**1.** De minister verleent slechts een tijdelijke gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 26r, eerste lid, van de wet, indien veilig gebruik van de spoorvoertuigen en de compatibiliteit van de spoorvoertuigen met de hoofdspoorweginfrastructuur gewaarborgd is.
**2.** Bij een aanvraag voor een tijdelijke gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 26r, eerste lid, van de wet, wordt in ieder geval bijgevoegd:
de motivering van de noodzaak voor de aanvraag;
de volgende informatie over de in te zetten spoorvoertuigen;
identificatienummers;
indien aanwezig een kopie van de laatst afgegeven voertuigvergunning;
indien aanwezig reeds eerder toegekende ontheffingen;
de volgende informatie over het voorziene gebruik van de spoorvoertuigen;
inzetgebied;
de inzettermijn;
in voorkomend geval, de omvang van afwijkingen van een reeds verleende vergunning of geldende verplichting;
alle redelijk voorzienbare risico’s; en
de in te zetten risicobeheersmaatregelen.
**3.** De informatie, bedoeld in het tweede lid, gaat, voor zover deze beschikbaar is, vergezeld van:
een of meerdere certificaten afgegeven door conformiteitsbeoordelingsinstanties als bedoeld in artikel 26u, eerste lid, en artikel 26v, eerste lid, van de wet;
een verklaring van de aanvrager als bedoeld in artikel 16 van uitvoeringsverordening (EU) 402/2013, die is opgesteld op basis van een veiligheidsbeoordelingsverslag van beoordelingsinstanties als bedoeld in artikel 7 van uitvoeringsverordening (EU) 402/2013.
§ 3
Artikel 20
Tijdelijke gebruiksvergunning
Onderdeel van Regeling indienststelling spoorvoertuigen 2020· Vervoersrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2026