**1.** Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is ingediend, blijft het oude recht van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt, met dien verstande dat:
als de activiteit in overeenstemming is met artikel 2.10, eerste lid, onder c, respectievelijk artikel 2.11 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de omgevingsvergunning toch kan worden geweigerd als de activiteit in strijd is met het omgevingsplan,
als de activiteit in strijd is met artikel 2.10, eerste lid, onder c, respectievelijk artikel 2.11 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de omgevingsvergunning toch kan worden verleend als de activiteit in overeenstemming is met het omgevingsplan, en
bij het met toepassing van artikel 6.17 van de Wet ruimtelijke ordening aan de omgevingsvergunning verbinden van het voorschrift dat de vergunninghouder een exploitatiebijdrage is verschuldigd, het omgevingsplan in acht wordt genomen, voor zover het gaat om een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht die betrekking heeft op een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening.
**2.** Artikel 4.3 is in die gevallen niet van toepassing.
Hoofdstuk 4 › Afdeling 4.3 › § 4.3.11
Artikel 4.80a0
(doorwerking omgevingsplan in beoordelingsregels ruimtelijke besluiten Wabo)
Onderdeel van Invoeringswet Omgevingswet· Ruimtelijke ordening en milieu
Deze tekst geldt sinds 1 juli 2026