Naar hoofdinhoud

Artikel 7

Maatregelen ter beperking van de risico’s

Onderdeel van Circulaire risicobeheersing lithium-ion energiedragers· Ruimtelijke ordening en milieu

Deze tekst geldt sinds 1 juli 2020

Vanwege de moeilijke bestrijdbaarheid van een brand met lithium-ion energiedragers ligt de nadruk op maatregelen in de preventieve sfeer en de voorbereiding op een incident, zodat een incident beperkt blijft of gemakkelijker te bestrijden is. In beide gevallen is er sprake van een risicoverlagend effect. Het bevoegd gezag kan de maatregelen meenemen in het overleg met degene die energiedragers opslaat of een EOS plaatst dan wel beheert of een voornemen daartoe heeft. Ter voorkoming van willekeur is het van belang dat er een gedegen motivering aan het maatregelenpakket ten grondslag ligt. Zo nodig kan het bevoegd gezag vergunningvoorschriften of maatwerkvoorschriften stellen of handhavend optreden. Dit op basis van de vergunningplicht uit de Wabo, de zorgplichtbepalingen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer of de Wet milieubeheer, of de restrisico’s overeenkomstig het Bouwbesluit, artikel 7.10 (zie bijlage, paragraaf B3.3). In de bijlage wordt aangegeven wanneer deze regelgeving van toepassing is. De hiernavolgende maatregelen zijn opgebouwd aan de hand van tabel 2 uit hoofdstuk 6 en zijn in tabel 3 nog eens schematisch weergegeven. De maatregelen gelden in aanvulling op geldende regelgeving uit de bijlage. Par. Titel Par. Titel 7.1 Opslag van energiedragers 7.2 EOS 7.1.1 het niveau van de energiedrager zelf – Kwaliteitsbeheersprogramma en testen – Bescherming door verpakking 7.2.1 Veiligheid van de afzonderlijke energiedrager in een EOS – Kwaliteitsbeheersprogramma en testen 7.1.2 het niveau van de opslagfaciliteit – Brandcompartimentering/maatwerk – Brandveiligheidskluis – Brandveiligheidskast – Brandveilige verpakking – Verantwoord stapelen – Good housekeeping – Bijzonderheden voor verkoopruimten/winkels 7.2.2 Het inrichten van het EOS – Modulaire indeling en incidentbescherming 7.1.3 Omgevingsveiligheid van de opslag van energiedragers – Afweging locatiekeuze 7.2.3 Omgevingsveiligheid van het EOS – Afweging locatiekeuze en afstanden 7.1.4 Bereikbaarheid en bekendheid bij de opslag van energiedragers – Locatiebekendheid voor hulpdiensten – Locatiebereikbaarheid voor hulpdiensten – Markering 7.2.4 Bereikbaarheid en bekendheid van EOS – Locatiebekendheid voor hulpdiensten – Locatiebereikbaarheid voor hulpdiensten – Markering – Good housekeeping In deze paragraaf wordt de veiligheid van de opslag van lithium-ion energiedragers behandeld. Er wordt onderscheid gemaakt tussen intacte energiedragers en niet-intacte energiedragers. Dit omdat niet-intacte energiedragers grotere risico’s met zich meebrengen. Een nadere aanduiding van wat als intact en niet-intact kan worden beschouwd wordt in hoofdstuk 8 gegeven. Bij de vaststelling van het totale pakket aan maatregelen kan de ladingsgraad (State Of Charge, of SOC) van de energiedragers meewegen. Indien aantoonbaar is dat de energiedragers een ladingsgraad tussen de 20 en 40 procent hebben, verlaagt dit het risico. Zo ook kan een aantoonbare procedure waarmee deze ladingsgraad wordt bereikt bij een incident meewegen bij het samenstellen van een maatregelenpakket. Kwaliteitsbeheersprogramma en testen In het kort: – Vervaardiging van de energiedragers onder een kwaliteitsbeheersprogramma – Voldoen aan typetest uit het Handboek beproevingen en criteria, deel III, subsectie 38.3 Het risico van lithium-ion energiedragers wordt beperkt door het stellen van prestatie-eisen en een testprogramma. Het ADR stelt dat elk type lithium-ion energiedrager getest moet worden volgens het UN Handboek beproevingen en criteria, deel III, subsectie 38.3 en daarmee moet worden onderworpen aan testen op het gebied van hitte, trilling, schokken, kortsluiting, impact, overlading en geforceerde ontlading. Het ADR stelt ook dat de energiedragers onder een kwaliteitsbeheersprogramma moeten worden vervaardigd. Voor het vervoer van intacte energiedragers is dus sowieso vereist dat deze van een type zijn die voldoen aan het gestelde prestatieniveau en vervaardigd onder een kwaliteitsbeheersprogramma. In geval van twijfel of het gaat om energiedragers die intact zijn, of bestemd voor vernietiging of recycling (deze kunnen overigens ook intact zijn) c.q. beschadigd of defect zijn, wordt geadviseerd de (vervoers)verpakkingsinstructie te gebruiken die de meeste bescherming biedt. Volgens het ADR, randnummer 2.2.9.1.7 onder g moeten, ten behoeve van het vervoer, de fabrikanten (en dus ook de importeurs5Op grond van Europese productregelgeving hebben de importeurs een vergelijkbare verantwoordelijkheid als de producenten. Degenen die batterijen voor hergebruik bewerken worden gezien als de nieuwe producenten, met de daarbij van toepassing zijnde verantwoordelijkheden.) en aansluitende distributeurs de samenvatting van de beproeving uit het UN Handboek ter beschikking stellen. Kortheidshalve wordt hier verder verwezen naar de vervoersregelgeving voor gevaarlijke stoffen. De bijlage geeft in paragraaf B.3.6 nadere informatie over de vervoersregelgeving. Mogelijk onderdeel van een maatregelenpakket (in het kort): – vervoersverpakkingen pas openen als dat nodig is – niet meer dan een noodzakelijk aantal (stuks)verpakkingen openen Voor het vervoer van energiedragers gelden verpakkingseisen overeenkomstig de categorisering uit de vervoersregelgeving (zie de bijlage, paragraaf B3.6). Kortgezegd komt het er op neer dat naarmate de veiligheidsconditie van de energiedrager mogelijk minder is, er strengere verpakkingseisen gelden. Dit speelt met name voor de gebruikte energiedragers, ofwel de energiedragers die bestemd zijn voor vernietiging of recycling, respectievelijk beschadigde of defecte energiedragers. De verpakking per energiedrager of per apparaat als geheel (in een zogeheten enveloppe) beperkt de gevolgen van een falende energiedrager. Daarnaast is er een beschermende werking van de verpakking tegen externe invloeden. In relatie tot de verpakkingseisen voor het vervoer wordt aangeraden om onderlinge afspraken te maken tussen verzenders, vervoerders, respectievelijk inzamelaars en geadresseerden over de juiste wijze van verpakken overeenkomstig de vervoersregelgeving voor gevaarlijke stoffen. Het ligt in de rede dat het bevoegd gezag deze partijen daarop aanspreekt. Met wat hier opgenomen is ten aanzien van de beschermende werking van verpakkingen wil niet gezegd zijn dat ook ontdoeners van bijvoorbeeld gebruikte energiedragers de verpakkingen moeten aanbrengen. In de regel wordt, met name waar het gaat over het vervoer van autobatterijen, de (ADR-)verpakking verzorgd door inzamelaar of transporteur. De ontdoeners zijn wel gehouden aan een veilige opslag. Voor binnengekomen lithium-ion energiedragers die bijvoorbeeld nog in apparaten moeten worden geplaatst wordt geadviseerd om de stukverpakking pas bij plaatsing te openen. Mocht dit niet mogelijk zijn dan wordt hiervoor een uitzondering gemaakt naar analogie van de PGS-15 (voorschrift 3.1.3) voor de werkvoorraad: de voorraad die ten behoeve van de bedrijfsvoering of productie in een werk- of productieruimte wordt opgesteld. Een kenmerk van een werkvoorraad is daarbij dat een niet meer dan noodzakelijk aantal verpakkingen is geopend. De wijze van inrichten van de opslag van energiedragers is mede bepalend voor de veiligheid. De opslag van lithium-ion energiedragers bij bedrijven vindt op een schaal plaats uiteenlopend van enkele stuks tot meerdere tonnen. Het spreekt vanzelf dat dit gevolgen heeft voor de wijze waarop de energiedragers veilig opgeslagen kunnen worden, met inbegrip van de soort veiligheidsvoorzieningen. Hoewel de opslag van verpakte energiedragers niet valt onder de reikwijdte van de PGS-15 (opslag van verpakte gevaarlijke stoffen), zijn elementen uit die PGS-15 nuttig om te hanteren bij een opslag van lithium-ion energiedragers. Mede in dat verband is het nuttig om vier schaalniveau’s met bijbehorende opslagvoorzieningen te onderscheiden: groot: in een brandcompartiment middelgroot: in een brandveiligheidsopslagkluis middel: in een brandveiligheidsopslagkast (tot ca. 1,5 m3 per kast) klein: in een brandveilige verpakking, tas, envellope, koffer, opslagkist of ton. Deze opslagvoorzieningen worden hieronder uitgewerkt als te treffen maatregelen. Onderkend wordt dat de hier beschreven aanpak investeringen kan vergen. Geadviseerd wordt bij de maatregelenkeuze en het tempo waarin de maatregelen gerealiseerd worden, de kosten af te wegen tegen het voor de omgeving gewenste beschermingsniveau. Ingrediënten voor de afweging voor wat betreft de kwetsbaarheid van de omgeving zijn te vinden in par. 7.1.3. De PGS-15 behandelt in hoofstuk 5 de tijdelijke opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, voorafgaand aan of aansluitend op transport. Het voert te ver om hier voor de verpakte lithium-ion energiedragers een analoog hoofdstuk uit te werken. Wel wordt erop gewezen dat het, overeenkomstig PGS-15, wenselijk is de verpakte energiedragers zo snel mogelijk naar een daarvoor bestemde permanente voorziening te verplaatsen. Ook is de tijdelijke opslag niet bedoeld als werkvoorraad en wordt geadviseerd de bereikbaarheid voor hulpdiensten voor de bestrijding van calamiteiten goed te regelen, bij voorkeur via een toegangsdeur in de buitengevel. In hoeverre scheiding van tijdelijk opgeslagen lithium-ion energiedragers en andere stoffen of koopmansgoederen kan plaatsvinden, zoals PGS-15 voorschrijft, zal afhangen van de soort stoffen, in samenhang met de in hoofdstuk 6 beschreven risico’s. Geadviseerd wordt voor tijdelijke opslag verder passende maatregelen te treffen, gebaseerd op elementen uit deze circulaire. Mogelijk onderdeel van een maatregelenpakket (in het kort): – maximaal 10.000 kg energiedragers per brandcompartiment en maximaal oppervlak: 300 m2(Eventueel maatwerk bij grotere hoeveelheden en oppervlakken) – Inpandige opslag: wbdbo ¹ minimaal 60 minuten – Uitpandige opslag: wbdbo minimaal 30 minuten als de afstand van de opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens, een ander bouwwerk dat tot de inrichting behoort, of andere brandbare objecten ten minste 5 meter is. – Niet intacte energiedragers: wbdbo 90 minuten en quarantaineruimte – Geen andere (brand)gevaarlijke stoffen, werkzaamheden en laadruimte in het brandcompartiment – Vast opgesteld automatisch blussysteem – Branddetectie met doormelding – Opvangvoorziening voor bluswater – Toegangsdeur in de gevel met voldoende ruimte voor hulpdiensten ¹ wbdbo: weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag. De bouwvoorschriften kennen vereisten voor brandwerende voorzieningen. Deze zijn samengevat in par. B.3.3 van de bijlage. Het voornemen is om in de toekomst, onder de Omgevingswet in het Besluit activiteiten leefomgeving, de opslag van lithium-ion energiedragers op zichzelf als milieubelastende activiteit aan te merken. Dit zal dan bepalend zijn voor de veiligheidsomstandigheden waaronder de opslag plaatsvindt. Dit plaatst de bouwregelgeving dan op de achtergrond. Met de adviezen in deze circulaire wordt geanticipeerd op de toekomstige situatie. Geadviseerd wordt om een opslagvoorziening in een apart brandcompartiment te plaatsen. Een brandcompartiment is een (deel van) een gebouw waarbij gedurende een bepaalde tijd uitbreiding van een brand tot buiten dat compartiment wordt voorkomen, zodat deze beheersbaar blijft en personen de gelegenheid wordt geboden zich in veiligheid te stellen. In deze circulaire wordt als vuistregel gehanteerd dat een brandcompartiment maximaal 10.000 kg energiedragers herbergt en een maximaal oppervlak heeft van 300 m2. Dit laatste omwille van beperking van het brandoppervlak en de bereikbaarheid voor de brandweer. Als niet meer dan 10.000 kg per opslagvoorziening aanwezig is, betekent dit overigens ook dat er geen vergunningplicht aan de orde is op grond van het Bor, bijlage I, categorie 4.4, onder j. Wel geldt een meldingsplicht op grond van artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit. Bijvoorbeeld om redenen van haalbaarheid en betaalbaarheid kan wel sprake zijn van een vergunningplichtige situatie (waarbij er dus meer dan 10.000 kg in een opslagvoorziening is geplaatst of er met een oppervlak groter dan 300 m2 wordt gewerkt). Voor gevallen waarin meer dan 10.000 kg per brandcompartiment of een groter oppervlak dan 300 m2 wordt opgeslagen, wordt maatwerk geadviseerd met advies van de Veiligheidsregio of brandweer. Het is dan onder andere afhankelijk van de ligging ten opzichte van in het bestemmingsplan of omgevingsplan toegelaten kwetsbare gebouwen en locaties welk maatregelenpakket opportuun is. Ingrediënten voor de afweging zijn te vinden in par. 7.1.3. Voor informatie waarbij de energiedragers als afvalstof aangemerkt moeten worden, wordt verwezen naar de bijlage onder B.2. Er wordt geadviseerd de aanpak te volgen die thans in PGS-37 kader in ontwikkeling is en die hier wordt weergegeven. Daarbij moet opgemerkt worden dat in PGS-37 kader deze ontwikkelingen nog niet vaststaan. Bij inpandige opslag6Voor de begrippen inpandig en uitpandig in dit kader, zie figuur 1. van lithium-ion energiedragers is sprake van een afzonderlijke ruimte. Er geldt een wbdbo van minimaal 60 minuten. Deuren, ventilatieopeningen, leidingdoorvoeren of rookluiken in de constructie mogen geen afbreuk doen aan de brandwerendheid. Voor een uitpandige opslag geldt een wbdbo van minimaal 30 minuten als de afstand van de opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens, een ander bouwwerk dat tot de inrichting behoort, of andere brandbare objecten ten minste 5 meter is. De wbdbo geldt inclusief de wanden, het dak en de draagconstructie van de opslagvoorziening. Er worden geen wbdbo-eisen gesteld als de afstand tot een ander bouwwerk dat tot de inrichting behoort, of andere brandbare objecten ten minste 10 meter is. In de in ontwikkeling zijnde PGS-37 wordt voorts mogelijk aangegeven dat er geen opslag van brandbare stoffen binnen de aangegeven afstanden mag plaatsvinden en er evenmin brandgevaarlijke activiteiten mogen plaatsvinden. Dit eventueel met uitzondering van onderhoudswerkzaamheden. Als de energiedragers niet intact zijn of een verdenking daarvan bestaat, wordt een wbdbo van minimaal 90 minuten geadviseerd. Dit om te anticiperen op het grotere risico dat in die gevallen speelt en de veiligheid op voorhand niet vast te stellen is. Een motivering voor de wbdbo kan ontleend worden aan het restrisico uit artikel 7.10 van het Bouwbesluit en de zorgplicht uit artikel 1a van de Woningwet. In de bijlage, paragraaf B3.3.2 wordt nader ingegaan op het Bouwbesluit. Ook kan gedacht worden aan een ‘quarantaineruimte’, zijnde een uitpandige ruimte waar de energiedragers gedurende enkele dagen worden opgeslagen. Ook bij meerdere brandcompartimenten wordt geadviseerd een brandwerende scheiding tussen de compartimenten aan te (laten) brengen met een wbdbo van minimaal 60 minuten. Dit geldt ook voor de doorgangen en openingen. Geadviseerd wordt voorts geen andere gevaarlijke stoffen, geen andere brandgevaarlijke stoffen of stoffen die de energiedragers kunnen aantasten (bijvoorbeeld strooizout) in het brandcompartiment te plaatsen. Het verdient verder aanbeveling om andere werkzaamheden dan noodzakelijk voor de opslag niet in de opslagruimte voor de energiedragers toe te staan. Alternatieve functies voor de opslagruimte, zoals gebruik als oplaadruimte wordt afgeraden. Technische ruimten (cv, stoppenkasten) mogen niet rechtstreeks in verbinding staan met het brandcompartiment. Bij een opslagvoorziening die als apart brandcompartiment is ingericht is het uitgangspunt dat een brand snel gedetecteerd en in een beginstadium beheerst wordt. Om die reden is een vastopgesteld automatisch blussysteem aanwezig. De automatische systemen zijn bijvoorbeeld: een sprinklerinstallatie of een deluge-installatie7Blusinstallatie waarbij een grote hoeveelheid water in korte tijd vrijkomt. of alternatieven zoals de toepassing van aerosolen. De installatie moet daarbij gecertificeerd zijn en aantoonbaar een lithium-ion brand in een beginstadium kunnen beheersen. De automatische installatie moet hierbij ook bewerkstelligen dat er geen uitbreiding plaatsvindt naar de naastgelegen opgeslagen energiedragers binnen het brandcompartiment. De systemen die kunnen worden toegepast in een opslagvoorziening en de eisen waaraan deze systemen moeten voldoen, zijn verder uitgewerkt in de PGS-148Vast opgestelde brandbeheersings- en brandblussystemen: handreiking bij de toepassing van de opslag van gevaarlijke stoffen volgens PGS-15.. Naast een koel-/blussysteem is er een voor dat systeem geschikte branddetectie. Een thermisch detectiesysteem zorgt voor een snelle melding bij het ontstaan van een oververhitting en een (kruisgevoelige) koolmonoxide melder detecteert ook in een vroeg stadium vrijkomend waterstofgas. Om die reden worden beide systemen aangeraden, waarbij tevens een doormelding plaatsvindt naar een continu bezette particuliere alarmcentrale (PAC). Bij de bestrijding van een brand van lithium-ion energiedragers met koel- of bluswater kan toxisch en corrosief water in de omgeving terecht komen. Dit water kan in het oppervlaktewater geraken of in het riool lopen waarbij een mogelijke verstoring van het biologisch zuiveringsproces in de rioolwaterzuiveringinstallatie (RWZI) kan volgen. De wateropvangvoorzieningen zijn er op gericht het aldus in het milieu geraken van het verontreinigd water te voorkomen. Dit zou met voorzieningen buiten de inrichting, c.q. begrenzing van de activiteit kunnen. Ook kan gedacht worden aan het ‘inblokken’ van delen van het rioolstelsel, waarmee voorkomen wordt dat het blus- of koelwater in de RWZI geraakt. Geadviseerd wordt om in overleg tussen ondernemer en bevoegd gezag en Veiligheidsregio planmatig tot beheersing van de koel-/bluswaterproblematiek te komen. De realisatie van een wateropvangvoorziening kan complex en kostbaar zijn. Geadviseerd wordt de haalbaarheid en betaalbaarheid in het oog te houden. Geadviseerd wordt voorts om de toegankelijkheid voor hulpdiensten te waarborgen. Elk brandcompartiment moet aan de buitenzijde van het pand goed te bereiken zijn voor hulpdiensten door middel van een toegangsdeur in de gevel. De buitenruimte rond deze toegangsdeur moet voldoende vrije ruimte hebben, zodat de brandweer hierbij kan met haar materieel waarbij rekening gehouden moet worden met een veilige werkafstand tot het gebouw in relatie tot de hoogte hiervan. In overleg met de brandweer kan deze minimale veilige ruimte lokaal worden vastgesteld. Mogelijk onderdeel van een maatregelenpakket (in het kort): – geen andere gevaarlijke stoffen, onnodige werkzaamheden of alternatieve functies in de kluis – branddetectie – automatisch sluitende deuren bij incident – aansluiting voor waterslang – waterdichtheid voor opvang bluswater – overloopinrichting Een kluis bestaat uit een enkele afzonderlijk afsluitbare en brandveilige ruimte, die geen onderdeel uitmaakt van de bouwkundige constructie van het gebouw waarin deze geplaatst is. Deze heeft de vorm van een grote, betreedbare brandveilige voorziening die binnen een grotere ruimte is geplaatst. De kluis werkt als een brandcompartiment, zij het dat hier niet uitgegaan wordt van een vast opgesteld automatisch blussysteem. Het verdient aanbeveling om andere werkzaamheden dan noodzakelijk voor de opslag niet in de opslagruimte voor energiedragers toe te staan. Alternatieve functies voor de kluis, zoals gebruik als oplaadruimte wordt afgeraden. Evenals bij een ‘gewoon’ brandcompartiment worden zowel een thermische detectie als een koolmonoxide melder aangeraden. Bij een incident moeten de deur(en) van de brandveiligheidsopslagkluis, die eventueel nog open staan, automatisch worden aangestuurd om te sluiten. Evenals bij een ‘gewoon’ brandcompartiment wordt geadviseerd geen andere gevaarlijke stoffen en geen andere brandgevaarlijke stoffen of stoffen die de lithium-ion energiedragers kunnen aantasten (bijvoorbeeld strooizout) in de kluis te plaatsen. Buiten de kluis zou dat dan weer wel kunnen. Voor zover de brandveiligheidskluis voldoet aan een passende veiligheidsnorm wordt in deze circulaire geen advies opgenomen ten aanzien van aanvullende eisen. Stellingname daarover wordt overgelaten aan de PGS-37 werkgroep. Voorzover er geen norm van toepassing is wordt geadviseerd om de kluis te voorzien van een aansluiting voor een brandweerslang (3’ Stortzkoppeling (nok81)) waarop de brandweer een koel- of bluswateraansluiting kan realiseren. Daarbij is het raadzaam om de precieze locatie hiervan in overleg met de brandweer vast te (laten) stellen. Bij het aanbrengen van een dergelijke voorziening moet de kluis waterdicht zijn uitgevoerd, zodat deze in geval van een calamiteit via de Stortzkoppeling met water kan worden gevuld. Om het overtollige water te kunnen kwijtraken wordt geadviseerd de kluis te voorzien van een overloopinrichting die tenminste het aangeboden bluswater kan afvoeren (1.000 liter per minuut). Deze overloopinrichting wordt dan aangebracht 10 cm boven het hoogste punt van de hoogst opgeslagen lithium-ion energiedrager. Opgemerkt wordt nog dat het gangbaar is dat de ruimte gevuld wordt zonder dat de overloop gebruikt wordt. Dit tenzij de temperatuur zodanig oploopt dat verdere koeling nodig is. Mogelijk onderdeel van een maatregelenpakket (in het kort): – inhoud tot ca 1,5 m3 – 60 minuten brandwerend bij intacte energiedragers – 90 minuten brandwerend bij niet- intacte energiedragers Als vuistregel voor een brandveiligheidskast geldt een inhoud tot circa 1,5 m3. Zo’n kast onderscheidt zich van een kluis doordat de kast niet betreedbaar is. Uitgegaan wordt van een aantoonbare brandwerendheid van minimaal 60 minuten voor intacte energiedragers (‘type 60’) en 90 minuten voor energiedragers voor niet-intacte energiedragers. Naar zijn aard moet een brandveiligheidsopslagkast brandveilig zijn. Voor gevallen na 1 januari 2006 wordt hieraan in ieder geval aan voldaan met de eisen uit NEN-EN-14470-1 (deze norm heeft betrekking op kasten t/m 1 m3). Het is logisch dat de desbetreffende documentatie voorhanden is, waarbij die documentatie door de leverancier van de kast is meegeleverd. Ten aanzien van extra veiligheidseisen, bovenop een passende norm, zoals repressieve voorzieningen (blussysteem), rookgasafvoer en drukontlastingsklep wordt in deze circulaire geen advies opgenomen. Dit omdat dit extra eisen zijn, naast de norm. Stellingname over andere eisen, naast de norm, wordt overgelaten aan de PGS-37 werkgroep. Mogelijk onderdeel van een maatregelenpakket (in het kort): – gebruik verpakkingen die adequate bescherming bieden bij ontbranding – voor kleinschalige opslagen, met name voor beschadigde energiedragers en energiedragers voor recycling of vernietiging Er zijn kleinschalige verpakkingen op de markt verkrijgbaar in de vorm van bijvoorbeeld zakken, kratten of tonnen, of, voor apparaten, de zogeheten enveloppes, die een adequate bescherming moeten bieden tegen ontbrandende lithium-ion energiedragers. Ook de verpakkingen die vereist zijn voor het vervoer (zie paragraaf 7.1.1 en de bijlage, paragraaf B3.6) kunnen hier een rol vervullen. Geadviseerd wordt deze verpakkingen toe te passen bij de kleinschalige opslag, met name voor energiedragers die bedoeld zijn om te worden vernietigd of gerecycled, respectievelijk voor beschadigde energiedragers. Daarbij maakt de vervoersregelgeving onderscheid tussen deze categorieën. Mogelijk onderdeel van een maatregelenpakket (in het kort): – alleen stapelen in stellingen – 0,5 m tussen de energiedragers en de onderzijde van de dakplaten – extra voorzieningen bij stapeling hoger dan 5 à 6 m Het stapelen van pallets die (verpakte) lithium-ion energiedragers bevatten, anders dan in stellingen, wordt afgeraden. In alle gevallen wordt geadviseerd dat de ruimte tussen de opgeslagen energiedragers en de onderzijde van de dakplaten ten minste 0,5 m is. Dit ten behoeve van de luchtcirculatie in de opslagvoorziening en voorkoming van opwarming door zonnestraling op het dak op zomerse dagen. Geadviseerd wordt om bij een hogere stapeling dan 5 à 6 meter extra voorzieningen te treffen om brandpropagatie te voorkomen of een beginnende brand eerder te detecteren. Hierbij kan gedacht worden aan een fysieke brandvertragende barrière tussen pallets of detectie per pallet. In de PGS-37 zal naar verwachting een aan te houden maximale hoogte opgenomen worden. Het spreekt vanzelf dat de stellingen voldoende sterk moeten zijn en niet zwaarder mogen worden belast dan waar deze op gemaakt zijn. Mogelijk onderdeel van een maatregelenpakket (in het kort): – overzichtelijke inrichting van de opslagruimte – zorgvuldig handelen – geen dagvoorraad in vlucht- of rijroute – mogelijkheid een enkele pallet uit de opslag te verwijderen – opladen tijdens werktijden/aanwezigheid van personeel – opladen buiten werktijden in een afzonderlijke kast, kluis of brandcompartiment met branddetectie – instructie personeel – representatief journaal bij meer dan 10.000 kg – zo mogelijk apart opslaan; gedemonteerd uit het apparaat – afgedankte elektrische en elektronische apparatuur voorbereiden op transport Een algemeen beginsel van good housekeeping is dat een opslagruimte overzichtelijk en netjes ingericht is. Dit voorkomt misplaatsing van goederen die niet bij elkaar opgeslagen zouden moeten worden. Omdat fysieke beschadiging, zowel in het inwendige van een energiedrager als aan de omhulling een risicofactor vormt, spreekt het vanzelf dat zorgvuldig met de energiedragers omgegaan dient te worden. Het laten vallen, aanrijden, ruw behandelen moet worden voorkomen. Overeenkomstig de PGS-15, voorschrift 3.1.3 wordt voorts geadviseerd de dagvoorraad niet in rijroute of vluchtroute te plaatsen, zodat de paden toegankelijk blijven. Daarbij moet de mogelijkheid voorhanden zijn om een enkele pallet uit de opslag te verwijderen, bijvoorbeeld als geconstateerd wordt dat daarin een bijzondere warmteontwikkeling plaatsvindt. Daarbij wordt geadviseerd dergelijk ingrijpen aan de (beoordeling van) de brandweer over te laten, vanwege het mogelijk vrijkomen van giftige gassen uit instabiele lithium-ion energiedragers. Hoewel het strikt genomen niet om de opslag van de energiedragers gaat, wordt, voor zover er sprake is van het opladen van de energiedragers, geadviseerd dit binnen de werktijden, c.q. in aanwezigheid van personeel te doen. Ook dit is een kwestie van good-housekeeping. Soms wordt echter ’s nachts geladen in verband met de normale bedrijfsvoering en effectieve inzet van materieel. Hierbij valt te denken aan verhuurbedrijven voor fietsen of het laden van bouwmaterieel. Voor die gevallen wordt geadviseerd zoveel mogelijk de geest van deze circulaire te volgen. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om het inrichten van een laadfaciliteit in een afzonderlijk brandcompartiment, afzonderlijke brandveiligheidskluis of brandveiligheidskast. Ook kan hier een regulier onderhouds- of inspectieprogramma al voldoende veiligheidswaarborgen bieden. Dit wellicht gekoppeld aan de levensduur van de energiedragers. Een punt van overweging van de mate waarin maatregelen opportuun zijn is voorts de kwetsbaarheid van de omgeving, zoals bedoeld in de tweede alinea van paragraaf 7.1.2. Daarnaast wordt aangeraden om de plek waar energiedragers worden opgeladen buiten werktijden, te voorzien van zowel branddetectie als een koolmonoxide melder. Dit om ingeval van een (dreigend) incident tijdig handelend te kunnen optreden. Daarbij wordt afgeraden verlengsnoeren en losliggende verdeelpunten te gebruiken. Goed geïnstrueerd personeel dat bekend is met het mogelijk ontstaan van een incident met lithium-ion energiedragers kan helpen een dreigend incident in een vroeg stadium te onderkennen. Dit betreft ook waakzaamheid met betrekking tot geur en warmteontwikkeling van de energiedragers. Ook is het van belang dat bij het personeel van de opslagfaciliteit bekend is hoe te handelen in geval van calamiteiten. Er wordt geadviseerd dat er per opslagvoorziening met meer dan 10.000 kg lithium-ion energiedragers een actueel intern noodplan aanwezig is. Kortheidshalve wordt in dat verband verwezen naar het voorschrift 3.19.1 uit de PGS-15. Als de aanwezigheid van meer dan 10.000 kg lithium-ion energiedragers wordt toegestaan, wordt een representatief journaal gevraagd. Dit journaal heeft tot doel de hulpverlenende diensten een beeld geven van de te verwachten gevaren als gevolg van de opgeslagen stoffen. Voor een nadere beschrijving van de inhoud van het journaal wordt verwezen naar het voorschrift 3.15.1 uit de PGS-15. Als lithium-ion energiedragers uit grotere apparaten gedemonteerd kunnen worden, bijvoorbeeld bij tweewielers, wordt geadviseerd deze apart op te slaan in een compartiment, kast, kluis of andere brandbeschermende omhulling. Met die benadering wordt ook de kans op beschadiging van de energiedrager door het omvallen van tweewielers beperkt. Dit advies geldt nadrukkelijker voor inruil-/tweedehands tweewielers die al een keer het gebruiksstadium gepasseerd zijn. Erkend wordt dat voor energiedragers die bijvoorbeeld in elektronica, zoals laptops, zijn bevestigd het moeilijker is om deze apart op te slaan. Steeds zal het gaan om een afweging tussen praktische haalbaarheid en veiligheidswinst, waarbij bijvoorbeeld ook de spreiding van de gemonteerde energiedragers in de ruimte waarin de apparaten zijn opgeslagen een rol speelt. De opslag van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA), vooruitlopend op de afvoer daarvan heeft een bijzondere positie. Daarbij speelt ook de wenselijkheid van een afzonderlijke inzamelstructuur voor de AEEA vanuit veiligheidsoogpunt. Het komt de efficiëntie ten goede als de doorgaans kortstondige opslag vooruitloopt op het vervoer. Ook de WEEELABEX-richtlijn9WEEELABEX: Waste Electric and Electronic Equipment LABel of Excellence. is relevant, omdat daarin wordt aangegeven dat de AEEA in dezelfde onbeschadigde en complete vorm moet worden afgevoerd naar een verwerker. Geadviseerd wordt bij de maatregelenkeuze deze punten mee te nemen. Mogelijk onderdeel van een maatregelenpakket (in het kort): – t/m 333 kg: buiten toepassingsbereik van de circulaire – 333 t/m 5.000 kg: good housekeeping – 5.000 t/m 10.000 kg: good housekeeping en brandmeldinstallatie met doormelding PAC – vanaf 10.000 kg: als reguliere opslag met maatwerk Zoals aangegeven in hoofdstuk 5 gelden voor verkoopruimten en winkels, voorzover het gaat om intacte energiedragers, een beperkt aantal specifieke maatregelen, waarbij het maatregelenpakket afhankelijk is van de hoeveelheid opgeslagen energiedragers. Onder good housekeeping valt specifiek voor verkoopruimten en winkels: Een voorlichting van personeel inzake het (brand)risico en hoe te handelen in geval van een incident Voor voertuigen, tweewielers en elektronica: zo mogelijk niet laden van de energiedragers buiten de aanwezigheid van personeel Voor energiedragers in apparaten: beperken van hoge stapels Bij met name tweewielers: voor zover mogelijk niet monteren van de energiedragers, maar deze in een aparte opslag nemen. Dit ook om beschadiging van energiedragers door omvallen te voorkomen. Indien demontage niet mogelijk is wordt geadviseerd de tweewielers op enige afstand van elkaar plaatsen Extra voorzichtigheid betrachten bij gebruikt, cq tweedehands materiaal. Voor hoeveelheden vanaf 10.000 kg gelden de maatregelen die hierboven zijn beschreven voor de opslag van energiedragers. Daarbij wordt de toepassing van maatwerk geadviseerd met advies van de brandweer (zie paragraaf 7.1.2). Mogelijk onderdeel van een maatregelenpakket (in het kort): – aandacht voor (beperkt) kwetsbare objecten/gebouwen en locaties – bijzondere aandacht voor zeer kwetsbare gebouwen – strikter toepassen bij energiedragers met een groter risico De formele regels voor veiligheidsafstanden overeenkomstig het Activiteitenbesluit (artikel 4.1, tweede en derde lid) voor verpakte gevaarlijke stoffen in een opslagvoorziening (hoeveelheden van meer dan 2.500 en minder dan 10.000 kg energiedragers) zijn niet ontworpen met het oog op de opslag van lithium-ion energiedragers. Dezelfde afstanden zijn weliswaar met de Omgevingswet (Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), paragrafen 3.2.9 en 4.98) overgezet, echter – tot dusverre – evenmin indachtig de opslag van lithium-ion energiedragers. Het ligt voor de hand bij een locatiekeuze van de opslag van lithium-ion energiedragers rekening te houden met een mogelijk brandincident en meer in het bijzonder de hitteontwikkeling en het ontstaan van een gifwolk. Bij dit laatste kan ook de overwegend heersende windrichting een rol spelen. De omgevingsrisico’s hebben betrekking op de ligging van de opslagvoorziening ten opzichte van kwetsbare objecten of gebouwen en locaties, zoals woningen, intensief bezette kantoren en evenemententerreinen. Voor een nadere uitwerking van de begrippen (beperkt) kwetsbare objecten wordt verwezen naar artikel 1 van het Bevi. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl, bijlage VI) zijn deze begrippen, met wat meer nuance uitgewerkt en wordt een categorie zeer kwetsbare gebouwen toegevoegd. Het Bkl treedt naar verwachting op 1 januari 2022 in werking, maar in alle gevallen wordt geadviseerd in het bijzonder aandacht te geven aan de zogeheten zeer kwetsbare gebouwen die in het Bkl worden onderscheiden. Het gaat daarbij om gebouwen met kwetsbare (groepen) mensen met een beperkte vluchtmogelijkheid. Voorts wordt, in het Bkl, in aanvulling op de Bevi-indeling ook onderscheid gemaakt in beperkt kwetsbare of kwetsbare locaties. Geadviseerd wordt ook deze aanvulling op het Bevi in beschouwing te nemen. Bij de ruimtelijke inpassing is het relevant om, zo mogelijk, de nabijheid van bevolkingsconcentraties te vermijden en naarmate dit minder mogelijk is een stringenter veiligheidsregime aan te houden. Geadviseerd wordt het punt van de omgevingsveiligheid strikter te hanteren naarmate het gaat om energiedragers met een groter risico of grotere hoeveelheden energiedragers. Mogelijk onderdeel van een maatregelenpakket (in het kort): – Opslag vanaf 1.000 kg melden bij veiligheidsregio – locatie, aard, omvang, moment van ingebruikname, gegevens beheerder Het is van belang dat de aanwezigheid van een opslagfaciliteit voor hoeveelheden vanaf 1.000 kg energiedragers bekend is bij de Veiligheidsregio. Dit heeft geen betrekking op energiedragers die in voertuigen gemonteerd zijn, voorzover deze voertuigen niet bij een ongeval, zoals een botsing, betrokken zijn geweest. Voor zover er wel een melding van toepassing is gaat het om de locatie, de aard en omvang van de activiteit en het moment van ingebruikname. Voorts gaat het om het beschikbaar stellen van contactgegevens van een beheerder of zijn plaatsvervanger die vroegtijdig kan ingrijpen en de opslagruimte toegankelijk kan maken voor hulpdiensten en hen van nadere informatie kan voorzien. De bereikbaarheid van de locatie is cruciaal voor een adequate inzet van de hulpdiensten. Daarbij moet ook gedacht worden aan maatregelen die voorkomen dat bijvoorbeeld geparkeerde voertuigen de toegang blokkeren. Het aanbrengen van een duidelijke markering aan de buitenzijde onderscheidt een opslag van lithium-ion energiedragers van andere faciliteiten. Geadviseerd wordt om aan de buitenzijde van een opslagvoorziening of de ruimte waarin de opslag is geplaatst, bijvoorbeeld nabij de toegangsdeur(en), op duidelijk zichtbare plaatsen waarschuwingsaanduidingen te plaatsen. Dit om de aanwezigheid van de lithium-ion energiedragers weer te geven, voor zover dit valt onder de werkingssfeer van deze circulaire. Het wordt aan de PGS-37 werkgroep overgelaten om een eventueel voorstel te doen met betrekking tot de uniformering van een kenmerk of hoeveelheidsondergrens. Dit zou evenwel geen belemmering moeten vormen om al snel een eventueel nog niet geüniformeerde aanduiding aan te brengen. Van belang hierbij is nog om op te merken dat hierbij niet het model 9A etiket wordt toegepast omdat dit etiket bedoeld is voor verpakkingen (zie hiervoor de bijlage, paragraaf B3.6). In deze paragraaf wordt de veiligheid van een EOS behandeld. Daarbij wordt de indeling gevolgd van het niveau waarop de maatregelen getroffen kunnen worden, overeenkomstig tabel 3. Evenals bij de opslag van energiedragers geldt dat door het stellen van prestatie-eisen en een testprogramma het risico wordt beperkt (zie paragraaf 7.1.1). Deze eisen gelden voor het vervoer van de energiedragers. Mogelijk onderdeel van een maatregelenpakket (in het kort): – materialen die geen bijdrage leveren aan de brandvoortplanting – compartimentering per module of andere voorbereidingen om een incident te bestrijden / stortzkoppeling – IEC of vergelijkbaar hanteren – klimaatbeheersing – bliksemafleidingssysteem – aanrijbeveiliging – thermisch detectiessyteem en koolmonixidemelder en doormelding – overloopinrichting voor bluswater – voorzieningen voor afvoer bluswater – inpandige EOS: voorzieningen voor afvoeren gifwolk In dat verband wordt geadviseerd de installatieruimte te vervaardigen van materialen die geen bijdrage leveren aan de brandvoortplanting. Aanbevolen wordt het ontwerp van een EOS zodanig vorm te geven dat een oververhitting en/of zelfontbranding van een energiedrager zich beperkt tot de grenzen van één batterijmodule10Een batterijmodule (energiegebied: 2-20 kWh) is een samenstel van een aantal batterijen. Afzonderlijke batterijen zijn weer opgebouwd uit een of meer cellen (energiegebied: 2-10Wh) inclusief BMS.. Een module heeft daarbij een capaciteit van maximaal 15 à 20 kWh. Deze eisen zijn voor industriële toepassingen, zoals een EOS, opgenomen in IEC 6261911NEN-EN-IEC 62619:2017: Secondary cells and batteries containing alkaline or other non-acid electrolytes – Safety requirements for secondary lithium cells and batteries, for use in industrial applications.. Deze standaard bevat eisen omtrent de veiligheidsfuncties en het gedrag van het systeem bij mogelijk verkeerd gebruik. Ook beschrijft deze standaard een brandpropagatietest, waarbij moet worden aangetoond dat een brand die veroorzaakt wordt door (zelf)ontbranding van een enkele cel zich niet uitbreidt tot voorbij een vooraf te bepalen systeemgrens. De typetest vindt derhalve plaats op het niveau van de module, inclusief eventuele scheidingsschotten tussen de modules. In de huidige versie van de standaard is het nog toegestaan om deze test niet uit te voeren wanneer de cellen bestand blijken tegen een productiefout die interne kortsluiting veroorzaakt. De ervaring heeft evenwel geleerd dat branden in EOS meestal worden veroorzaakt door factoren buiten de cellen zelf, en slechts in ondergeschikte mate door productiefouten in de cel zelf. Daarom schrijft de (concept12Bij de publicatie van deze circulaire is deze norm nog in de conceptfase. Mogelijk wordt deze nog gedurende de looptijd van de circulaire definitief.) IEC 62933-5-2 de propagatietest voor en is het de verwachting dat in een toekomstige editie van IEC 62619 de mogelijkheid om de propagatietest over te slaan is verwijderd. Aan vereisten wordt in ieder geval voldaan als de IEC 62619 en de IEC 62933-5-2 worden nagevolgd. Dit laatste vooruitlopend op de toepassing van IEC 62933-5-2 in de IEC 62619. Na het installeren en voorafgaand aan de ingebruikname van een netgebonden EOS schrijft de (concept) IEC 62933-5-2 voor dat het systeem door brandweer en relevante overheidsinstellingen moet kunnen worden geïnspecteerd, en dat bij deze inspectie de definitieve versie van de veiligheidsinformatie over het systeem aan hulpverleners wordt overgedragen als dit nog niet eerder is gebeurd. Ook kan deze inspectie als voorwaarde worden opgenomen bij het verlenen van een omgevings- of andere vergunning. Geadviseerd wordt de mogelijkheid tot inspectie door brandweer en overheidsinstellingen te bieden en de veiligheidsinformatie ter beschikking te stellen aan de hulpverleners. Door een adequate klimaatbeheersing, cq ventilatie kan oververhitting van de ruimte waarin het EOS is geplaatst worden voorkomen of beperkt. De aanwezigheid van een klimaatbeheerssysteem kan er overigens toe leiden dat een EOS als een inrichting gezien moet worden indien er een gezamenlijk vermogen van de elektromotoren van meer dan 1,5 kW geïnstalleerd is. Dit op basis van het Besluit omgevingsrecht (Bor), bijlage I, categorie 1.1 onder a. Dit betekent dat er een meldingsplicht geldt voor die EOS. Dit geldt, op grond van het Bor, bijlage I, onder 1.2 onder b weer niet als de elektromotoren, die in een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat voor bewoning wordt gebruikt of daartoe is bestemd, ten behoeve van dat gebouw worden aangewend. Geadviseerd wordt de EOS te voorzien van een bliksemafleidingssysteem dat voldoet aan IEC 62305-3 niveau III of IV, afhankelijk van de functie van het deel dat de EOS van energie voorziet. Indien de EOS binnen 10 meter van een openbare weg is gesitueerd wordt geadviseerd een doeltreffende aanrijdbeveiliging te realiseren. Wanneer een mobiele EOS wordt toegepast bij bijvoorbeeld evenementen, bouw- en infraprojecten waarbij het risico bestaat dat de EOS kan worden aangereden wordt geadviseerd eveneens een doeltreffende aanrijdbeveiliging te realiseren. Een thermisch detectiesysteem zorgt voor een snelle melding bij het ontstaan van een oververhitting. Een koolmonoxide melder reageert op het vrijkomen van koolmonoxide, ten gevolge van brand en daarmee wordt ook duidelijk dat andere giftige stoffen zoals waterstoffluoride en lithiumhydroxide vrijkomen. Daarbij detecteert een kruisgevoelige koolmonoxidemelder ook in een vroeg stadium vrijkomend waterstofgas. Om die reden worden beide systemen aangeraden, inclusief een doormelding naar een PAC. In geval van een mobiele EOS wordt geadviseerd eveneens een telefonische doormelding te laten plaatsvinden naar diegene die hier toezicht op houdt. Bij evenementen is dit iemand van de evenementenorganisatie en bij bouw en infra projecten is dit een uitvoerder. Dit om in geval van een (dreigend) incident tijdig handelend te kunnen optreden. Voor gevallen waar het tegengaan van de brandpropagatie buiten de modules niet is geregeld wordt geadviseerd alternatieve voorbereidingen te (laten) treffen om een incident te bestrijden. Daarbij kan het gaan om water als blus- of koelmiddel of bijvoorbeeld het gebruik van aerosolen. De installatie moet daarbij gecertificeerd zijn en aantoonbaar een lithium-ion brand in een beginstadium kunnen beheersen. Als ‘last-line-of-defence’ kan het energiedragerscompartiment van een EOS worden voorzien van een 3’ Stortzkoppeling (nok81)) waarop de brandweer een koel-/bluswateraansluiting kan realiseren. Daarbij zou aan de binnenzijde van het batterijencompartiment een droge blusleiding boven het batterijpakket uit moeten komen, zodat een vergelijkbare werking als met een sprinklerkop van een sprinklerinstallatie wordt verkregen. Voor gevallen waarbij voldoende aangetoond kan worden dat er geen brandpropagatie buiten de hier bedoelde module kan plaatsvinden wordt in deze circulaire geen advies opgenomen met betrekking tot het aanbrengen van een Stortzkoppeling. Besluitvorming daarover wordt overgelaten aan de PGS-37 werkgroep of overleg tussen een individuele initiatiefnemer en de brandweer. Daar waar een koppeling wordt aangebracht wordt, om het overtollige koel- of bluswater te kunnen kwijtraken, geadviseerd het compartiment te voorzien van een overloopinrichting die tenminste het aangeboden water kan afvoeren (1.000 liter per minuut). Deze overloopinrichting wordt dan aangebracht minimaal 10 cm boven het hoogste punt van gemonteerde energiedragers. Aandachtspunt is dat bijvoorbeeld ventilatieopeningen in de EOS zodanig worden gerealiseerd, al dan niet met een technische voorziening, dat het onder water zetten van het batterijencompartiment in de praktijk ook mogelijk is. Erkend wordt dat dit voor met name bestaande situaties lastig kan zijn. Voor die gevallen wordt overleg tussen de beheerder en het bevoegd gezag, cq de brandweer aangeraden. Geadviseerd wordt om in overleg met de Veiligheidsregio voorzieningen voor de afloop van verontreinigd koel- of bluswater te realiseren. Dit wel na een gedegen afweging van de risico’s en de kosten. In het geval van een inpandige EOS wordt geadviseerd, eveneens in overleg met de Veiligheidsregio, een voor de brandweer goed bereikbare wateraansluiting aan de buitenzijde van het gebouw te realiseren. Voor het geval er water als blusmiddel of koelmiddel is voorzien geldt dat dit toxisch en corrosief kan zijn en dat deze middelen in het oppervlaktewater kunnen geraken of in het riool kunnen lopen waarbij een mogelijke verstoring van het biologisch zuiveringsproces in de rioolwaterzuiveringinstallatie (RWZI) kan volgen. Koel-/bluswateropvangvoorzieningen zijn er op gericht het aldus in het milieu geraken van het verontreinigd water te voorkomen. Dit zou met voorzieningen buiten de inrichting kunnen. Ook kan gedacht worden aan het ‘inblokken’ van delen van het rioolstelsel, waarmee voorkomen wordt dat verontreinigd water in de RWZI geraakt. Geadviseerd wordt om in overleg tussen ondernemer en bevoegd gezag en Veiligheidsregio planmatig tot beheersing van de koel-/bluswaterproblematiek te komen. Opgemerkt wordt nog dat het gangbaar is dat de ruimte gevuld wordt zonder dat de overloop gebruikt wordt. Dit tenzij de temperatuur zodanig oploopt dat verdere koeling nodig is. Ook geldt dat hoe sneller kan worden ingegrepen, hoe kleiner de consequenties voor de koel- of bluswaterproblematiek zijn. De realisatie van een wateropvangvoorziening kan complex en kostbaar zijn. Dit geldt nog sterker voor mobiele systemen. Geadviseerd wordt de haalbaarheid en betaalbaarheid in het oog te houden. Bij een inpandige EOS wordt aanbevolen extra aandacht te schenken aan het afvoeren van de brandbare, corrosieve gifwolk die kan vrijkomen wanneer één of meer lithium-ion energiedragers in een EOS tot ontbranding komt. Deze stoffen zouden dan via een apart gesloten ventilatiesysteem automatisch moeten worden afgevoerd. Daarbij mogen de brandbare, corrosieve en giftige stoffen die vrijkomen uit het ventilatiesysteem niet leiden tot blootstelling van personen binnen het object waarin de EOS is geplaatst. Mogelijk onderdeel van een maatregelenpakket (in het kort): – aandacht voor (beperkt) kwetsbare objecten/gebouwen en locaties – bijzondere aandacht voor zeer kwetsbare gebouwen – met name bij ontbreken maatregelen aan de bron – mijden bevolkingsconcentraties; bijv geen EOS bij nooduitgang – 5 m tussen EOS en omliggende bebouwing Het ligt voor de hand bij een locatiekeuze van een EOS rekening te houden met een mogelijk brandincident en het daarbij ontstaan van een gifwolk. Bij dit laatste kan ook de overwegend heersende windrichting een rol spelen. Dit geldt temeer als er geen bronmaatregelen zijn getroffen. Als bronmaatregel geldt een modulaire opzet van het systeem en een adequate signalering, zoals beschreven in de paragraaf 7.2.2. De omgevingsrisico’s hebben betrekking op de ligging van de EOS ten opzichte van kwetsbare objecten of gebouwen en locaties, zoals woningen, intensief bezette kantoren en evenemententerreinen. Voor een nadere uitwerking van de begrippen (beperkt) kwetsbare objecten wordt verwezen naar artikel 1 van het Bevi. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl, bijlage VI) zijn deze begrippen, met wat meer nuance uitgewerkt en wordt een categorie zeer kwetsbare gebouwen toegevoegd. Het Bkl treedt naar verwachting op 1 januari 2022 in werking, maar in alle gevallen wordt geadviseerd in het bijzonder aandacht te geven aan de zogeheten zeer kwetsbare gebouwen die in het Bkl worden onderscheiden. Het gaat daarbij om gebouwen met kwetsbare (groepen) mensen met een beperkte vluchtmogelijkheid. Voorts wordt, in het Bkl, in aanvulling op de Bevi-indeling ook onderscheid gemaakt in beperkt kwetsbare of kwetsbare locaties. Geadviseerd wordt ook deze aanvulling op het Bevi in beschouwing te nemen. Bij de ruimtelijke inpassing is het relevant om, zo mogelijk, de nabijheid van bevolkingsconcentraties te vermijden en naarmate dit minder mogelijk is een stringenter veiligheidsregime aan te houden. Daarbij speelt uiteraard ook de grootte van de EOS een rol. Het mijden van bevolkingsconcentraties houdt ook in dat de plaatsing van een EOS in de nabijheid van (nood)uitgangen afgeraden wordt. Dit zeker indien het gaat om grotere aantallen mensen, waarbij te denken valt aan stadions en evenementenhallen. Voor zover het gaat om evenemententerreinen wordt geadviseerd de (eventueel tijdelijk aanwezige) EOS zo mogelijk langs de rand van het terrein te plaatsen. Dit mede vanwege de toegankelijkheid voor hulpdiensten. Daarbij zou ook rekening gehouden kunnen worden met de overwegend heersende windrichting. Het vestigen van een grootschalige EOS in een woonwijk is een afweging van risico versus bijdrage aan de energietransitie. Daarbij speelt het niveau van de risicobeperkende maatregelen aan de bron een rol. Het verdient aanbeveling om in de bestemmingsplanregels of het omgevingsplan bij de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Gemengde doeleinden’ de afweging tot uitdrukking te laten komen. Zo nodig kunnen beperkingen gesteld worden aan de plaatsing en omvang van een EOS. Ook als door beheersmaatregelen de effecten door zelfontbranding van een energiedrager zich beperken tot de grenzen van één batterijmodule en brandbescherming is aangebracht wordt een afstand van 5 meter tussen een EOS en omliggende bebouwing geadviseerd. Dit ten behoeve van het eventueel kunnen opzetten van een waterscherm. Hoewel een inpandige13Voor het EOS wordt voor de begrippen inpandig/uitpandig van een zelfde kader uitgegaan als voor de opslag (zie paragraaf 7.1.3). EOS uit veiligheidsoogpunt niet de voorkeur heeft, komt dit wel voor. In die gevallen is de in paragraaf 7.2.2 bedoelde modulaire opzet te meer relevant en wordt bij het ontbreken daarvan geadviseerd in overleg met de Veiligheidsregio te bezien hoe een acceptabel veiligheidsniveau bereikt kan worden. Paragraaf 7.2.2 biedt daarvoor aanknopingspunten. Voor een indicatie van de verwachte effecten kan gebruik worden gemaakt van scenariokaart Li-ion Energieopslag systeem (EOS)14www.scenarioboekev.nl. Het is van belang dat de aanwezigheid van een EOS als zodanig kenbaar gemaakt wordt bij de Veiligheidsregio. Daarbij kan gedacht worden aan de locatie, de aard en omvang van de activiteit en het moment van ingebruikname. Voorts kan gedacht worden aan het beschikbaar stellen van contactgegevens van een beheerder of zijn plaatsvervanger die vroegtijdig kan ingrijpen en de ruimte toegankelijk kan maken voor hulpdiensten en hen van nadere informatie kan voorzien in het geval zich een incident voordoet. Locatiebereikbaarheid is cruciaal voor een adequate inzet van de hulpdiensten: hoe sneller en adequater een incident kan worden bestreden, hoe minder risico er voor de omgeving zal zijn. Daarbij moet ook gedacht worden aan de toegangswegen en maatregelen die voorkomen dat bijvoorbeeld geparkeerde voertuigen de benadering door materieel van de locatie blokkeren. Geadviseerd wordt voorts om de toegankelijkheid van de EOS zelf voor hulpdiensten te waarborgen. Daarbij kan gedacht worden aan de toegankelijkheid van de EOS door middel van een toegangsdeur. De buitenruimte moet voldoende vrije ruimte hebben, zodat de brandweer toegang heeft met haar materieel waarbij rekening gehouden wordt met een veilige werkafstand tot het gebouw. De gebouwhoogte speelt daarbij een rol. In overleg met de Veiligheidsregio kan deze minimale veilige ruimte lokaal worden vastgesteld. Het aanbrengen van een duidelijke markering aan de buitenzijde onderscheidt een EOS van andere faciliteiten. Geadviseerd wordt om aan de buitenzijde van de ruimte waarin een EOS is geplaatst, bijvoorbeeld nabij de toegangsdeur(en), op duidelijk zichtbare plaatsen waarschuwingsaanduidingen te plaatsen. Dit om de aanwezigheid van de lithium-ion energiedragers weer te geven. Het wordt aan de PGS-37 werkgroep overgelaten om een eventueel voorstel te doen met betrekking tot uniformering van een kenmerk. Dit zou evenwel geen belemmering moeten vormen om al snel een eventueel nog niet geüniformeerde aanduiding aan te brengen. Van belang hierbij is nog om op te merken dat hierbij niet het model 9A etiket wordt toegepast omdat dit etiket bedoeld is voor verpakkingen (zie hiervoor de bijlage, paragraaf B3.6). Mogelijk onderdeel van een maatregelenpakket (in het kort): – plan voor alarmmeldingen en calamiteiten – noodstopvoorziening Naast de bekendheid van de aanwezigheid van een EOS bij de Veiligheidsregio is het van belang dat eigenaren, gebruikers en beheerders van een EOS zelf ook bekend zijn hoe te handelen in geval van calamiteiten. Geadviseerd wordt een plan op te stellen, met daarin organisatorische en technische maatregelen ter bestrijding van een ongeval of incident. In het plan wordt onder andere beschreven hoe de EOS continu wordt gemonitord en hoe te handelen bij alarmmeldingen en calamiteiten. Het monitoren heeft tot doel dat (kleine) beheersbare storingen vroegtijdig worden gesignaleerd en verholpen, voordat dit tot escalatie kan leiden. Het gaat hierbij onder andere om de conditie van de in de eenheid aanwezige energiedragers en koelsystemen en de temperatuur van de eenheid. In de procedure hoe te handelen bij alarmmeldingen en calamiteiten wordt door een stappenplan beschreven hoe alarmmeldingen worden opgevolgd en hoe te handelen bij calamiteiten. Daarbij wordt onder meer vermeld welke partijen moeten worden gewaarschuwd met bijbehorende telefoonnummers. Van belang is verder dat de EOS buiten werking wordt gesteld bij gevaarlijke afwijkingen in reguliere laad- en ontlaadpatronen of grote temperatuurschommelingen en dat een monteur snel ter plaatse een diagnose van de storing kan stellen. In dat verband kan de aanwezigheid van een noodstopvoorziening het veilig optreden van hulpdiensten bij calamiteiten bevorderen. Daarbij is het weer juist niet de bedoeling dat de veiligheidsvoorzieningen buiten werking worden gesteld. Deze zijn er immers juist voor bedoeld de veiligheid te vergroten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel