**1.** De penvoerder stuurt jaarlijks voor 1 juni een financiële verantwoording in van de uitgevoerde activiteiten in het vorige kalenderjaar. Deze financiële verantwoording zal worden aangevuld met een verantwoording op de prestatieafspraken. In jaar 2, te weten 2022, en in jaar 4, te weten 2024, zal de penvoerder de financiële verantwoording en de verantwoording op prestatieafspraken vergezellen van een inhoudelijk voortgangsverslag. Indien de penvoerder gebruik maakt van de mogelijkheid om het project door te laten lopen tot uiterlijk 1 juli 2025 dan zal de laatste verantwoording anderhalf jaar beslaan en uiterlijk 1 oktober 2025 bij het Fonds ingediend te zijn.
**2.** De financiële verantwoording sluit aan op de ingediende begroting en gaat indien de subsidie gelijk is aan of hoger is dan € 125.000 per jaar, vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De verklaring dient te zijn opgesteld overeenkomstig een door het Fonds vast te stellen protocol. Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van de afdelingen 1, 7, 11, 12, 14 en 15, is van toepassing op de financiële verantwoording, met dien verstande dat de winst- en verliesrekening wordt vervangen door een exploitatierekening.
**3.** Het Fonds stelt nadere voorwaarden aan de inrichting van de verantwoording. Die nadere voorwaarden zijn terug te vinden in het Handboek Verantwoording Cultuureducatie met Kwaliteit 2021–2024.
**4.** De penvoerder draagt er zorg voor dat de accountant meewerkt aan onderzoeken naar de verrichte (controle)werkzaamheden door een door het Fonds aan te wijzen partij. De daaraan verbonden kosten van de penvoerder zijn voor eigen rekening.
Paragraaf 4
Artikel 4.3
Verantwoording
Onderdeel van Regeling Cultuureducatie met Kwaliteit Fonds voor Cultuurparticipatie 2021–2024· Cultureel recht
Deze tekst geldt sinds 19 mei 2020