Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › § 3.3

Artikel 10

Artikel 10

Onderdeel van Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht BES· Strafrecht

Deze tekst geldt sinds 1 augustus 2020

1. De directeur van een gesticht stelt uiterlijk binnen drie weken na de binnenkomst van de jeugdige een verblijfsplan voor hem vast. Alvorens het plan vast te stellen, overlegt hij met de jeugdige. De eerste volzin is niet van toepassing op jeugdigen die jeugddetentie ondergaan van een kortere duur dan drie weken. 2. Het plan geeft aan hoe het verblijf dienstbaar wordt gemaakt aan de verwezenlijking van de doelen van artikel 6 en op welke wijze de toekenning van verlof aan die verwezenlijking bijdraagt. 3. Bij het opstellen en wijzigen van het verblijfsplan voor jeugdigen die op strafrechtelijke titel in het gesticht verblijven, betrekt het gesticht tevens de reclassering en de voogdijraad. 4. Bij het opstellen en wijzigen van het verblijfsplan betrekt het gesticht zo veel mogelijk de ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, tenzij: deze te kennen geven hierbij geen rol te willen vervullen, of; zwaarwegende belangen van de jeugdige zich daartegen verzetten. 5. De jeugdige heeft recht op een periodieke evaluatie van het verblijfsplan door de directeur. Van de evaluatie wordt een verslag opgesteld. 6. Bij de evaluatie worden in elke geval de volgende aspecten betrokken: het verblijf op de afdeling; het bereiken van de gestelde doelen en de noodzaak tot wijziging van de doelen; de veranderingen in het toestandsbeeld van de jeugdige tijdens het verblijf; de bewegingsvrijheid binnen en buiten het gesticht; belangrijke voorvallen waarbij de jeugdige betrokken is geweest. de noodzaak van verlenging van het verblijf.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel