van een redelijk belang dient de aanvrager een verzamelplan te overleggen waarin minimaal aan de volgende elementen (uitvoerig) aandacht moet zijn besteed:
Het onderwerp, het verzamelgebied c.q. de specialisatie van de verzameling38Meervoudige specialisatie is in sommige gevallen mogelijk maar vereist wel een nadere motivering.;
Het belang van de beoogde verzameling;
In hoeverre de beoogde verzameling bijdraagt aan de vermeerdering van de totale kennis in Nederland op het gebied van wapens;
Hoe de verzameling opgebouwd zal worden;
Of binnen de specialisatie ook wapens van categorie II vallen en zo ja, bij benadering hoeveel;
Welke activiteiten de aanvrager op het gebied van zijn specialisatie heeft ontplooid (indien mogelijk met bijgevoegde kopieën van eventueel geschreven tekstmateriaal);
Drie referenties, waarvan tenminste één van binnen en één van buiten de vereniging;
Een verklaring van de mentor die de aanvrager heeft begeleid;
De wijze waarop de wapens opgeslagen zullen worden en hoe de beveiliging is geregeld. De bergplaats of bergruimte dient te voldoen aan hetgeen gesteld is in onderdeel B 9 of aan de specifieke beveiligingseisen die eventueel zijn overeengekomen met de korpschef39Om veiligheidsredenen mag de informatie over de beveiliging van de verzameling middels een aparte verklaring worden aangeleverd. Deze verklaring wordt door de vereniging niet gearchiveerd..
Om in aanmerking te komen voor de verlenging van een verlof of een ontheffing tot het voorhanden hebben van vuurwapens van categorie III respectievelijk categorie II voor verzameldoeleinden dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan:
ten aanzien van de aanvrager mag geen ‘vrees voor misbruik’ bestaan (zie B 1.);
de aanvrager dient lid te zijn van een door de Minister van Justitie en Veiligheid erkende vereniging van wapenverzamelaars, zoals de ‘Nederlandse Vereniging ter Bevordering en Instandhouding van Wapenverzamelingen, Edouard de Beaumont’;
de aanvrager dient éénmaal per vijf jaar een schriftelijke verklaring van het bestuur van de vereniging te overleggen waaruit blijkt welke activiteiten de aanvrager de afgelopen vijf jaar heeft ontplooid met betrekking tot zijn verzameling en op basis waarvan door het bestuur wordt geconcludeerd dat de aanvrager nog steeds kan worden beschouwd als een actief en serieus verzamelaar. De op de verklaring vermelde activiteiten hoeven niet verder door de korpschef getoetst te worden, dit is de taak van het bestuur van de vereniging. Indien er echter serieuze twijfels zijn over de vraag of de aanvrager nog langer aangemerkt kan worden als een serieus verzamelaar dan kan er contact worden opgenomen met het bestuur van de vereniging en/of het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
De onder c genoemde voorwaarde dat een aanvrager actief verzamelaar is, vervalt bij personen die de leeftijd van 70 jaar of ouder bereikt hebben. In de praktijk blijkt dat bij verzamelaars van deze leeftijdscategorie het aantal verzamelactiviteiten afneemt, terwijl nog wel sprake is van het passieve beheer van een verzameling. De overige onder c, alsook onder a en b genoemde voorwaarden gelden voor verzamelaars van deze leeftijdscategorie, onverkort.
Aan het verlof c.q. de ontheffing dienen de volgende beperkingen en voorschriften te worden verbonden, die hieronder worden opgesomd. Er kunnen door de korpschef geen beperkingen worden gesteld aan het aantal wapens dat de verzameling omvat, Overige beperkingen vloeien vooruit uit het in 3.1.3 genoemde verzamelplan, zoals vastgesteld door de erkende vereniging van wapenverzamelaars.
BEPERKINGEN:
De verzameling mag uitsluitend voor studiedoeleinden worden aangelegd en onderhouden (geldt niet voor musea e.d.);
De verlof- c.q. ontheffinghouder dient zich in zijn verzameling te specialiseren (geldt niet voor musea e.d.). De specialisatie wordt verwoord in het verzamelplan waarbij de specialisatie van de verzameling aan minimaal twee van de hieronder genoemde criteria moet voldoen. Hiervan kan slechts met nadrukkelijke schriftelijke instemming van het bestuur van de erkende vereniging van wapenverzamelaars, worden afgeweken. De volgende criteria zijn van toepassing:
het land of de regio van herkomst van de wapens;
de periode waarin de wapens werden ontworpen, vervaardigd of gebruikt;
het soort wapen;
het merk wapen.
Het verlof c.q. de ontheffing tot vervoer, voor zover verleend, is beperkt tot het vervoeren van de vuurwapens tussen de plaats waar de wapens normaliter voorhanden worden gehouden en de plaats waar het gebruik ingevolge de bestemming is toegestaan. Dit is uitsluitend een plaats waar door de verzamelaarsvereniging een georganiseerde bijeenkomst van vuurwapenverzamelaars wordt gehouden (waaronder begrepen lezingen, demonstraties en praktijkonderzoek), een politiebureau, het museum waar de wapens van de verzamelaar blijkens de goedkeuring van de korpschef als genoemd onder 3.5.2 tentoon zullen worden gesteld en de erkende wapenhandelaar. Het vervoer dient plaats te vinden langs de weg en binnen het tijdsbestek welke daar redelijkerwijze voor zijn geboden. De verlofhouder dient te kunnen aantonen naar een dergelijke bestemming op weg te zijn dan wel daar vandaan te komen.
VOORSCHRIFTEN:
De verlof- c.q. ontheffing houder dient de bepalingen, bij of krachtens de Wet wapens en munitie en de Wet milieubeheer gesteld, stipt na te leven;
Bij een bezoek aan buitenlandse beurzen e.d. dient het vervoer van de verzameling gedekt te zijn door een consent;
Geen munitie, vuurwapens en wezenlijke onderdelen daarvan mogen worden afgeleverd-, of afgestaan aan-, of geruild met onbevoegden;
De verzameling dient nauwkeurig en op overzichtelijke wijze te worden gecatalogiseerd en beschreven.
De verlof- c.q. ontheffing houder dient bij het omgaan met vuurwapens zodanige voorzichtigheid en zorg te betrachten, dat gevaar voor hemzelf en derden uitgesloten moet worden geacht.
In artikel 1, onder 4, van de Wet wapens en munitie is ‘munitie’ gedefinieerd als: ‘patronen en andere voorwerpen, bestemd of geschikt om een projectiel of een giftige, verstikkende, weerloos makende, traan verwekkende of soortgelijke stof door middel van een vuurwapen af te schieten of te verspreiden, alsmede projectielen bestemd om afgeschoten te worden door middel van een vuurwapen’.
Volgens deze definitie moet munitie dus bestemd of geschikt zijn om door middel van een vuurwapen projectielen of stoffen af te schieten of te verspreiden. Ook een zogenoemde losse patroon/losse flodder is munitie in de zin van de Wet wapens en munitie omdat in de praktijk is gebleken dat het mogelijk is om met dergelijke patronen projectielen te verschieten. In de uitspraak van de Raad van State van 18 juli 2001 (zaaknummer: 200005685/1)is, in lijn met de reeds bestaande jurisprudentie hierover, nogmaals bevestigd dat zogenaamde ‘losse patronen’ dienen te worden aangemerkt als munitie in de zin van de Wet wapens en munitie. Voor zogenaamde doorsnedes van patronen geldt
Dat voor zover deze niet meer bestemd of geschikt zijn om af te schieten, zij geen munitie zijn in de zin van artikel 1, onder 4, van de WWM.
In artikel 3, tweede lid, van de Wet wapens en munitie is bepaald dat de bepalingen betreffende munitie mede van toepassing zijn op onderdelen van die munitie, voor zover deze onderdelen
geschikt zijn om munitie van te maken. Derhalve zijn de wettelijke bepalingen die gelden voor munitie ook van toepassing op losse projectielen (kogels) en (niet gebruikte) slaghoedjes en hulzen. Ingevolge artikel 18, aanhef en onder f en i, van de Regeling wapens en munitie, geldt er echter een vrijstelling voor het voorhanden hebben, vervoeren, over dragen, doen binnenkomen en doen uitgaan van kennelijk gebruikte lege patroon- en kardoeshulzen, voor zover die bestemd zijn voor of deel uitmaken van een verzameling of patroonbord.
Met betrekking tot het verzamelen van andere soorten munitie (of onderdelen daarvan) dan kennelijk gebruikte lege patroon- en kardoeshulzen en patronen op patroonborden, geldt het volgende: Het houden van een munitieverzameling kan worden aangemerkt als een redelijk belang dat de verlening van een verlof of een ontheffing rechtvaardigt, indien het gaat om:
verzamelingen van algemeen wetenschappelijk of historisch belang, zoals die worden gehouden door musea en soortgelijke instellingen (voor de inhoud van het begrip museum wordt verwezen naar onderdeel B/3.1.); en
verzamelingen gehouden door individuele munitieverzamelaars, die in georganiseerd verband een serieuze studie maken van de historische, culturele of technische ontwikkeling van munitie. Slechts personen die lid zijn van een bij de ‘European Cartridge Research Association’ aangesloten vereniging, zoals de ‘Nederlandse Vereniging ter Bestudering van Munitie en Ballistiek’, komen hiervoor in aanmerking.
Ad. a.
In het geval het verlof wordt verleend ten behoeve van een door een museum of dergelijke instelling te houden verzameling, wordt in het verlof achter ‘Naam’, de naam van deze instelling vermeld, waarachter opgenomen de tekst: ‘ten deze vertegenwoordigd door...’; vervolgens wordt de naam van de persoon vermeld die voor de genoemde instelling als beheerder van de munitie zal optreden.
Ad. b.
Om in aanmerking te komen voor de verlening van een verlof tot het voorhanden hebben van munitie voor verzameldoeleinden dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan:
de leeftijd van de aanvrager is tenminste 18 jaar;
ten aanzien van de aanvrager mag geen ‘vrees voor misbruik’ bestaan (zie B 1.);
de aanvrager dient lid te zijn van een bij de ‘European Cartridge Research Association’ aangesloten vereniging, zoals de ‘Nederlandse Vereniging ter Bestudering van Munitie en Ballistiek’;
Bij een eerste aanvraag dient de aanvrager tevens een schriftelijke verklaring van het bestuur van de vereniging te overleggen welke een vermelding bevat van de munitiesoort of aanverwante munitiesoorten waarin de aanvrager zich wil specialiseren en waaruit blijkt dat de aanvrager voldoende kennis van deze munitie heeft om de verzameling op een veilige en verantwoorde wijze aan te leggen en te onderhouden.
In artikel 18a van de Regeling wapens en munitie is bepaald dat houders van een verlof tot het voorhanden hebben van categorie III munitie ten behoeve van verzameldoeleinden tevens categorie II munitie voorhanden mogen hebben voor zover:
de bevoegdheden van de houder van het verlof tot voorhanden hebben, onderscheidenlijk het verlof tot vervoer, met betrekking tot de munitie van categorie II niet verder reiken dan die met betrekking tot de munitie van categorie III;
de munitie of onderdelen van munitie passen binnen de op het verlof omschreven specialisatie;
munitie met een kaliber boven de 12,7 millimeter (.50) niet voorzien is van brisante ladingen; en
munitie met een kaliber boven de 19 millimeter niet voorzien is van brisante ladingen en bovendien geen voortdrijvende ladingen bevat.
Indien een verzamelaar categorie II munitie wenst te verzamelen die niet binnen de bovengenoemde vrijstelling valt, of indien hij uitsluitend categorie II munitie wil verzamelen, dan dient hij hiervoor een ontheffing aan te vragen bij de Minister van Justitie en Veiligheid.
Om in aanmerking te komen voor de verlening van een ontheffing tot het voorhanden hebben van munitie van categorie II dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan:
de leeftijd van de aanvrager is tenminste 18 jaar;
ten aanzien van de aanvrager mag geen ‘vrees voor misbruik’ bestaan (zie B 1.);
de aanvrager dient lid te zijn van een bij de ‘European Cartridge Research Association’ aangesloten vereniging, zoals de ‘Nederlandse Vereniging ter Bestudering van Munitie en Ballistiek’.
Bij een eerste aanvraag dient de aanvrager tevens een schriftelijke verklaring van het bestuur van de vereniging te overleggen waarin is aangeven in welke categorie II munitiesoort of aanverwante munitiesoorten de aanvrager zich wil specialiseren en dat de aanvrager voldoende kennis van deze munitie heeft om deze verzameling op een veilige en verantwoorde wijze aan te leggen en te onderhouden.
Indien een verzamelaar inerte40(hand)granaten, mijnen en dergelijke mogen dus geen voortdrijvende, brisante, giftige, verstikkende, weerloos makende, traan verwekkende of een soortgelijke lading bevatten. handgranaten, mijnen en dergelijke (wapens in de zin van artikel 2, categorie II, onder 7, van de WWM) wil verzamelen dan wel nabootsingen (wapens in de zin van artikel 2, categorie I, onder 7, van de WWM) hiervan dan dient hij hiervoor een ontheffing aan te vragen bij de Minister van Justitie en Veiligheid.
Om in aanmerking te komen voor de verlening van een ontheffing tot het voorhanden hebben van categorie I of II wapens zoals (nabootsingen van) inerte (hand)granaten en mijnen voor verzameldoeleinden dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan:
de leeftijd van de aanvrager is tenminste 18 jaar;
ten aanzien van de aanvrager mag geen ‘vrees voor misbruik’ bestaan (zie B 1.);
de aanvrager dient minimaal drie jaar lid te zijn van een bij de ‘European Cartridge Research Association’ aangesloten vereniging, zoals de ‘Nederlandse Vereniging ter Bestudering van Munitie en Ballistiek’ hetgeen kan worden aangetoond middels een schriftelijke verklaring van het bestuur van de vereniging;
Bij een eerste aanvraag dient de aanvrager tevens een schriftelijke verklaring van het bestuur van de vereniging te overleggen waarin is aangeven in welke soort inerte (hand)granaten, mijnen en dergelijke, dan wel nabootsingen hiervan, de aanvrager zich wil specialiseren en waaruit blijkt dat de aanvrager voldoende kennis van deze wapens heeft om deze verzameling op een veilige en verantwoorde wijze aan te leggen en te onderhouden.
Aan het verlof c.q. de ontheffing dienen de volgende beperkingen en voorschriften te worden verbonden:
BEPERKINGEN:
De verzameling mag uitsluitend voor studiedoeleinden worden aangelegd en onderhouden (geldt niet voor musea e.d.);
De verlof- c.q. ontheffing houder dient zich in zijn verzameling te specialiseren (geldt niet voor musea e.d.) en derhalve dient de verzameling beperkt te blijven tot een bepaalde munitiesoort of bepaalde aanverwante munitiesoorten.
Naast de studieverzameling mag een ruilvoorraad van dezelfde kalibers en soorten als binnen de verzameling passen, alsmede van afwijkende kalibers, voorhanden worden gehouden;
De verzameling mag omvatten munitie en/of componenten daarvan in al dan niet geladen toestand, met dien verstande dat het projectiel van munitie met een kaliber boven de 12,7 mm (.50) niet voorzien mag zijn van brisante ladingen of ander energetisch materiaal, en munitie met een kaliber boven de 19 mm bovendien geen voortdrijvende ladingen en geen werkzame ontsteking41Omdat slaghoedjes van kalibers boven de 19 millimeter doorgaans een grotere hoeveelheid slagsas bevatten en vaak ook een extra aanvuurlading voor het snel ontsteken van de relatief grote hoeveelheid kruit, kan hier een zekere gevaarzetting van uitgaan. Door deze beperking wordt dit uitgesloten en is alle kogelmunitie van een kaliber boven de 19 millimeter volledig ontdaan van alle chemische lading. mag bevatten. Hagel- en seinpatronen zijn van deze beperkingen uitgezonderd; (hand- en geweer)granaten, (land)mijnen alsmede de overige (onderdelen van) wapens zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, categorie II, onder 7º, van de Wet wapens en munitie mogen geen voortdrijvende, brisante, giftige, verstikkende, weerloos makende, traan verwekkende of een soortgelijke lading bevatten42Alleen van toepassing bij de verlening van een ontheffing ex artikel 4 van de Wet wapens en munitie.;
Het totale aantal gevulde patronen en/of geladen componenten daarvan, mag het aantal van 10.000 stuks niet te boven gaan, tenzij een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer is verleend;
Het verlof c.q. de ontheffing tot vervoer, voor zover verleend, is beperkt tot het vervoeren van de munitie tussen de plaats waar de munitie normaliter voorhanden wordt gehouden, de plaats waar een bijeenkomst van munitieverzamelaars wordt gehouden, een politiebureau, het museum waar de munitie van de verzamelaar blijkens de goedkeuring van de korpschef als genoemd onder 3.5.2 ten toon zullen worden gesteld en de erkende wapenhandelaar, langs de weg en binnen het tijdsbestek welke daar redelijkerwijze voor zijn geboden. De verlofhouder dient te kunnen aantonen naar een dergelijke bijeenkomst op weg te zijn dan wel daarvandaan te komen.
VOORSCHRIFTEN:
De verlof- c.q. ontheffing houder dient de bepalingen, bij of krachtens de Wet wapens en munitie en de Wet milieubeheer gesteld, stipt na te leven;
Bij een bezoek aan buitenlandse beurzen e.d. dient het vervoer van de verzameling gedekt te zijn door een consent;
Geen munitie en/of componenten daarvan mogen worden afgeleverd-, of afgestaan aan-, of geruild met onbevoegden;
Ten bewijze van het feit, dat de verlofhouder het verzamelen serieus beoefent, dient hij lid te zijn van de ‘Nederlandse Vereniging ter Bestudering van Munitie en Ballistiek’ of van één der andere, bij de
‘European Cartridge Research Association’ aangesloten verenigingen (geldt niet voor musea e.d.). De verzameling dient nauwkeurig en op overzichtelijke wijze te worden gecatalogiseerd en beschreven.
De munitie moet, voor zover het geladen patronen betreft, worden bewaard in een deugdelijk afgesloten, en voor onbevoegden niet gemakkelijk te bereiken bergplaats.
De verlof- c.q. ontheffing houder dient bij het omgaan met munitie zodanige voorzichtigheid en zorg te betrachten, dat gevaar voor hemzelf en derden uitgesloten moet worden geacht.
De Minister van Justitie en Veiligheid heeft – gelet op de geringe gevaarzetting verbonden aan het voorhanden hebben van patroonmagazijnen door personen die bevoegd zijn de wapens en/of de munitie waarvoor deze voorwerpen bestemd zijn voorhanden te hebben – in artikel 18, eerste lid, aanhef en onder g van de RWM, een vrijstelling van het verbod om patroonmagazijnen te doen binnenkomen of uitgaan, te vervoeren, voorhanden hebben en over te dragen, voor deze groep personen verleend.
De vrijstelling is naast voor sportschutters en jagers, ook met name bedoeld voor munitie- en wapenverzamelaars. Personen die niet in enig georganiseerd verband wapens- of munitie verzamelen, maar die wel een gedegen studie van toe- of afvoermechanismen maken en die bevoegd zijn (wapens of) munitie (waarvoor de patroonmagazijnen bestemd zijn) voorhanden te hebben, vallen eveneens onder de werking van deze vrijstellingsregeling. De verzamelaar zal zich moeten specialiseren en de verzameling dient nauwkeurig en op overzichtelijke wijze te worden gecatalogiseerd en beschreven.
Het is niet toegestaan de verzameling te vermelden op een verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens ten behoeve van de schietsport.
Indien een verlof tot het voorhanden hebben van patroonmagazijnen wordt verleend ten behoeve van een door een museum43Voor de definitie van het begrip museum, zie onderdeel B 3.6. of een daarmee vergelijkbare instelling te houden verzameling, wordt in het verlof achter ‘Naam’, de naam van deze instelling vermeld, waarachter opgenomen de tekst: ‘ten deze vertegenwoordigd door...’. Vervolgens wordt de naam van de persoon vermeld die voor de genoemde instelling als beheerder van de wapens zal optreden. De aanvraag moet in dit geval worden ingediend bij de politiechef van de regionale eenheid van politie waarbinnen de gemeente valt waarin de instelling of het museum is gevestigd en waar de wapens voorhanden zullen worden gehouden.
Alle stiletto-, vlinder- en valmessen zijn verboden. Tot de inwerkingtreding van de wijziging van de Wet wapens munitie op 1 mei 2012 (Stb. 2011, 447) waren op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder 1, van de Wet wapens en munitie slechts die stiletto’s, valmessen en vlindermessen verboden, waarvan het lemmet:
meer dan één snijkant heeft;
7 centimeter of langer en 14 millimeter of smaller is;
9 centimeter of langer is, of
Van een stootplaat is voorzien.
Stiletto-, vlinder- en valmessen die buiten deze omschrijving vielen konden door burgers vrij voorhanden worden gehouden en daarmee door wapenverzamelaars zonder verlof of ontheffing worden verzameld. Met de inwerkingtreding van voornoemde wetswijziging is dit niet langer het geval. Wel kan aan een wapenverzamelaar, indien hij of zij voldoet aan de voorwaarden die hieronder genoemd worden, een ontheffing worden verleend voor het verzamelen van g stiletto-, vlinder- en valmessen die tot 1 mei 2012 vrij voorhanden gehouden mochten worden. Het houden van een verzameling stiletto-, vlinder- en valmessen kan worden aangemerkt als een redelijk belang dat de verlening van een ontheffing ten behoeve van het voorhanden hebben van wapens van categorie I voor verzameldoeleinden rechtvaardigt, indien het gaat om stiletto-, vlinder- en valmessen die voor de inwerkingtreding van de hierboven genoemde wetswijziging op 1 mei 2012 legaal waren.
Verder moet de verzameling passen binnen één van de volgende categorieën:
verzamelingen van algemeen wetenschappelijk of historisch belang, zoals die worden gehouden door musea en soortgelijke instellingen (voor de inhoud van het begrip museum wordt verwezen naar onderdeel B/3.6. van deze Circulaire)
verzamelingen gehouden door individuele wapenverzamelaars, die in georganiseerd verband een serieuze studie maken van de historische of technische ontwikkeling van wapens.
Om als individuele wapenverzamelaar in aanmerking te komen voor de verlening van een ontheffing tot het voorhanden hebben van stiletto-, vlinder- en valmessen voor verzameldoeleinden dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan:
de aanvraag betreft een stiletto-, valmes-, of vlindermes, waarvan het lemmet
niet meer dan een snijkant heeft;
korter is dan 7 cm en breder is dan 14 mm;
korter is dan 9 cm; of
niet van een stootplaat is voorzien.
de leeftijd van de aanvrager is tenminste 18 jaar;
ten aanzien van de aanvrager mag geen ‘vrees voor misbruik’ bestaan (zie paragraaf B/1 van deze circulaire);
de aanvrager dient lid te zijn van een door de Minister van Justitie en Veiligheid erkende vereniging van messenverzamelaars;
de aanvrager dient bij een eerste aanvraag een positief luidend (schriftelijk en ondertekend) advies te overleggen van het bestuur van de erkende vereniging van wapenverzamelaars, waarvan de aanvrager lid is;
de aanvrager dient, bij een eerste aanvraag dan wel bij een wijziging in het verzamelgebied, een verzamelplan te overleggen dat (zover mogelijk) voldoet aan de in paragraaf B/3.1.3 van deze circulaire gestelde eisen en waarop het onder ‘5’ genoemde advies is gebaseerd;
de aanvrager dient eenmaal per vijf jaar een schriftelijke verklaring van het bestuur van de vereniging te overleggen waaruit blijkt welke activiteiten de aanvrager de afgelopen vijf jaar heeft ontplooid met betrekking tot zijn verzameling en op basis waarvan door het bestuur wordt geconcludeerd dat de aanvrager nog steeds kan worden beschouwd als een actief en serieus verzamelaar.
Om te voorkomen dat bij het overlijden van de verlof- of ontheffing houder de verzameling (en daarmee het historisch erfgoed) verloren gaat, uiteenvalt of onder grote tijdsdruk verkocht moet worden (met daardoor ontstaan waardeverlies), kan de verlof- of ontheffing houder in overleg met de korpschef een retentiebeheerder aanwijzen. Een kopie van de retentieverklaring dient door de betrokken verlof- of ontheffing houder – ter opneming in zijn dossier – aan de korpschef in zijn regio respectievelijk de Minister van Justitie en Veiligheid te worden gezonden.
Na het overlijden komt de retentiebeheerder, voor een periode van maximaal drie jaar, in aanmerking voor de verlening van een retentieverlof of een retentieontheffing indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
de leeftijd van de aanvrager is tenminste 18 jaar;
ten aanzien van de aanvrager bestaat geen ‘vrees voor misbruik’ (zie B 1.);
de aanvrager is door de verlof- of ontheffing houder aangewezen als retentiebeheerder.
Let op: De retentiebeheerder kan de verzameling niet uitbreiden. De retentiebeheerder heeft twee mogelijkheden:
Hij kan de verzameling in overleg met de wettelijke erfgenamen of de voormalig verlof of ontheffing houder afstoten;
Hij kan een (normaal) verzamelverlof of ontheffing aanvragen, waarbij wel dient te worden aangetekend dat uiteraard aan alle eisen die gelden voor de verlening van een dergelijk verlof of ontheffing zal moeten zijn voldaan. Vanaf het moment dat de aanvrager over een regulier(e) verzamelverlof of ontheffing beschikt, kan hij de verzameling voortzetten en uitbreiden.
Een museum hoeft niet, zoals een particulier, aan te tonen dat degene die daadwerkelijk de wapens en/of munitie tentoon gaat stellen beschikt over deskundigheid op het gebied van die wapens en/of munitie. Uiteraard dienen de wapens en/of munitie wel te passen binnen de collectie/doelstelling van het museum.
Het ‘International Council of Museums’ (ICOM) heeft de volgende definitie van een museum vastgesteld:
‘Een museum is een permanente instelling, in dienst van de gemeenschap en haar ontwikkeling, toegankelijk voor het publiek, niet gericht op het maken van winst, die de materiële getuigenissen van de mens en zijn omgeving verwerft, behoudt, wetenschappelijk onderzoekt, presenteert en hierover informeert voor de doeleinden van studie, educatie en genoegen’.
De aanvrager zal aan deze omschrijving moeten voldoen, wil van een museum of een soortgelijke instelling kunnen worden gesproken. Daarbij is met name ook het permanente karakter en de daadwerkelijke toegankelijkheid (vaste openingstijden) voor het publiek van doorslaggevend belang. De aanvrager zal bij het verzoek om verlening en verlenging moeten aantonen dat:
het museum een permanente instelling is, welke niet gericht is op het maken van winst;
de wapens passen binnen de doelstelling van het museum, hetgeen dient te blijken uit een oprichtingsakte met bijbehorende statuten;
het museum vaste openingstijden kent, waarbij als ondergrens geldt dat het museum minimaal acht uur per week voor het publiek toegankelijk moet zijn. Indien het museum korter dan 16 uur per week voor het publiek toegankelijk is, dient tevens de mogelijkheid te worden geboden om de collectie op afspraak te bezichtigen;
de ruimte waarin de collectie is ondergebracht geschikt is om te fungeren als museum, waarbij het museum zorgt draagt voor de veiligheid van aanwezige personen en de collectie. Een vertrek in een woonhuis of een collectie die is ondergebracht in een bij een woonhuis behorende garage of schuur kan in principe niet worden aangemerkt als een museum. Het museum dient te beschikken over eigen voorzieningen, zoals een eigen ingang, sanitaire voorziening en een beveiligingssysteem.
met documenten is onderbouwd op welke wijze de aanvrager de materiële getuigenissen van de mens en zijn omgeving verwerft, behoudt, wetenschappelijk onderzoekt, presenteert en hierover informeert voor de doeleinden van studie, educatie en genoegen.
Verder geldt:
van het aantal tentoon te stellen wapens kunnen beperkingen worden gesteld.
De collectie dient te worden ondergebracht in een rechtsvorm.
Het bestaan/oprichten van een stichting met een bepaalde doelstelling is op zichzelf echter absoluut onvoldoende voor honorering van een aanvraag. Een particulier die niet aan de voor particulieren geldende criteria voldoet kan dan ook niet alsnog – door een stichting op te richten
een verzamelverlof bemachtigen. Doorslaggevend is of er sprake is van een museum in vorenbedoelde zin. Indien dit niet kan worden aangetoond dan dient de aanvrager te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor particuliere verzamelaars van vuurwapens (zie onderdeel B 3.1).
Verzamelaars van wapens en munitie kunnen beschikken over wapens en munitie van bijzondere, historische waarde. In de praktijk bestaat bij verzamelaars en musea de behoefte om deze bijzondere wapens en munitie in musea ten toon te kunnen stellen. Om dit te kunnen bewerkstelligen, kan de verzamelaar een deel van zijn collectie voor een periode van maximaal 3 maanden ter beschikking stellen aan een museum, zoals gedefinieerd onder 3.5.1.
Voor het tijdelijk uitlenen van wapens en munitie door een verzamelaar aan een museum, gelden de volgende voorwaarden:
De uit te lenen wapens en munitie vallen onder het verzamelverlof of de ontheffing van de verzamelaar;
Het museum is een instelling als gedefinieerd onder 3.5.1 en beschikt reeds over een verlof tot voorhanden hebben van wapens dan wel munitie;
De verzamelaar en het museum doen gezamenlijk een bruikleenaanvraag bij de korpschef.
Praktisch wordt de aanvraag gedaan bij de politiechef van de regionale eenheid van politie waar het museum onder valt. De bruikleenaanvraag wordt ondertekend door de verzamelaar en de rechtsgeldige vertegenwoordiger van het museum. De bruikleenaanvraag bevat in ieder geval de volgende informatie:
De persoonsgegevens en het adres van de verzamelaar;
De naam en het adres van het museum;
Het verlofnummer, de wapen- of munitiesoort en het type en nummer per uit te lenen verlofplichtig wapen of munitie;
De periode waarvoor de wapens of munitie worden uitgeleend;
Een verlofaanvraag voor het voorhanden hebben en indien noodzakelijk het vervoer van de betreffende wapens en munitie, voor de periode van de bruikleenstelling.
Indien aan de hierboven genoemde voorwaarden is voldaan, verleent de korpschef schriftelijk toestemming voor de bruikleenstelling aan het museum en verleent daarbij de benodigde verloven.
Voor het verkrijgen van een verlof of ontheffing voor het verzamelen van (vuur)wapens is veelal het lidmaatschap van een door de Minister van Justitie en Veiligheid erkende wapenverzamelaarsvereniging vereist. Een wapenverzamelaarsvereniging kan door het Ministerie van Justitie en Veiligheid erkend worden indien voldaan is aan de hier onder genoemde, niet limitatieve, randvoorwaarden:
Wanneer kan de situatie ontstaan waarin een vereniging erkend kan worden?
Er moet sprake zijn van een redelijk belang voor het erkennen van een wapenverzamelaarsvereniging. Dit redelijk belang kan bijvoorbeeld ontstaan wanneer er een verandering van beleid plaatsvindt. Daarbij kan worden gedacht aan de situatie waarin bepaalde wapens die eerst vrij voorhanden mochten worden gehouden, niet langer toegestaan zijn en slechts onder voorwaarden mogen worden verzameld door verzamelaars die lid zijn van een erkende vereniging. Wanneer deze verzamelaars zich niet bij de bestaande, erkende, verenigingen kunnen aansluiten (bijvoorbeeld omdat die zich specifiek richten op een bepaald type wapens), kan een redelijk belang ontstaan om een nieuwe vereniging te erkennen.
Eisen aan de vereniging
Allereerst is van belang dat de wapenverzamelaarsvereniging betrouwbaar is. De vereniging moet zich ook ten doel stellen om de betrouwbaarheid van wapenverzamelaars te bevorderen. Uit bijvoorbeeld statuten of huisregels van de vereniging moet blijken dat bestuursleden en leden getoetst worden aan dit criterium. Gedacht kan worden aan het verplicht overleggen van een VOG-verklaring bij iedere aanmelding voor een lidmaatschap, en een ballotagecommissie en de beëindiging van het lidmaatschap bij gebleken twijfel aan betrouwbaarheid. Afhankelijk van de situatie kunnen meer eisen van dergelijke strekking worden gesteld, alvorens een vereniging in aanmerking komt erkend te worden. Teneinde deze afspraken vast te leggen, kan er bijvoorbeeld voor gekozen worden met de vereniging een convenant te sluiten.
Toezicht en controle door de vereniging
De vereniging moet in staat zijn de leden te beoordelen leden op de eis ‘serieuze studie’ en bewaakt deze. Gedacht kan worden aan een controle op het verzamelplan op bijvoorbeeld de consistentie, en het opnemen van een bepaling in de huisregels die stelt dat leden moeten voldoen aan de wet- en regelgeving en aanvullende voorschriften. De vereniging uit dit toezicht formeel door goed- dan wel afkeuring van het verzamelplan en de eventuele afgifte van vijfjaarsverklaringen.
Verder dient de vereniging haar leden de faciliteiten te bieden om serieus te verzamelen. Hiertoe kan de vereniging beurzen organiseren, experts presentaties laten verzorgen, bijeenkomsten organiseren waarin relevante vakliteratuur wordt besproken, publicaties van belangwekkende verzamelstukken bundelen en verspreiden, bezoeken naar musea organiseren waar voorbeeldverzamelingen te zien zijn, enzovoorts.
Kortom: de vereniging moet meer zijn dan een passieve, faciliterende schakel waardoor het mogelijk wordt bepaalde wapens te verzamelen. De vereniging vervult een actieve rol: de vereniging beoordeelt enerzijds of de leden daadwerkelijk serieus met hun verzameling bezig zijn en zorgt anderzijds ook dat zij daartoe in staat worden gesteld.
Representatief
De vereniging moet representatief zijn voor haar leden en zich in de openbaarheid presenteren als belangenvereniging. Bij het oordeel over de vraag hoe representatief een verenging is, kunnen verschillende aspecten een rol spelen. Hierbij kan worden gedacht aan het aantal leden van de vereniging, de exclusiviteit en specialiteit van een vereniging, de aanwezige gebundelde kennis in een vereniging, de manier waarop de belangen van de achterban worden aangekaart in de politiek en bij de beleidsmarkers, de wijze waarop de belangen van de vereniging worden behartigd, enzovoorts.
Kort gezegd: niet alleen naar haar eigen leden, maar ook naar de buitenwereld toe moet de vereniging een actieve rol spelen en zich als serieuze belangenbehartiger presenteren.
Stappenplan erkenning
Indien de situatie ontstaat waarin een nieuwe wapenverzamelaarsvereniging erkend moet worden, wordt aan de hand van de wet wapens en munitie, regeling wapens en munitie en deze beleidsregels beoordeeld of er een vereniging is die voor erkenning in aanmerking komt. Aan de hand van deze beoordeling en nader te maken afspraken met de te erkennen vereniging (bijvoorbeeld door middel van een convenant), kan uiteindelijk tot erkenning van de vereniging worden overgegaan. Concreet houdt dit in dat de vereniging als zodanig wordt opgenomen in de CWM.
De vereniging kan de status van erkende vereniging verliezen als ze aantoonbaar handelt in strijd met onder meer het convenant, de voorwaarden waaronder de erkenning heeft plaatsgevonden, of indien er zich in een situatie als omschreven artikel 7, tweede lid, van de WWM voordoet. Ook kan de vereniging de status van erkende vereniging verliezen indien de vereniging ophoudt te bestaan, dan wel in een andere rechtspersoon overvloeit of gedurende een tijdsbestek van meer dan een jaar geen leden met een verlof of een ontheffing meer heeft.
Voor personen of instellingen die niet (kunnen) voldoen aan de in dit hoofdstuk genoemde voorwaarden voor het verkrijgen van een vergunning (verlof of ontheffing) voor het voorhanden hebben van wapens ten behoeve van verzameldoeleinden – maar die op het moment van inwerkingtreding van de Circulaire Wapens en Munitie 2005 reeds in het bezit waren van een dergelijke vergunning – geldt dat zij hun verzameling mogen behouden (de vergunning kan dus gewoon worden verlengd) maar de verzameling mag niet worden uitgebreid. Er mogen dus in geen geval wapens worden bijgeschreven op de vergunning, ook niet na afschrijving van een op de vergunning vermeld wapen, tenzij het nieuw bij te schrijven wapen precies hetzelfde model en type is als het afgeschreven wapen en de bedoeling van de vervanging is om de kwaliteit van de verzameling te verhogen. Uitbreiding mag pas plaats vinden nadat aan de in dit hoofdstuk genoemde voorwaarden is voldaan.
In het kader van een re-enactment worden op een zo historisch verantwoord mogelijke wijze eenheden, slagen en gebeurtenissen uit de militaire geschiedenis nagespeeld door grote groepen historisch geïnteresseerden, uitgedost in originele dan wel nagemaakte kostuums en uitgerust met overige – binnen het specifieke tijdsbeeld passende, met de historische eenheid, slag of gebeurtenis verband houdende – uitrustingsstukken. Voor zover de ‘re-enactment’ zich toespitst op het naspelen van historische legereenheden, veldslagen en andere militaire gebeurtenissen, zijn onder de overige uitrustingsstukken, wenselijk voor een historisch verantwoorde uitvoering, mede te begrijpen wapens.
De originele vuurwapens uit vroeger tijden, zoals zwartkruit achterlaadwapens en voorlaadwapens, kunnen vrij voorhanden worden gehouden, voor zover zij – omdat deze voor 1 januari 1870 (dan wel voor 1 januari 1945) gefabriceerd zijn – vallen onder de vrijstelling van artikel 18 van de Regeling wapens en munitie. Omdat deze authentieke vuurwapens echter steeds schaarser en duurder worden zullen steeds vaker replica’s van dergelijke wapens (categorie III), die eenvoudiger verkrijgbaar zijn, voor bovenstaande doeleinden worden gebruikt. Deze wapens mogen echter, nu zij niet onder de vrijstelling van artikel 18 van de Regeling wapens en munitie vallen, eerst voorhanden gehouden worden indien daarvoor een ontheffing en verlof is verleend.
Voor het voorhanden hebben van moderne wapens (wapens die zijn ingericht voor het verschieten van eenheidspatronen) geldt eveneens dat het voorhanden hebben slechts is toegestaan nadat hiervoor verlof c.q. ontheffing is verleend conform de hieronder nader uitgewerkte voorwaarden. Deelname aan activiteiten in het kader van historisch militair materieel is daarbij, mits hiervoor een aantoonbaar belang vanuit het oogpunt van re-enactment bestaat, niet uitgesloten.
Aan personen die lid zijn van een vereniging, welke (middels een lidmaatschap) is aangesloten bij een door de Minister van Justitie en Veiligheid erkende koepelorganisatie, zoals het ‘Landelijk Platform Levende Geschiedenis’, en die wensen te beschikken over (een) wapen(s), teneinde deel te kunnen nemen aan een door hun re-enactment-groepering georganiseerde uitvoering, kan een verlof worden verleend tot het voorhanden hebben van maximaal vijf wapens van de categorie III.
‘Moderne’ vuurwapens van categorie III – hiermee wordt bedoeld vuurwapens gemaakt voor het verschieten van patronen met gebruikmaking van rookzwak (nitro) kruit – mogen slechts voorhanden worden gehouden indien zij voor het schieten met scherpe munitie duurzaam ongeschikt zijn gemaakt.
Het voorhanden hebben van categorie II wapens ten behoeve van re-enactment is uitsluitend toegestaan nadat hiervoor door de Minister van Justitie en Veiligheid een ontheffing is verleend. Hierbij wordt door de minister een overeenkomstig beleid gevoerd als hiervoor vermeld ten aanzien van vuurwapens van categorie III met dien verstande dat voor de zware wapens (vuurwapens in het kaliber .50 of groter, kanonnen, tanks, houwitsers, raketlanceerinstallatie, bewapende pantservoertuigen etc.) slechts ontheffing kan worden verleend indien het wapen is gedemilitariseerd en daarmee definitief voor gebruik ongeschikt is gemaakt.
Ten aanzien van de gebruikte begrippen:
Geschut = een vuurwapen met een kaliber vanaf 20 mm
Sluitstuk = afsluiter
Schietbuis = loop
Kulas = staartstuk waar de afsluiter in beweegt
Wieg = ligplaats van de schietbuis (het gedeelte waarin de schietbuis zijn achterwaartse beweging maakt, met eventueel het meedraaiend kanonschild).
Om te kunnen spreken van een gedemilitariseerd wapen worden de volgende eisen gesteld:
Zware machinegeweren vanaf het kaliber .50 / 12,7 mm:
Een nauw passende stalen pen met tenminste, de lengte van, de diameter van de loop +20 %, duurzaam – dat wil zeggen onomkeerbaar in de zin dat verwijdering of poging tot ongedaan making van de las ernstige schade aan het voorwerp zou toebrengen en zijn functionaliteit zou aantasten – wordt vast gelast in de loop (maximaal 50 millimeter van de loopmonding);
Een nagenoeg kamer vullende, stalen pen duurzaam wordt vast gelast in in de patroonkamer van de loop;
Er worden twee gaten met een diameter van ten minste 10 mm geboord in de onderkant van de loop, waarvan één omstreeks 50 millimeter voor de patroonkamer en één halverwege de loop;
De voorzijde van de afsluiter wordt schuin afgeslepen en de slagpin duurzaam vast gelast waardoor de patroonkamer zichtbaar blijft;
Het afvuursleutel- / trekkermechanisme wordt duurzaam vast gelast;
De afsluiter aan de binnenzijde van de kast wordt over de gehele lengte en aan beide zijden duurzaam vast gelast aan de kast;
Als geen afsluiter aanwezig is wordt in de kast, in de geleidesleuven voor de afsluiter over de gehele lengte en aan beide zijden een lasrups aangebracht zodat het terug plaatsen van een afsluiter niet meer mogelijk is.
Geschut
Automatisch geschut met een hoge vuursnelheid en waarvan de aanvoer van munitie plaatsvind door middel van een magazijn of patroonband moeten op de wijze van “machinegeweren” onder A gedemilitariseerd worden. Andere vuurwapens (niet zijnde seinpistolen en hagelgeweren) met een kaliber vanaf 12,7 mm dienen op de wijze van “geschut” te worden gedemilitariseerd;
De slagpin wordt verwijderd uit de afsluiter en de ligplaats van de slagpin wordt aan beide zijden duurzaam dicht gelast, zodat het herplaatsen van een slagpin niet meer mogelijk is;
Een nauw passende stalen pen met, ten minste, de lengte van, de diameter van de loop +20 %, wordt duurzaam rondom vast gelast in de loop / schietbuis (maximaal 100 millimeter van de loopmonding). NB: van eventueel aanwezige trekken en velden mag een deel zichtbaar zijn;
Een nagenoeg kamer vullende, stalen pen duurzaam wordt rondom vast gelast in de kamer van de loop / schietbuis;
De loop / schietbuis, wordt rondom duurzaam vast gelast aan het kulas (minimaal 33% van de omtrek);
Het sluitstuk / afsluiter wordt duurzaam vast gelast aan het kulas (minimaal 33% van het oppervlak en op alle zichtbare en bereikbare plaatsen);
Als het sluitstuk niet aanwezig is worden over de gehele lengte en aan alle zijden van de geleidebanen in het kulas 20 mm brede lasrupsen aangebracht, zodat plaatsen van een ander sluitstuk niet meer mogelijk is.
Mortieren
Een nauw passende stalen bus van, ten minste, de lengte van, de diameter van de loop / schietbuis +20 %, rondom wordt duurzaam vast gelast in de loop / schietbuis (maximaal 50 millimeter van de loopmonding). Van eventueel aanwezige trekken en velden mag een deel zichtbaar zijn;
In geval van een vaste slagpin:
De slagpin wordt verwijderd;
De ligplaats van de slagpin wordt duurzaam dicht gelast.
In geval van een dynamische slagpin:
De slagpin wordt verwijderd;
De ligplaats van de slagpin wordt duurzaam dicht gelast.
Het afvuurmechanisme wordt duurzaam vast gelast;
Het bodemstuk wordt rondom duurzaam vast gelast aan de loop / schietbuis;
Aan weerskanten van de loop / schietbuis, wordt een gat van minimaal 20 millimeter geboord, ten minste 50 millimeter boven de bovenrand van het bodemstuk (totaal 2 gaten). Om esthetische redenen mogen de boorgaten middels demontabele pluggen, tape of kit afgedicht worden. Pluggen dienen te zijn vervaardigd van zacht materiaal en doormiddel van klemming te zijn aangebracht.
Raketlanceerinrichting en terugstootloze vuurmond (TLV)
Een nauw passende stalen bus met, ten minste, een lengte van, de diameter van de loop / schietbuis +20 %, wordt rondom duurzaam vast gelast in de loop / schietbuis monding (maximaal 50 millimeter van de loop / schietbuis monding);
Een nauw passende stalen plaat met, ten minste, een lengte van, de diameter van de loop / schietbuis +20 %, rondom wordt duurzaam vvast gelast in de loop / schietbuis achterzijde (maximaal 50 millimeter van de loop / schietbuis achterzijde);
Bij deelbare schietbuizen worden alle delen aan beide zijden op boven genoemde wijze te dichtgelast of worden alle delen duurzaam aan elkaar gelast (totaal van de lasrupsen moet 33% van de omtrek beslaan);
De slagpen wordt verwijderd uit de afvuurinrichting (indien aanwezig);
De ligplaats van de slagpin wordt duurzaam dicht gelast. (indien aanwezig);
Het elektrisch afvuurcircuit wordt verwijderd. (indien aanwezig);
De afvuurmechanisme / trekker wordt vast gelast;
Het sluitstuk wordt vast gelast aan de loop / schietbuis (indien aanwezig) (totaal van de lasrupsen moet 33% van de omtrek beslaan).
Uitganspunten voor de genoemde eisen zijn:
Uitvoerbaarheid
Controleerbaarheid
Geen essentieel vuurwapenonderdeel mag overblijven of werken,
Onomkeerbaarheid
Ten aanzien van het lassen:
Met duurzaam lassen wordt het elektrisch lassen bedoeld: MIG, TIG (met toevoeging van materiaal), SMAW;
Het redelijk en onomkeerbaar inbranden over een afstand van tenminste 33% van het te lassen oppervlak. Loop en kamer rondom lassen;
Metalen dienen voor het lassen ontvet te zijn om een kwalitatief goede las te verkrijgen;
Wanneer het verbinden doormiddel van lassen door de samenstelling van de te verbinden materialen niet mogelijk is, dient de verbinding te geschieden door middel van hardsolderen bij metalen of duurzame verlijming bij kunststoffen. Verlijming kan plaatsvinden door middel van versterkte Vinylesterhars, of andere industriële lijmsoorten. Vereiste is dat de verlijming bestand dient te zijn tegen extreem lage- als ook hoge temperaturen.
Dat sprake is van een gedemilitariseerd wapen dient te blijken uit een schriftelijke verklaring van de Koninklijke Marechaussee, Bureau Wapens, Munitie en Explosieven. Deze regel geldt niet voor replica’s van zwartkruit voorlaadkanonnen. Deze kunnen, mits vermeld op een ontheffing, in ongewijzigde staat voorhanden worden gehouden.
Artikel 31 van de Regeling wapens en munitie is mede van toepassing op re-enactment-uitvoeringen. Leden van een vereniging welke (middels het lidmaatschap) is aangesloten bij een door de Minister van Justitie en Veiligheid erkende koepelorganisatie, zoals het ‘Landelijk Platform Levende Geschiedenis’, kunnen derhalve eerst replica’s of ‘moderne’ vuurwapens bij een re-enactment-uitvoering meevoeren (dragen) nadat hen voor het voorhanden hebben daarvan een verlof/ontheffing is verleend en de burgemeester en de korpschef schriftelijk toestemming hebben verleend voor de re-enactment-uitvoering. Daarbij mogen zij slechts die wapens dragen die passen binnen het tijdsbeeld en deel uitmaken van hun uniformen. Voor zover het gaat om optochten is slechts toestemming van de van de burgemeester vereist.
Voor het verkrijgen van toestemming voor de re-enactment-uitvoering is het noodzakelijk dat het bestuur van de re-enactment vereniging of een vertegenwoordiger van het bestuur van de re-enactmentvereniging – die desgevraagd zulks schriftelijk zal kunnen bewijzen – aan de korpschef kopieën verstrekt van de wapenvergunningen waarop de wapens staan vermeld waarmee aan de re-enactment-uitvoering zal worden deelgenomen.
Ten behoeve van een re-enactment-uitvoering waaraan niet-ingezetenen deelnemen kan de organiserende vereniging (het platform) bij de Minister van Justitie en Veiligheid een incidentele ontheffing van het verbod op het voorhanden hebben, vervoeren, het doen binnenkomen en het doen uitgaan aanvragen.
Gelet op het door de Minister van Justitie en Veiligheid ter zake gevoerde (restrictieve) beleid zijn aan de verlening van een verlof/ontheffing tot het voorhanden hebben van vuurwapens, de volgende voorwaarden verbonden:
De aanvrager dient minimaal 18 jaar oud te zijn, van deze minimumleeftijdsgrens kan niet worden afgeweken;
De aanvrager dient minimaal één jaar lid te zijn van een re-enactment vereniging welke is aangesloten bij een door de Minister van Justitie en Veiligheid erkende koepelorganisatie, zoals het ‘Landelijk Platform Levende Geschiedenis’ en die blijkens de in een notariële akte opgenomen statuten tot doel heeft haar leden in de gelegenheid te stellen om op een serieuze en historisch verantwoorde wijze gestalte te geven aan de enscenering van historische legereenheden, veldslagen en andere militaire gebeurtenissen;
De aanvrager dient een kopie van het bewijs van lidmaatschap te overleggen alsmede een verklaring van een door de Minister van Justitie en Veiligheid erkende koepelorganisatie, zoals het ‘Landelijk Platform Levende Geschiedenis’, waaruit blijkt dat de desbetreffende vereniging (dan wel een werkgroep binnen die vereniging) zich op serieuze wijze bezig houdt met re-enactment van de historische periode waarvoor het verlof of de ontheffing wordt aangevraagd;
De, krachtens verlof of ontheffing, voorhanden te houden wapens zijn uitsluitend (replica’s van) zwartkruit wapens of voor het schieten met scherpe munitie duurzaam ongeschikt gemaakte moderne vuurwapens hetgeen dient te blijken uit een schriftelijke verklaring van een erkende wapenhandelaar.
Aan het verlof dienen de volgende beperkingen en voorschriften te worden verbonden: BEPERKINGEN:
De wapens worden voorhanden gehouden op het op het verlof vermelde adres;
De wapens worden uitsluitend gedragen op plaatsen waar de door de vereniging georganiseerde re-enactment-uitvoeringen plaatsvinden;
De wapens mogen niet voorhanden worden gehouden/gebruikt bij film- of theaterproducties;
Het dragen op de onder 2 genoemde plaatsen is slechts toegestaan indien de verantwoordelijke burgemeester en de korpschef schriftelijk toestemming hebben verleend aan de vereniging om de re-enactment-uitvoering te houden.
VOORSCHRIFTEN:
Het vervoer van de wapens vindt plaats langs de weg en binnen het tijdsbestek welke daar redelijkerwijze voor geboden zijn;
De wapens dienen tijdens het vervoer op een zodanig deugdelijke wijze te zijn verpakt, dat zij niet voor onmiddellijk gebruik geschikt zijn;
Bij intrekking of bij het verlopen van de geldigheid van het verlof (ontheffing) dient het verlof onverwijld ingeleverd te worden bij de korpschef;
De houder van het verlof houdt zich strikt aan de bepalingen, gesteld bij of krachtens de Wet wapens en munitie, alsmede aan de in het verlof vermelde voorschriften en beperkingen.
Op het verlofdocument kan worden aangegeven dat tevens verlof tot vervoer en verlof tot het voorhanden hebben van de bijbehorende munitie (eventueel ook als accessoire) wordt verleend.
Gebruik van privéwapens door niet verlofhouders
Het deelnemen aan re-enactment-uitvoeringen met privéwapens door leden van een re-enactment vereniging, mag slechts plaatsvinden indien de verlofhouder van de privéwapens het desbetreffende lid begeleidt naar de plaats van de uitvoering, alwaar hij hem het wapen ter hand stelt. Na afloop van de uitvoering neemt de verlofhouder het wapen weer in ontvangst.
De verlofhouder dient te allen tijde in de situatie te verkeren dat hij zijn wapen terug kan nemen dat hij een andere re-enactor ter hand heeft gesteld.
Aan re-enactment verenigingen kan een verlof worden verleend tot het voorhanden hebben van vuurwapens, die aan die vereniging toebehoren en die bestemd zijn voor gebruik door de leden van die vereniging. In het aanvraagformulier voor het verenigingsverlof (zie hieronder) – dat wordt ingediend door het bestuur van de vereniging bij de korpschef (en feitelijk bij de politiechef in de politieregio waar de vereniging, blijkens de statuten, haar zetel heeft) – moet de naam worden vermeld van het (bestuurs-)lid dat namens de vereniging de vuurwapens gaat beheren. In het verenigingsverlof wordt deze persoon dan genoemd als vertegenwoordiger van het bestuur, voor zover het betreft het beheren van de vuurwapens, terwijl het verlof tevens zijn pasfoto bevat. Om als beheerder te kunnen fungeren moet het (bestuurs-)lid tenminste één jaar lid zijn van de vereniging en mag ten aanzien van hem geen vrees voor misbruik bestaan. Indien meer (bestuurs-)leden als beheerder optreden, verkrijgt ieder van die (bestuurs-)leden een verenigingsverlof.
Van het verlenen van het verenigingsverlof stelt de politiechef van de regionale eenheid waar de vereniging is gevestigd de politiechef(s) van de beheerder(s) op de hoogte, indien deze beheerder(s) in een andere regionale eenheid van politie wonen dan de vereniging is gevestigd. Deze kennisgeving geschiedt door het toezenden van een kopie van het verleende verlof.
Het verenigingsverlof kan slechts worden verleend voor wapens, die passen binnen het met de historische eenheid, slag of gebeurtenis verband houdende specifieke tijdsbeeld, waarop de betrokken vereniging zich richt. Deze verenigingswapens moeten op het verenigingsverlof worden vermeld. Het aantal vuurwapens, waarvoor het verenigingsverlof geldt, dient voorts in een redelijke verhouding te staan tot het aantal leden dat regelmatig van die wapens gebruik maakt.
Verenigingswapens zijn ervoor bestemd om de leden van de vereniging, die niet over een (geschikt) eigen vuurwapen beschikken, in staat te stellen deel te nemen aan re-enactment-uitvoeringen. De op het verenigingsverlof vermelde beheerders mogen daartoe de verenigingswapens ter hand stellen aan andere leden, die onder toezicht van die beheerders deelnemen aan de re-enactment-uitvoering44Omdat de re-enactment onder direct toezicht wordt beoefend, is er geen sprake van ‘overdragen’ in de zin van artikel 1, aanhef en onder 11°, van de WWM, zodat de schutter niet behoeft te beschikken over een verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens..
Gebruik van verenigingswapens
Het deelnemen aan re-enactment-uitvoeringen met verenigingswapens, door leden van die vereniging, mag slechts plaatsvinden indien de beheerder van de verenigingswapens het desbetreffende lid begeleidt naar de plaats van de uitvoering, alwaar hij hem het wapen ter hand stelt. Na afloop van de uitvoering neemt de beheerder het wapen weer in ontvangst.
Aan personen die lid zijn van een door de Minister van Justitie en Veiligheid erkende vereniging,
welke zich bezig houdt met het conserveren van historisch militair materieel en die een dergelijk voer-, vaar- of vliegtuig wensen te completeren met een wapen, teneinde deel te kunnen nemen aan de door die vereniging georganiseerde herdenkingstochten en/of tentoonstellingen, kan een verlof (voor categorie III wapens) en/of een ontheffing (voor categorie II wapens) worden verleend tot het voorhanden hebben van maximaal vijf vuurwapens en voor het (uitsluitend) tijdens de daadwerkelijke herdenkingstochten en/of tentoonstellingen onverpakt op het voer-, vaar- of vliegtuig meevoeren (‘dragen’) van deze wapens. Deelname aan activiteiten in het kader van re-enactment is daarbij, mits hiervoor een aantoonbaar belang vanuit het oogpunt van historisch militair materieel bestaat, niet uitgesloten.
Door de Minister van Justitie en Veiligheid zijn de volgende verenigingen erkend:
Army Vehicle Club gevestigd te Hilversum;
Brabants Mobiel Museum van Historisch Militair Materieel ‘Wheels’ gevestigd te Eindhoven;
Dads Peace Army gevestigd te Ede;
Nederlandse Vereniging Instandhouding Historische Militaire voertuigen ‘Keep Them Rolling’ Rijdend Museum gevestigd te Amsterdam;
Re-enactmentgroup U.S. 113th Cavalry group mechanized ‘Red Horse’ gevestigd te Gronsveld;
Santa Fe Historical Military Vehicle Conservation Group gevestigd te Venlo;
Vereniging Military Display gevestigd te Bussum;
War Horses gevestigd te Tilburg;
De Vereniging Super Sixth gevestigd te Susteren;
Stichting Koninklijke Luchtmacht Historische Vlucht gevestigd te Rijen.
Voor het voorhanden hebben van vuurwapens van categorie III mag slechts een verlof worden verleend indien deze vuurwapens op deugdelijke wijze voor gebruik ongeschikt zijn gemaakt. Dit dient te blijken uit een schriftelijke verklaring van een erkende wapenhandelaar.
Het voorhanden hebben van categorie II wapens is uitsluitend toegestaan nadat hiervoor door de Minister van Justitie en Veiligheid een ontheffing is verleend. Hierbij wordt door de minister een overeenkomstig beleid gevoerd als hiervoor vermeld ten aanzien van vuurwapens van categorie III met dien verstande dat voor de zware (vuur)wapens (vuurwapens in het kaliber .50 of groter, kanonnen, tanks, houwitsers, raketlanceerinstallaties, bewapende pantservoertuigen etc.) slechts ontheffing kan worden verleend indien het wapen is gedemilitariseerd en daarmee definitief voor gebruik ongeschikt is gemaakt. Van demilitariseren is sprake als tenminste is voldaan aan de onder 4.1.2. beschreven eisen.
Dat sprake is van een gedemilitariseerd dient te blijken uit een schriftelijke verklaring van de Koninklijke Marechaussee, Bureau Wapens, Munitie en Explosieven.
Ten behoeve van activiteiten georganiseerd door een door de Minister van Justitie en Veiligheid erkende vereniging van historisch militair materieel waaraan niet-ingezetenen deelnemen, kan de organiserende vereniging bij de Minister van Justitie en Veiligheid een incidentele ontheffing van het verbod op het voorhanden hebben, vervoeren, het doen binnenkomen en het doen uitgaan aanvragen.
Gelet op het door de Minister van Justitie en Veiligheid gevoerde (restrictieve) beleid zijn aan de verlening van een verlof/ontheffing tot het voorhanden hebben van vuurwapens, de volgende voorwaarden verbonden:
De aanvrager dient minimaal 18 jaar oud te zijn, van deze minimumleeftijdsgrens kan niet worden afgeweken;
De aanvrager dient tenminste één jaar lid te zijn van een door de Minister van Justitie en Veiligheid erkende vereniging welke zich bezig houdt met het conserveren van historisch militair materieel.
De aanvrager dient een kopie van het bewijs van lidmaatschap te overleggen;
De complete eenheid (voer-, vaar- of vliegtuig met wapen) moet in originele uitvoering in gebruik zijn, dan wel zijn geweest bij de weermacht van een erkende natie of in het verleden erkende natie en moet voor de desbetreffende vereniging, waarvan de aanvrager lid is, een aanwinst zijn. Dit dient te blijken uit een schriftelijke verklaring van het bestuur van de desbetreffende vereniging;
Het voorhanden te houden vuurwapen dient voor gebruik definitief ongeschikt te zijn gemaakt.
Voor categorie III wapens dient dit te blijken uit een schriftelijke verklaring van een erkende Wapenhandelaar of een certificaat conform EU uitvoeringsverordening 2015/2403 en markering van het betreffende vuurwapen conform de voorschriften van diezelfde uitvoeringsverordening. Voor categorie II wapens geldt dat een verklaring van het Bureau Wapens, Munitie en Explosieven (WMEKMar@mindef.nl) van de Koninklijke Marechaussee moet worden overlegd, waaruit blijkt dat het een gedemilitariseerd wapen betreft.
Aan het verlof dienen de volgende beperkingen en voorschriften te worden verbonden: BEPERKINGEN:
Het wapen wordt voorhanden gehouden op het op het verlof vermelde adres;
Het wapen mag voorts voorhanden worden gehouden op plaatsen waar de door de erkende verenigingen georganiseerde herdenkingstochten en/of tentoonstellingen plaatsvinden;
De wapens mogen niet voorhanden worden gehouden/gebruikt bij film- of theaterproducties;
Het verlof tot het voorhanden hebben op de onder 2 genoemde plaatsen is slechts geldig indien de betrokken burgemeester en korpschef toestemming hebben verleend aan de desbetreffende vereniging om de herdenkingstocht en/of tentoonstelling te houden.
VOORSCHRIFTEN:
Het op het verlof vermelde wapen is op deugdelijke wijze voor gebruik ongeschikt gemaakt, hetgeen dient te blijken uit een verklaring van een erkende wapenhandelaar;
Het vervoer van het wapen vindt plaats langs de weg en binnen het tijdsbestek welke daar redelijkerwijze voor geboden zijn;
Het wapen dient tijdens het vervoer, anders dan in de onder beperking nummer 2 bedoelde gevallen, op een deugdelijke wijze te zijn verpakt;
Het wapen wordt uitsluitend tijdens de daadwerkelijke herdenkingstochten en tentoonstellingen onverpakt op het voer-, vaar- of vliegtuig meegevoerd;
Gedurende de onder 4 genoemde tochten en tentoonstellingen wordt het wapen deugdelijk (indien mogelijk met behulp van een ketting en een slot) aan het voer-, vaar- of vliegtuig bevestigd;
Bij opzegging van het verlof wordt dit onverwijld ingeleverd bij de korpschef;
De houder van het verlof houdt zich strikt aan de bepalingen, gesteld bij of krachtens de Wet wapens en munitie, alsmede aan de in het verlof vermelde voorschriften en beperkingen.
Het tijdelijk en incidenteel in gebruik afstaan van historisch militair materieel tijdens een evenement aan een andere deelnemer – die eveneens lid is van een vereniging die is aangesloten bij het LPLG – is toegestaan als dat geschiedt onder de volgende voorwaarden:
het historisch militair materieel mag slechts tijdens het evenement aan de andere deelnemer worden afgestaan;
het historisch militair materieel mag slechts worden afgestaan in situaties waarin het voor de verlofhouder strikt noodzakelijk is zich van een voertuig te verwijderen;
het historisch militair materieel wordt slechts afgegeven gedurende de periode waarin de onder b genoemde strikte noodzakelijkheid voor de verlofhouder zich voordoet.
Onder strikt noodzakelijk wordt hier verstaan de situatie waarin de verlofhouder niet anders kan dan het materieel tijdelijk aan een andere deelnemer afstaan. De situatie waarin een verlofhouder met meerdere voertuigen aan een evenement wil deelnemen en daarom zijn materieel wil afstaan aan een andere deelnemer, is niet zo’n situatie. De begrippen tijdelijk, incidenteel en strikt noodzakelijk dienen in deze context dan ook eng te worden geïnterpreteerd.
Aan personen die zich regelmatig bezighouden met het organiseren van sportwedstrijden waarbij gebruik moet worden gemaakt van een startpistool of -revolver, kan (voor zover het gaat om een tot categorie III behorend startwapen), een verlof tot voorhanden hebben van dat wapen alsmede van de bijbehorende munitie worden verleend.
Ten aanzien van de aanvrager mag geen vrees voor misbruik bestaan. Het verlof wordt verleend onder de volgende, op het verlofdocument bij te schrijven beperking: ‘Dit verlof is niet geldig voor hulpstukken die het wapen geschikt maken voor het verspreiden van weerloos makende of traan verwekkende gassen of stoffen, en evenmin voor munitie die dergelijke gassen of stoffen verspreidt.’
Zo nodig kan tevens een doorlopend verlof tot vervoer worden verleend.
Op het verlofdocument dient bij ‘beperkingen’, onder 1, het woord ‘schietbaan’ te worden vervangen door een omschrijving van de plaats waar het wapen pleegt te worden gebruikt.
Aan personen die zich op serieuze wijze bezig houden met het africhten van honden die – na het behalen van een certificaat – kunnen worden ingezet als jacht-, bewakings- of politiehond, kan, voor het trainen op schotvastheid, een verlof worden verleend tot het voorhanden hebben van een tot categorie III behorend alarmpistool (of -revolver), alsmede van de bijbehorende munitie. Een verlof kan tevens worden verleend aan een jachtaktehouder tot het voorhanden hebben voor een op zijn akte omschreven hagelgeweer voor het verschieten van de zogenaamde blanks (knalpatronen) voor het trainen van jachthonden tijdens de door de KNJV georganiseerde trainingen en het mogelijk maken van wedstrijden en proeven volgens de reglementen van ORWEJA.
Ten aanzien van de aanvrager mag geen vrees voor misbruik bestaan.
Het verlof wordt verleend onder de volgende, op het verlofdocument bij te schrijven beperking: ‘Dit verlof is niet geldig voor hulpstukken die het wapen geschikt maken voor het verspreiden van weerloos makende of traan verwekkende gassen of stoffen, en evenmin voor munitie die dergelijke gassen of stoffen verspreidt.’
Zo nodig kan tevens verlof tot vervoer worden verleend.
Op het verlofdocument dient bij ‘beperkingen’, onder 1, het woord ‘schietbaan’ te worden vervangen door een omschrijving van de plaats waar het wapen pleegt te worden gebruikt.
Aan personen van achttien jaar of ouder die redelijkerwijs kunnen aantonen over een vaartuig te beschikken waarmee op ruim water wordt gevaren en die wensen te beschikken over noodsignaalmiddelen die niet onder de vrijstelling van artikel 22, eerste en tweede lid, van de RWM vallen, kan een verlof45Indien de aanvrager van het verlof voor een periode langer dan een jaar in het buitenland verblijft, bestaat er geen bezwaar tegen om het verlof op voorhand voor meerdere jaren te verlengen. worden verleend tot het voorhanden hebben van een dergelijk noodsignaalmiddel, alsmede van de bijbehorende munitie. Tevens kan een (doorlopend) verlof tot vervoer worden verleend. Het aan boord van het vaartuig tijdelijk doen uitgaan en doen binnenkomen van het noodsignaalmiddel valt onder de vrijstelling ingevolge artikel 33 RWM.
Niet-ingezetenen die met hun vaartuig een vaste ligplaats in een Nederlandse (jacht)haven hebben, kunnen in de gemeente waar deze haven is gevestigd domicilie kiezen en aldaar een verlof aanvragen. Het doen binnenkomen en uitgaan van het noodsignaalmiddel, zowel indien dit aan boord van het vaartuig gebeurt als indien dit op andere wijze gebeurt, valt onder de vrijstelling ingevolge artikel 23, eerste en tweede lid, RWM.
Op het verlofdocument dient bij ‘beperkingen’, onder 1, het woord ‘schietbaan’ te worden vervangen door: ‘het vaartuig’.
Dummy-launchers en lijnwerptoestellen in de vorm van een geweer of pistool dienen te worden aangemerkt als vuurwapens in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie III, onder 1, van de WWM. Dummy-launchers en lijnwerptoestellen als handapparaat, die niet de vorm hebben van een vuurwapen, dienen te worden aangemerkt als toestellen voor beroepsdoeleinden die geschikt zijn om projectielen af te schieten zoals bedoel in artikel 2, lid 1, categorie III onder 2 van de WWM. Voor het voorhanden hebben van alle dummy-launchers en lijnwerptoestellen is derhalve een verlof vereist als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de WWM.
Het redelijk belang voor de verlening van een (draag)verlof voor een dummy-launcher – ten behoeve van het africhten van honden – kan worden aangetoond door het overleggen van een geldige jachtakte, een lidmaatschapsbewijs van een (jacht)hondenvereniging of een schriftelijke verklaring van het bestuur van een (jacht)hondenvereniging waaruit blijkt dat de aanvrager is aangesteld als hondentrainer. Daarnaast dient de aanvrager aan te tonen dat de eigenaar of beheerder van het terrein waar het africhten van de honden plaatsvindt geen bezwaar heeft tegen het gebruik van een dummy-launcher op zijn terrein. De aanvrager kan dit aantonen middels een schriftelijke verklaring van de eigenaar van het betreffende terrein of door het overleggen van de eigendomspapieren indien de aanvrager zelf de eigenaar van het terrein is.
Het redelijk belang voor de verlening van een (draag)verlof voor een lijnwerptoestel kan blijken uit het feit dat de aanvrager zich beroepsmatig of op anderszins professionele wijze (zoals bijvoorbeeld brandweerkorpsen en reddingsdiensten) bezig houdt met werkzaamheden waarbij het voorhanden hebben van een lijnwerptoestel nodig is voor het uitoefenen van de werkzaamheden.
Volgens het Besluit schiethamers (Stb. 1967, 142) wordt onder ‘schiethamer’ verstaan:
‘een werktuig, waarmede pennen, stiften, draadeinden en dergelijke in materialen kunnen worden gedreven en waarbij de drijfkracht geheel of gedeeltelijk wordt geleverd door een explosieve lading’.
In principe is een schiethamer dus een toestel voor beroepsdoeleinden geschikt om projectielen te verschieten. Dat wil zeggen enkel de niet goedgekeurde schiethamers. In Nederland mogen namelijk slechts schiethamers worden gehanteerd die volgens artikel 4 van de Wet op de gevaarlijke werktuigen en het Besluit Schiethamers zijn voorzien van een certificaat van goedkeuring. De schiethamer moet dan aan een zestal veiligheidsvoorwaarden doen, waarvan de belangrijkste is dat: ‘het niet mogelijk is hem in de vrije ruimte af te vuren zonder gebruik te maken van bijzondere hulpmiddelen’. Nu het niet mogelijk is om met een goedgekeurde schiethamer uit de vrije hand projectielen af te schieten kan een schiethamer niet worden aangemerkt als een toestel voor beroepsdoeleinden zoals genoemd in artikel 2, eerste lid, categorie III, onder 2 van de WWM. Ook kan hij niet als vuurwapen in de zin van de WWM worden beschouwd. Het verbod tot het voorhanden hebben, vervoeren, doen binnenkomen en doen uitgaan van munitie is op grond van artikel 19 van de RWM niet van toepassing op munitie behorende bij gecertificeerde schiethamers.
Voor het doden van vee worden in de praktijk twee soorten schietmaskers ofwel slachtapparaten gebruikt, namelijk het ‘Slagpen- of veiligheidsslachtapparaat’ (a) en het ‘Kogelslachtapparaat’ (b).
Bij het ‘slagpen- of veiligheidsslachtapparaat’ wordt er met behulp van een losse patroon een pen uit de monding van het toestel gedreven in de kop van het te doden dier. De pen blijft echter in het slachtapparaat verankerd, zodanig dat er geen sprake is van het verschieten van een projectiel. Er is dan ook geen sprake van een vuurwapen of een toestel voor beroepsdoeleinden als bedoeld in 2, eerste lid, categorie III, onder 2 van de WWM.
Met behulp van het ‘Kogelslachtapparaat’ worden de dieren gedood d.m.v. het afschieten van een kogel. Dit apparaat is derhalve wel een toestel voor beroepsdoeleinden, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, categorie III, onder 2 van de WWM, omdat het geschikt is om projectielen af te schieten.
Verdovingsgeweren verschieten over het algemeen het verdovingsprojectiel door middel van lucht-, gas-, of veerdruk. Dergelijke wapens zijn dan ook over het algemeen aan te merken als een wapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, categorie IV onder 4 van de WWM. Het voorhanden hebben van een dergelijk wapen is dan ook toegestaan aan een ieder die achttien jaar of ouder is. Uitgezonderd hiervan zijn de door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen lucht-, gas-, of veerdrukwapens die zodanig gelijken op een vuurwapen dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn en die derhalve verboden wapens zijn in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie I, onder 7 van de WWM.
Het dragen van een categorie IV wapen is uitsluitend toegestaan nadat hiervoor door de korpschef een verlof is verleend. Een redelijk belang voor de verlening van een dergelijk verlof kan aanwezig zijn indien de aanvrager aannemelijk maakt dat hij in het kader van zijn beroepsuitoefening te maken krijgt met situaties waarin het noodzakelijk is om door middel van een verdovingsgeweer een dier te verdoven. Het toedienen van verdovingsmiddelen aan dieren is echter – gelet op de artikelen 29, 30 en 31 van de Diergeneesmiddelenwet, artikel 7 van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde en de artikelen 2 en 3 van de Kanalisatieregeling diergeneesmiddelen en – gemedicineerde voeders – uitsluitend toegestaan door of onder (direct) toezicht van een dierenarts.
Aan het verlof dienen de volgende beperkingen en voorschriften te worden verbonden: BEPERKINGEN:
Het toedienen van verdovingsmiddelen door middel van het verdovingsgeweer is uitsluitend toegestaan door of onder (direct) toezicht van een dierenarts;
Het gebruik van het verdovingsgeweer op de openbare weg of op andere voor het publiek toegankelijke plaatsen is uitsluitend toegestaan na toestemming van de korpschef.
VOORSCHRIFTEN:
Het verdovingsgeweer dient tijdens het vervoer op een zodanig deugdelijke wijze te zijn verpakt, dat het niet voor onmiddellijk gebruik geschikt is;
Bij intrekking of bij het verlopen van de geldigheid van het verlof dient het verlof onverwijld ingeleverd te worden bij de korpschef;
De houder van het verlof houdt zich strikt aan de bepalingen, gesteld bij of krachtens de Wet wapens en munitie, alsmede aan de in het verlof vermelde voorschriften en beperkingen.
Het doden van losgebroken en/of gewond vee/wild met een kogelgeweer kan noodzakelijk zijn indien een dier een gevaar vormt voor de veiligheid van personen en/of goederen en er geen reële mogelijkheid is om het dier op een andere (verantwoorde) wijze onder controle te krijgen dan wel ter beëindiging van ondraaglijk lijden van het dier. Omdat het in principe niet verantwoord is om (groot) vee te doden met een projectiel uit een (politie)pistool (onder meer vanwege de beperkte ballistische eigenschappen van een dergelijk projectiel), kan de korpschef besluiten dat er een redelijk belang is om aan één of meerdere personen een verlof te verlenen voor het voorhanden hebben van een groot kaliber kogelgeweer. Een dergelijk verlof mag alleen verleend worden aan: 1) personen die in het bezit zijn van een geldige jachtakte en die aannemelijk hebben gemaakt dat zij met enige regelmaat te maken krijgen met situaties waarin het noodzakelijk is om losgebroken en/of gewond vee/wild te doden 2) politieambtenaren die aannemelijk hebben gemaakt dat zij goed getraind zijn op situaties waarin het noodzakelijk is om losgebroken en/of gewond vee/wild met het juiste wapen te doden. Alvorens een dergelijk verlof wordt verleend dient de korpschef zich er van te vergewissen dat de desbetreffende persoon voldoende vaardig is in de omgang met een groot kaliber geweer en voldoende kennis heeft van de wijze waarop (groot) vee/wild geschoten moet worden.
Het houden van dam- of edelherten voor de vleesproductie is in Nederland een steeds vaker voorkomend verschijnsel. Het doden van deze dieren middels de gebruikelijke methoden (schietmasker) is onwenselijk vanwege het feit dat er eerst een zekere manipulatie van het dier door de mens moet plaatsvinden om het dier in de voor die dodingsmethode vereiste positie te brengen. Een dergelijke manipulatie veroorzaakt bij dit soort niet gedomesticeerde dieren een ongewenste opwinding (stress) met negatieve gevolgen voor de kwaliteit van het vlees. Het doden middels een kogel door een daartoe bevoegd persoon heeft dan ook de voorkeur van de fokkers van deze dieren.
Het op verzoek van de fokker doden van deze dieren kan dan ook een redelijk belang opleveren voor de verlening van een verlof tot het voorhanden hebben van een kogelgeweer. Een algemene voorwaarde voor de verlening van een dergelijk verlof is dat de aanvrager in het bezit moet zijn van een geldige jachtakte. Middels het overleggen van een geldige jachtakte toont de aanvrager aan dat hij geoefend is in het doden van dieren met gebruikmaking van een kogelgeweer. Bovendien wordt door het hanteren van deze voorwaarde onnodige uitbreiding van het wapenbezit veelal voorkomen.
Aan een dergelijk verlof dienen de volgende beperkingen te worden verbonden:
De bevoegdheid tot het doden van dieren geldt alleen voor als productiedieren gekweekt grofwild zoals bedoeld in artikel 13 van het Besluit doden van dieren (Stb. 1997, 235);
Het doden van het gekweekte grofwild vindt plaats op het terrein waar deze dieren worden gehouden;
Het wapen mag worden vervoerd van en naar die plaatsen waar het gekweekte desbetreffende grofwild wordt gehouden;
Het doden van gekweekt grofwild met behulp van een geweer mag alleen plaatsvinden tussen zonsopgang en zonsondergang;
Het gekweekt grofwild mag slechts worden gedood indien het geweer en de munitie voldoen aan de eisen zoals gesteld in artikel 10 en 11 van het Besluit beheer en schadebestrijding46Besluit van 28 november 2000, Stb. 521, gewijzigd bij besluit van 23 oktober 2001, Stb. 499;
Bij het doden van gekweekt grofwild mag geen gebruik worden gemaakt van militaire kogelpatronen, met inbegrip van fosfor- of lichtspoorpatronen, noch van volmantel-kogelpatronen of kogels die niet vervormen bij het treffen van het dier;
Bij het doden van het gekweekt grofwild mag de afstand tussen dier en schutter ten hoogste 25 meter bedragen;
De houder van het verlof dient er zorg voor te dragen dat zijn burgerrechtelijke aansprakelijkheid, voor schade waartoe het verrichten van die handelingen met gebruikmaking van een geweer aanleiding kan geven, door een verzekering is gedekt.
In de Wet Natuurbescherming is geregeld onder welke stringente voorwaarden iemand in aanmerking kan komen voor de verlening van een jachtakte. Tussen het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en het Ministerie van Justitie en Veiligheid is afgesproken om in beginsel geen afwijking meer toe te staan op de algemene regel dat een ieder die met een geweer wil jagen, dan wel zich wil bezig houden met beheer en bestrijding van schade, in het bezit dient te zijn van een geldige jachtakte. Op grond van de Wet Natuurbescherming bestaat echter de mogelijkheid dat Gedeputeerde staten op grond van artikel 68 van deze wet een ontheffing van artikel 7, tweede lid, van het Besluit beheer en schadebestrijding verlenen. In de laatstgenoemde bepaling wordt gesteld dat voor het gebruik van een geweer te bestrijding van schade door dieren een geldige jachtakte is vereist. Gedeputeerde staten bepalen binnen de toetsingscriteria van de wet of een dergelijk ontheffing noodzakelijk is. In praktijk zal hiertoe slechts bij hoge uitzondering besloten worden. Indien door Gedeputeerde staten een dergelijke ontheffing wordt verleend dan levert dit een redelijk belang op voor de verlening van een verlof.
De houder van een geldige jachtakte mag zijn geweren tevens gebruiken voor het uitoefenen van de jacht in het buitenland47Zie ook artikel 39 van de Regeling wapens en munitie voor de vrijstelling met betrekking tot het tijdelijk doen uitgaan of binnenkomen, alsmede vervoeren van jachtgeweren ter beoefening van de jacht.. Gelet op het belang van het beheersen van het legale bezit van wapens en de onmogelijkheid van de politie om de jacht in het buitenland te controleren, levert de uitoefening van de jacht in het buitenland in principe geen redelijk belang op voor de verlening van een verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens. In het licht van de Europese eenwording heeft de Minister van Justitie en Veiligheid – na afstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit – besloten om de jacht binnen de Europese Unie wél aan te merken als een redelijk belang voor de verlening van een verlof.
Voor de verlening van een verlof ten behoeve van de jacht elders in de Europese Unie dient de aanvrager te voldoen aan de volgende voorwaarden:
de leeftijd van de aanvrager is tenminste 18 jaar;
ten aanzien van de aanvrager mag geen ‘vrees voor misbruik’ bestaan (zie B 1.);
de aanvrager dient met gunstig gevolg een erkend jachtexamen te hebben afgelegd zoals bedoeld in de Wet Natuurbescherming;
de aanvrager dient aan te tonen dat hij elders in de Europese Unie gerechtigd is om, met het wapen waarvoor hij een verlof aanvraagt, te jagen. De aanvrager kan dit aantonen door het overleggen van een geldige jachtakte van één van de lidstaten van de Europese Unie;
door de verlening van het verlof c.q. bijschrijving op de jachtakte wordt het maximum aantal wapens zoals genoemd in artikel 43 van de RWM niet overschreden. Door het uitoefenen van de jacht in het buitenland kan niet worden aangetoond dat het ‘onontbeerlijk’48Zoals bedoeld in artikel 43, derde lid, van de Regeling wapens en munitie. is om van dit maximum af te wijken.
Indien de aanvrager reeds in het bezit is van een geldige Nederlandse jachtakte dan dient het wapen te worden bijgeschreven op de jachtakte. Indien de aanvrager niet beschikt over een geldige Nederlandse jachtakte dan kan het wapen worden bijgeschreven op een verlof tot het voorhanden hebben.
Een ieder – aan wie een verlof of jachtakte is verleend voor het voorhanden hebben van een hagelgeweer en de bijbehorende (categorie III) munitie – mag op grond van deze vergunning (zonder extra aantekening) lood- en zinkhagelmunitie voorhanden hebben (bijvoorbeeld ter uitoefening van de jacht of de beoefening van de schietsport in het buitenland).
Op deze hoofdregel zijn echter twee belangrijke beperkingen van toepassing, namelijk:
Het gebruik van lood- en zinkhagel is – op grond van het Besluit kleiduivenschieten Wet milieugevaarlijke stoffen49Besluit van 19 mei 2004, houdende regels inzake het beperken van de milieugevolgen van het kleiduivenschieten, Staatsblad 2004, 237. – bij het schieten op kleiduiven in Nederland niet toegestaan. Ook het voorhanden hebben van deze patronen tijdens het schieten op kleiduiven is verboden50Uitzondering op dit verbod is door de toenmalige Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM), na overleg met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), gemaakt voor aangewezen topsporters en gebruikers van geweren die zijn vervaardigd voor 1 januari 1890 en geweren die voor wat betreft model, materiaal en systeem identiek zijn aan geweren die vervaardigd zijn voor 1 januari 1890 (replica’s). Uitsluitend op deze personen is het verbod tot en met 31 december 2008 niet van toepassing. Het opzettelijk in strijd handelen met het Besluit kleiduivenschieten Wms is op grond van artikel 1a juncto artikel 2 van de Wet op de Economische Delicten (WED) aangemerkt als een ‘misdrijf’ en kan derhalve leiden tot intrekking van het verlof of de jachtakte;
Het voorhanden hebben en het gebruik van loodhagel is, op grond van de Wet Natuurbescherming, niet toegestaan bij de uitoefening van de jacht of bij beheer- en/of schadebestrijding.
Zelfverdediging kan slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden worden aangemerkt als een redelijk belang dat het verlenen van een verlof tot het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III vordert. Van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld of van zodanige omstandigheden sprake is. Bij de beoordeling van de aanvraag spelen uiteraard ook de betrouwbaarheid van de aanvrager en diens geoefendheid in de omgang met vuurwapens een rol.
De korpschef verleent een verlof tot het voorhanden hebben of dragen van een vuurwapen van categorie III ten behoeve van zelfverdediging niet dan met schriftelijke instemming van de Minister van Justitie en Veiligheid. Daartoe kan telefonisch contact worden opgenomen met het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Van de verlening van het verlof wordt onverwijld schriftelijk mededeling gedaan aan de Minister. Indien een verlof tot het dragen van een vuurwapen van categorie III wordt gevraagd dient tevens een verlof te worden gevraagd tot het voorhanden hebben van dat vuurwapen, tenzij de aanvrager daartoe reeds bevoegd is.
Voor wapens van categorie II kan door de korpschef geen verlof worden verleend. Dergelijke wapens (waaronder de automatische vuurwapens) behoren, gelet op de aard daarvan, in beginsel niet in particuliere handen te komen. Het voorhanden hebben van wapens van categorie II is voor particuliere uitsluitend toegestaan indien daartoe door de Minister van Justitie en Veiligheid, op grond van artikel 4 van de WWM, een ontheffing is verleend. Dit artikel geeft echter geen mogelijkheid om ontheffing te verlenen voor het voorhanden hebben van automatische wapens ten behoeve van zelfverdedigingsdoeleinden. Tenslotte kan bij wijze van uitzondering een verlof tot het dragen van een ander wapen dan een vuurwapen, bijvoorbeeld een wapenstok, worden verleend indien daarvoor naar het oordeel van de korpschef aanleiding bestaat.
Het voorhanden hebben van (vuur)wapens aan boord van Nederlandse schepen is slechts toegestaan indien de wapens krachtens een verlof aan boord voorhanden mogen worden gehouden. Indien een dergelijk verlof is verleend dan is – voor zover de wapens en munitie tot de uitrusting van het schip behoren – de vrijstelling van artikel 33 van de RWM van toepassing, op grond waarvan aan de houder van het verlof vrijstelling wordt verleend voor het tijdelijk doen uitgaan en doen binnenkomen van deze wapens en de bijbehorende munitie.
Wanneer iemand op een zeewaardig Nederlands schip een langdurige zeereis gaat ondernemen waarbij hij zich in wateren zal gaan begeven waarvan bekend is dat piraterij zich daar regelmatig voordoet dan kan dit de verlening van een verlof51Indien de aanvrager van het verlof voor een periode langer dan een jaar in het buitenland verblijft, bestaat er geen bezwaar tegen om het verlof op voorhand voor meerdere jaren te verlengen. tot het voorhanden hebben van een vuurwapen rechtvaardigen.
Bij het oordeel of een persoon voor een dergelijk verlof in aanmerking komt zal door de korpschef naast het gevarenrisico, ook de betrouwbaarheid van de aanvrager en diens geoefendheid in de omgang met vuurwapens moeten worden betrokken. Op een dergelijk verlof zullen niet zonder meer alle vuurwapens van categorie III mogen worden vermeld. Een verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens ten behoeve van zelfverdediging met het oog op mogelijke piraterij zal in beginsel voor ten hoogste één handvuurwapen (pistool of revolver) en/of één geweer worden verleend. De wapens dienen aan boord van het schip te worden opgeborgen in een voor derden niet gemakkelijk bereikbare en goed afgesloten bergplaats.
Degene aan wie een dergelijk verlof wordt verleend doet er verstandig aan om voor het begin van de reis te informeren naar de eisen die de te bezoeken landen stellen aan het voorhanden hebben van vuurwapens op hun grondgebied c.q. binnen hun territoriale wateren. Het is bovendien raadzaam om een verkregen verlof door een beëdigd vertaler in diverse talen te laten vertalen en direct na aankomst aan de (haven) autoriteiten te tonen.
Aan het verlof dienen de volgende beperkingen en voorschriften te worden verbonden: BEPERKINGEN:
De wapens mogen uitsluitend aan boord van het schip voorhanden worden gehouden;
Zolang het schip zich in de Nederlandse territoriale wateren bevindt dienen de wapens aan boord van het schip te worden opgeborgen in een voor onbevoegden niet gemakkelijk bereikbare en afgesloten bergplaats.
VOORSCHRIFTEN:
De houder van het verlof dient binnen twee weken na terugkeer in Nederland dit verlof in te leveren bij de korpschef die het verlof heeft verleend;
De houder van het verlof houdt zich strikt aan de bepalingen, gesteld bij of krachtens de Wet wapens en munitie, alsmede aan de in het verlof vermelde voorschriften en beperkingen.
In Nederland zijn er een aantal bedrijven die zich beroepsmatig bezig houden met het verhuren van rekwisieten ten behoeve van film-, theaterproducties, concerten of andere soortgelijke evenementen, en re-enactment opvoeringen. Een onderdeel van de verhuur van deze rekwisieten bestaat uit de verhuur van voorwerpen die vallen onder de werking van de Wet wapens en munitie. Gelet op artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie is het in de uitoefening van een bedrijf verhuren van wapens of munitie slechts toegestaan indien aan het desbetreffende bedrijf een erkenning is verleend door de korpschef. Feitelijk wordt de erkenning afgegeven door de politiechef in de regionale eenheid van de politie waar het bedrijf is gevestigd. Naast de algemene regels die van toepassing zijn op een erkenning houder is de tijdelijke overdracht (verhuur) van (vuur)wapens slechts toegestaan indien wordt voldaan aan de volgende voorschriften.
De vuurwapens die aan derden worden verhuurd dienen zoveel mogelijk voor het verschieten van scherpe munitie ongeschikt te zijn gemaakt52Sommige wapens (zoals bijvoorbeeld hagelgeweren met een pomp mechanisme) kunnen niet op een veilige wijze worden omgebouwd voor het verschieten van uitsluitend losse flodders.;
Indien er meer dan vijf, voor het verschieten van scherpe munitie onklaar gemaakte vuurwapens, dan wel één of meer, niet voor het verschieten van scherpe munitie onklaar gemaakte vuurwapens, aan één cliënt ter beschikking worden gesteld dan dient de in de erkenning genoemde beheerder tijdens de verhuur in persoon bij de vuurwapens aanwezig te zijn. Zo nodig kan, in plaats van de beheerder, een bij hem in dienst zijnde persoon, die in het bezit is van een door de korpschef afgegeven doorlopend verlof tot vervoer, tijdens de verhuur bij de vuurwapens aanwezig zijn;
Het dragen (onverpakt voorhanden hebben) van de wapens op de openbare weg of op andere voor het publiek toegankelijke plaatsen is uitsluitend toegestaan indien hiervoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door de desbetreffende burgemeester en de korpschef;
Het gebruik van losse flodders (knalpatronen) is uitsluitend toegestaan onder begeleiding van de
in de erkenning genoemde beheerder dan wel een bij hem in dienst zijnde persoon, die in het bezit is van een door de korpschef afgegeven doorlopend verlof tot vervoer. Uitzondering hierop vormt de verhuur van wapens ten behoeve van theaterproducties waarbij de desbetreffende gebruiker(s) vooraf door de erkenning houder geïnstrueerd zijn over de in acht te nemen (veiligheids-) voorschriften bij het gebruik van de wapens;
Het tijdelijk overdragen (verhuren) van de (vuur)wapens is uitsluitend toegestaan indien de wapens staan vermeld op een volledig ingevuld formulier TVW (Tijdelijk Verhuur van Wapens)53Dit formulier kan worden aangevraagd bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid, Dienst Justis: telefoon: 070-370 90 70.;
Indien sprake is van tijdelijk overdragen, wendt de huurder zich, minimaal zeven dagen voor het gebruik, met het originele en volledig ingevulde TVW-formulier tot de Eenheidschef in de politieregio waar de wapens voorafgaande aan, of na afloop van het gebruik ervan, zullen worden bewaard. Tevens wendt hij zich tot de Eenheidschef van de politieregio waar de wapens daadwerkelijk zullen worden gebruikt voor het doel waarvoor deze ter beschikking worden gesteld. Eerst na afstempeling en parafering door (of namens) de betrokken Eenheidchef(s) is de verhuurder bevoegd om de (vuur)wapens ter beschikking te stellen en is de huurder bevoegd tot het verkrijgen, voorhanden hebben en vervoeren van die (vuur)wapens. Het formulier TVW is niet benodigd indien de beheerder, of een bij hem in dienst zijnde persoon, tijdens de verhuur in persoon aanwezig is.
De erkenning houder, het namens hem handelende personeelslid, de huurder en de voor de huurder optredende beheerder dienen zich strikt te houden aan de bepalingen gesteld bij of krachtens de Wet wapens en munitie, alsmede aan de overige beperkingen en voorschriften die zijn vermeld op het formulier TVW.
De persoon aan wie een vergunning is verleend tot het voorhanden hebben van wapens en/of munitie dient – indien de wapens en de bijbehorende munitie thuis voorhanden worden gehouden – er voor te zorgen dat deze worden opgeborgen in afzonderlijke, deugdelijk afgesloten, en voor onbevoegden niet gemakkelijk bereikbare bergplaatsen. De wapens dienen dus gescheiden van de munitie te worden opgeborgen.
De hieronder genoemde bepalingen betreffende het opbergen van wapens en munitie zijn tevens van toepassing op essentiële onderdelen van wapens zoals bedoeld in artikel 3 van de Wet wapens en munitie.
De bepalingen zijn echter niet van toepassing op de (onderdelen van) wapens en (onderdelen van) munitie waarop de vrijstelling van artikel 18 van de Regeling wapens en munitie van toepassing is noch op lege hulzen en projectielen die bestemd zijn voor het herladen. De onderstaande bepalingen zijn wel van toepassing op de opslag van slaghoedjes maar zijn niet van toepassing op de opslag van kruit. Het voorhanden hebben van kruit valt immers niet onder de werking van de WWM.
Als een deugdelijke bergplaats voor wapens en/of munitie wordt uitsluitend aangemerkt een speciaal voor de opslag van wapens vervaardigde wapenkast/wapenkluis of een andere kluis die qua uitvoering en inbraakwerendheid daarmee kan worden gelijkgesteld. Een kluis dient deugdelijk te worden verankerd in de vloer of de muur van het gebouw tenzij de kluis van een dusdanig gewicht is (minimaal 200 kilo) dat het zo goed als uitgesloten is dat de kluis bij een inbraak kan worden meegenomen.
Aan personen of instellingen die bevoegd zijn tot het voorhanden hebben van grote aantallen (meer dan 25) wapens (bijvoorbeeld wapenverzamelaars/musea) en personen of instellingen die bevoegd zijn tot het voorhanden hebben van munitie die in totaal een grote omvang heeft (bijvoorbeeld munitieverzamelaars/musea) is het, naast de berging in (wapen) kluizen, ook toegestaan om wapens en/of munitie op te bergen in een andere deugdelijk afgesloten bergplaats zoals een speciaal beveiligde (wapen)kamer. De omvang van de te treffen beveiligingsmaatregelen is uiteraard afhankelijk van de soort (gevaarzetting) en het aantal wapens of munitie dat in het gebouw ligt opgeslagen alsmede van de ligging en de beveiliging van het gebouw, hetgeen per geval zal moeten worden beoordeeld door de politie.
Het opbergen van privé- en verenigingsvuurwapens en munitie bij schietverenigingen is toegestaan mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
De vereniging dient te beschikken over een deugdelijk afsluitbare ruimte waarin afzonderlijk afsluitbare kluizen zijn geplaatst die voldoen aan de onder B 8.1. genoemde criteria;
De (reserve)sleutels van de afzonderlijk afsluitbare kluizen mogen niet in het pand van de vereniging worden opgeslagen.
Indien er bij een vereniging of inrichting (als bedoel in de Wet Milieubeheer) meer dan 25 vuurwapens liggen opgeslagen dan dient de ruimte waarin de kluizen zijn geplaatst alsmede het gebouw waarin deze ruimte is gelegen voorzien te zijn van een goedgekeurde alarminstallatie die is aangesloten op een particuliere alarmcentrale als bedoeld in artikel 3, onder b, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.
In het geval dat een verlof- c.q. jachtaktehouder een gedeelte van het jaar buiten zijn vaste woonplaats verblijft, bijvoorbeeld op een vakantieadres, en hij daar zijn vuurwapens voorhanden wil houden teneinde ter plaatse de jacht of de schietsport te kunnen beoefenen, bestaat er mijnerzijds geen bezwaar tegen dat de korpschef op het verlof c.q. de jachtakte de aantekening doet dat de vuurwapens ook voorhanden mogen worden gehouden op het tijdelijke adres.
Is het tijdelijke adres van de verlof- c.q. jachtaktehouder gelegen buiten de regio waaronder de vaste woonplaats van de verlofhouder ressorteert dan is overleg – met de politiechef in de regio waaronder het tijdelijke adres ressorteert – geboden. Tevens dient aan laatstgenoemde politiechef een kopie van het verlof te worden toegezonden.
Vanzelfsprekend dient de verlof- c.q. jachtaktehouder op zijn tijdelijk adres eveneens over de mogelijkheid te beschikken om zijn vuurwapens conform de in onderdeel B 8.1 van deze circulaire genoemde eisen op te bergen.
Het is niet ongebruikelijk dat verlof- of jachtaktehouders gemeenschappelijk gebruik willen maken van één of meerdere vuurwapen(s). Tegen het gemeenschappelijk gebruik van vuurwapens is geen bezwaar wanneer dit het toezicht en de controle op de naleving van wapen wettelijke voorschriften niet in gevaar brengt. Daarom moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
Slechts één verlof- c.q. jachtaktehouder (A) is bevoegd het wapen thuis te bewaren (voorhanden te hebben). Dit houdt in dat de andere verlof- c.q. jachtaktehouder (B) die het wapen op zijn verlof respectievelijk jachtakte vermeld heeft staan, het wapen – alvorens hij dit gaat gebruiken voor het doel waarvoor hem een verlof respectievelijk een jachtakte is verleend – eerst bij A moet ophalen om het na gebruik terstond weer bij A terug te brengen. Verlof- of jachtaktehouder A is verplicht over de deugdelijke bergplaats zoals beschreven onder 8.1 te beschikken. Deze verplichting rust niet op verlof- of jachtaktehouder B die als medegebruiker te boek staat. Verlof- of jachtaktehouder B zal het wapen of de wapens waarvan hij medegebruiker is onder geen enkele voorwaarde thuis mogen bewaren of opslaan. Enige uitzondering kan een overmacht situatie zijn, waarbij zich een levensbedreigende situatie voordoet. Maar ook dan mag de opslag niet langer voortduren dan strikt noodzakelijk.
Indien de medegebruiker munitie thuis wenst op te slaan dient hij te beschikken over een deugdelijke bergplaats.
De verschillende verloven c.q. jachtakten moeten ten aanzien van het gemeenschappelijk wapen onderling naar elkaar verwijzen en moeten aangeven wie van de verlof- c.q. jachtaktehouders bevoegd is het wapen thuis te bewaren;
Indien A bij een controle niet kan aangeven waar een wapen in medegebruik is, wordt zijn verlof ingetrokken.
Een wapen dat vermeld staat op twee verloven of jachtakten telt bij de A-houder (dit is dus degene die het wapen voorhanden heeft op het moment dat het wapen niet gebruikt wordt voor de beoefening van de schietsport of de uitoefening van de jacht door de B-houder) mee voor het maximum aantal wapens dat hij of zij (op grond van artikel 43 van de RWM) voorhanden mag hebben.
Bij de B-houder (dit is dus degene die het wapen leent van de A-houder en na gebruik terstond weer bij A terug brengt) telt het wapen niet mee voor de bepaling van het maximum aantal wapens dat hij of zij voorhanden mag hebben. Het aantal wapens dat met gebruikmaking van deze constructie op een verlof c.q. jachtakte mag worden vermeld bedraagt maximaal 10 voor een verlof en maximaal 12 vuurwapens voor een jachtakte.
Indien meerdere personen binnen een huishouden op grond van hun respectievelijke wapenverloven, allen bevoegd zijn tot het voorhanden hebben van alle binnen het huishouden aanwezige vuurwapens, mogen deze vuurwapens in dezelfde kluis worden bewaard. Dit geldt uitdrukkelijk niet wanneer de verschillende personen binnen het huishouden op grond van hun wapenverloven bevoegd zijn tot het voorhanden hebben van verschillende wapens.
Indien het wapenverlof is verleend, houdt de politie toezicht op de wapenverlofhouder. De politie controleert onaangekondigd bij wapenverlofhouders of zij hun wapens en munitie correct hebben opgeborgen. Dit betekent dat niet elke verlofhouder jaarlijks wordt gecontroleerd, wel zal elke verlofhouder minimaal één keer per drie jaar een thuiscontrole krijgen. Indien nodig, zullen verlofhouders op basis van een risico-indicatie en op basis van steekproeven, vaker gecontroleerd worden. Voor verlofhouders tot 25 jaar geldt een thuiscontrole van minimaal één keer per jaar.
Het is noodzakelijk dat bij alle verlofhouders en jachtaktehouders, wordt gecontroleerd of:
de wapens en munitie welke door de betrokkene voorhanden worden gehouden, beantwoorden aan de omschrijving op het verlof en/of de jachtakte;
de verlofhouder of jachtaktehouder aan alle in de wet en regelgeving omschreven eisen voldoet.
de wapens en/of de munitie op de juiste wijze zijn opgeborgen (zie B 8).
Gelet op de aard van deze controle, zal deze moeten plaatsvinden door middel van een, bij voorkeur onaangekondigd, huisbezoek. Daarnaast is het mogelijk om, ter controle van bepaalde gegevens, betrokkene te verzoeken zich met zijn wapens op het bureau te vervoegen. Uiteraard geldt dat personen die er blijk van hebben gegeven het met de naleving van de voorschriften niet zo nauw te nemen, aan een intensiever toezicht dienen te worden onderworpen dan personen van wie is gebleken dat zij de wapenwetgeving stipt naleven.
Bij lichtere onregelmatigheden, zoals kleine onjuistheden of slordigheden, dient een schriftelijke waarschuwing aan betrokkene te worden gegeven, waarin hem wordt meegedeeld welke onjuistheden of slordigheden zijn geconstateerd en waarin hij wordt gemaand om die in de toekomst te voorkomen.
Gegeven waarschuwingen en eventueel opgemaakte processen-verbaal kunnen er toe leiden ofwel
dat aan het verleende verlof of de verleende jachtakte zwaardere voorschriften of beperkingen worden verbonden ofwel dat tot intrekking wordt overgegaan. Indien, nadat intrekking heeft plaatsgevonden, in een eventueel volgende beroepsprocedure kan worden aangetoond dat betrokkene één of enkele malen schriftelijk is gewezen op de niet correcte naleving van de WWM dan bestaat er een grotere kans dat de intrekking ook in beroep zal worden gehandhaafd. Een schriftelijke waarschuwing is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Er kan geen bezwaar of beroep tegen worden ingesteld54Zie Raad van State, 18 januari 2006, LJN AU9822..
Bij schietverenigingen dient – naast de in onderdeel B 9.1 genoemde punten – bij een controle tevens aandacht te worden besteed aan de volgende punten:
worden – indien van toepassing – de wapens en munitie uitgegeven door de beheerder van de vereniging en beschikt deze beheerder over een aan hem uitgegeven verenigingsverlof;
Is de vereniging door de KNSA of KNTS gecertificeerd?
is – indien van toepassing – de verenigingsbeheerder in de positie om toezicht te houden op de schutter aan wie een verenigingswapen ter is hand gesteld en ziet hij er, eventueel in samenspraak met de baancommandant, op toe dat niet verschoten munitie wordt ingeleverd;
is er een presentieregister aanwezig en wordt dit conform de voorschriften (zie onderdeel B 2.4.2) bijgehouden;
worden – indien van toepassing – de voorschriften met betrekking tot het gebruik van verenigingswapens en munitie nageleefd (zie onderdeel B 2.2.2 en B 2.2.3);
worden de voorschriften met betrekking tot promotieactiviteiten en introducés nageleefd (zie onderdeel B 2.2.5).
Aan de door de Minister van Justitie en Veiligheid verleende ontheffingen is in de meeste gevallen het voorschrift verbonden dat de ontheffing uitsluitend geldt voor zover de wapens en/of munitie staan vermeld op een door de korpschef afgegeven verlof tot het voorhanden hebben van wapens en/of munitie. Hetgeen hiervoor onder B 9.1 staat vermeld geldt derhalve ook onverkort voor de controle op ontheffing houders. Ten aanzien van het opbergen van wapens en munitie kunnen in de ontheffing echter afwijkende bepalingen zijn opgenomen. Dit is met name het geval voor ontheffingen die zijn verleend aan musea.
Indien er bij een controle onregelmatigheden/overtredingen worden geconstateerd dan dient de korpschef zo spoedig mogelijk de Minister van Justitie en Veiligheid hiervan op de hoogte te stellen. De Minister van Justitie en Veiligheid zal vervolgens beoordelen of de geconstateerde onregelmatigheden/overtredingen aanleiding geven om aan betrokkene een schriftelijke waarschuwing te geven dan wel de ontheffing in te trekken.
Indien de korpschef van mening is dat de aanwezigheid van de wapens en/of munitie – die op grond van de ontheffing voorhanden mogen worden gehouden – een direct gevaar oplevert voor betrokkene of voor zijn omgeving dan kan de korpschef middels een besluit – op grond van artikel 8, tweede lid, van de WWM – de ontheffing houder gelasten om de wapens en/of munitie binnen een in dat besluit gestelde termijn bij hem in bewaring te geven. Een afschrift van een dergelijk besluit dient door de korpschef zo spoedig mogelijk aan de Minister van Justitie en Veiligheid te worden toegezonden.
Ingevolge de richtlijn d.d. 18 juni 1991 van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (91/477/EEG) zijn de lidstaten van de Europese Unie gehouden het als wapenhandelaar op hun grondgebied werkzaam zijn afhankelijk te stellen van een erkenning op grond van tenminste een controle van de betrouwbaarheid van de wapenhandelaar in de persoonlijke (zedelijkheid) en beroepensfeer (vakbekwaamheid). De bevoegde instanties in de lidstaten controleren geregeld of wapenhandelaren hun wettelijke verplichtingen nakomen.
Door de afschaffing van de douanecontrole aan de binnengrenzen van de bij de EU aangesloten landen, is het belang van intensivering van het binnenlandse toezicht op het wapenbezit aanmerkelijk toegenomen. Dit rechtvaardigt dat houders van een erkenning, in het bijzonder wapenhandelaren, die immers staan aan het begin van de keten waarlangs de verspreiding van wapens over een groot publiek zich voltrekt, aan regelmatig en grondig toezicht, middels een controle van hun bedrijfsruimte, hun administratie, alsmede hun wapen- en munitievoorraad, worden onderworpen. Een regelmatig toezicht op de activiteiten van erkenning houders is dus noodzakelijk.
In de eerste plaats kan dit gebeuren door het controleren van de kopieën van de registers die de beheerder op grond van artikel 12 van de RWM maandelijks dient toe te zenden aan de korpschef.
In de tweede plaats dient de politie tenminste eenmaal per jaar, de vestiging waar de activiteiten worden uitgeoefend te bezoeken, teneinde de gang van zaken in die vestiging op een juiste naleving te controleren. Hierbij dient ook te worden gelet op de naleving van de veiligheidsvoorschriften (artikel 11 van de RWM). Uiteraard geldt dat beheerders die er blijk van hebben gegeven het met de naleving van de voorschriften niet zo nauw te nemen, aan een intensiever toezicht dienen te worden onderworpen dan beheerders van wie is gebleken dat zij de wapenwetgeving stipt naleven.
In de derde plaats dient tenminste eenmaal per jaar, bij voorkeur aan het begin van het jaar, de werkelijke voorraad in de vestiging te worden opgenomen en te worden gecontroleerd aan de hand van de opgave daaromtrent in de kopieën van de registers die overeenkomstig artikel 12 van de RWM aan de politie zijn verstrekt. Bij deze controle kan zo nodig met het nemen van steekproeven worden volstaan.
Bij lichtere onregelmatigheden, zoals kleine onjuistheden of slordigheden, dient een schriftelijke waarschuwing aan betrokkene te worden gegeven, waarin hem wordt meegedeeld welke onjuistheden of slordigheden zijn geconstateerd en waarin hij wordt gemaand om die in de toekomst te voorkomen. Een schriftelijke waarschuwing is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Er kan geen bezwaar of beroep tegen worden ingesteld55Zie 48..
Afhankelijk van de ernst van de geconstateerde feiten, eventueel opgetekend in processen-verbaal, en/of de frequentie van gegeven waarschuwingen, kunnen zwaardere voorschriften of beperkingen aan de erkenning worden verbonden ofwel kan (moet) de erkenning worden ingetrokken. Indien, nadat intrekking heeft plaatsgevonden, in een eventueel volgende beroepsprocedure kan worden aangetoond dat betrokkene één of enkele malen schriftelijk is gewezen op de niet correcte naleving van de WWM, bestaat er een grotere kans dat de intrekking ook in beroep zal worden gehandhaafd.
Indien consenten tot uitgaan of tot doorvoer of tot binnenkomen in verband met overbrenging en opslag onder douaneverband door de verlenende instantie niet van de douane zijn terugontvangen, zal de korpschef (en feitelijk de politiechef in de plaats waar de aanvrager is gevestigd of in het geval het consent op naam van de wapenhandelaar is gesteld, in de plaats waar de wapenhandelaar is gevestigd), een onderzoek instellen. Dit onderzoek dient zo spoedig mogelijk na afloop van de geldigheidsduur van het desbetreffende consent plaats te vinden. De korpschef zal moeten nagaan of het uitgaan of de doorvoer van de in het consent vermelde wapens en munitie al dan niet heeft plaats gehad, alsmede om welke redenen – bij gebruikmaking van het consent – het consent niet aan de douane is afgegeven, dan wel – bij niet-gebruikmaking van het consent – het consent niet aan de verlenende instantie is teruggezonden.
Artikel B
Bijzonder deel (B)
Onderdeel van Circulaire wapens en munitie 2019· Staats- en bestuursrecht
Deze tekst geldt sinds 1 februari 2020
Verwijzingen
- artikel 37
- artikel 7
- Artikel 7
- artikel 28
- artikel 1
- artikel 28
- artikel 28
- artikel 1
- artikel 7
- artikel 18
- artikel 7 WWM
- artikel 3
- artikel 7
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 28
- artikel 28
- artikel 3
- artikel 2
- artikel 1
- artikel 17c
- artikel 17
- artikel 28
- artikel 2
- artikel 7
- artikel 28
- artikel 2
- artikel 28
- artikel 1a
- artikel 7
- artikel 17a
- artikel 2
- artikel 1
- artikel 18
- artikel 23
- artikel 8
- artikel 2
- artikel 1
- artikel 22
- artikel 4
- artikel 7
- artikel 1
- artikel 257a
- artikel 28
- artikel 26
- artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht
- artikel 2
- artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht
- artikel 18
- artikel 28 WWM
- artikel 7
- artikel 18
- artikel 5
- artikel 1
- artikel 1
- artikel 1
- artikel 3
- artikel 43
- artikel 43
- artikel 17c
- artikel 1
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 1
- artikel 9
- artikel 43
- artikel 9
- artikel 7
- artikel 8
- artikel 43
- artikel 3
- artikel 10
- artikel 1a