Naar hoofdinhoud

Artikel 8

Gunstbetoon

Onderdeel van Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken· Procesrecht

Deze tekst geldt sinds 1 juni 2020

Onder gunstbetoon valt het verrichten van handelingen die vallen binnen de normale bevoegdheden van de officier van justitie, die een relatief geringe omvang hebben en geen rechtstreeks verband houden met de beslissingen als bedoeld in de artikelen 348 en 350 Sv, maar die wel op enigerlei wijze invloed kunnen hebben op de bereidheid van een getuige tot het afleggen van een getuigenverklaring. Hierover kan de officier van justitie zelfstandig beslissen. Indien sprake is van een uitdrukkelijk en causaal verband tussen het verlenen van een dergelijke gunst en de bereidheid van de getuige een verklaring af te leggen, dient hiervan overeenkomstig artikel 226g, vierde lid, Sv een proces-verbaal te worden opgemaakt, dat ten spoedigste bij de processtukken (in de zaak van de getuige en die van de verdachte ten laste van wie hij verklaart) wordt gevoegd. Indien voor de te verlenen gunst de toestemming of medewerking van derden is vereist (zoals buitenlandse autoriteiten of bestuursorganen), maakt de officier van justitie aan de getuige duidelijk dat geen garantie kan worden gegeven voor het gewenste resultaat. Hij kan alleen een inspanningsverplichting aangaan. Voorbeelden van gunsten zijn: het meewerken aan of het zich niet verzetten tegen een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis, de versnelde teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen voor zover het belang van de strafvordering zich daartegen niet verzet, het bevorderen van de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis van de verdachte in een huis van bewaring dichter bij zijn sociale omgeving, het bevorderen dat de tenuitvoerlegging van een in het buitenland opgelegde straf in Nederland kan worden voortgezet in het kader van de WOTS of de WETS en het verlenen van voorspraak bij bestuursorganen als de IND en de Belastingdienst. Getuigenbeschermingsmaatregelen behoren niet tot het gunstbetoon waarvan op grond van artikel 226g, vierde lid, Sv proces-verbaal moet worden opgemaakt.8HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:600 (Liquidatieproces Passage), r.o. 3.10.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel