Dit besluit gaat in op het recht op aftrek van btw. Het besluit is geen allesomvattende beschrijving van alle problematiek die zich voordoet bij de aftrek van btw. Het besluit bevat vooral uitleg en goedkeuringen die voor de omschreven situaties gelden. Daarnaast beschrijft het besluit hoe in bepaalde situaties het recht op aftrek van btw moet worden bepaald. Verder bevat dit besluit interpretaties van bepaalde relevante begrippen en verwijzingen naar nationale en Europese jurisprudentie.
Hoofdstuk 2 beschrijft het juridisch kader dat geldt voor het recht op aftrek van btw. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de omvang van het aftrekrecht. Daarbij wordt onder meer het onderscheid tussen economische en niet-economische handelingen besproken en de toerekening van de voorbelasting aan economische en niet-economische handelingen. Voorts wordt ingegaan op de herziening van de aftrek van btw in het boekjaar waarin de ondernemer de goederen en diensten gaat gebruiken. Hoofdstuk 4 beschrijft het recht op aftrek van btw bij investeringsgoederen en de herziening van deze aftrek in opvolgende jaren. Verder gaat het hoofdstuk in op de vermogensetikettering en de gevolgen daarvan voor het recht op aftrek van btw. Hoofdstuk 5 behandelt enkele specifieke situaties die zich voordoen bij het recht op aftrek en de goedkeuringen die daarvoor zijn getroffen. Hoofdstuk 6 behandelt de aftrek van btw in het geval de ondernemer economische handelingen verricht in het buitenland.
Dit besluit werd gewijzigd bij besluit van 4 januari 2024, nr. 2023-288868, (Stcrt. 2024, 878). De wijziging betreft het vervallen van onderdeel 5.2.8 waarin vooruitlopend op wetgeving een goedkeuring is opgenomen over het recht van vooraftrek bij het verstrekken van spijzen en dranken voor gebruik ter plaatse binnen het kader van het hotel-, café-, restaurant-, pension- en aanverwant bedrijf. Deze goedkeuring vervalt per 1 januari 2024 omdat de inhoud van de goedkeuring per die datum in artikel 15, vijfde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 is verwerkt1Artikel VII van de Fiscale verzamelwet 2024, Stb. 2023, nr. 498..
De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
aftrek van voorbelasting: aftrek van btw voor de aanschaf van goederen en diensten die een ondernemer gebruikt voor belaste handelingen als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968
AWR:Algemene wet inzake rijksbelastingen
beschikking:Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968
btw: Omzetbelasting
btw-richtlijn:Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde
BUA:Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968
HvJ: Hof van Justitie van de Europese Unie
HR: Hoge Raad der Nederlanden
investeringsdienst: dienst aan een of meer onroerende zaken die deze meerjarig dient, inclusief materialen, installaties, machines en werktuigen die, na installatie of montage, als onroerend kwalificeren, en waarbij de vergoeding voor deze dienst ten minste € 30.000 bedraagt (artikel 2a, eerste lid, onderdeel y van de Wet op de omzetbelasting 1968 in samenhang met artikel 13, eerste lid, onderdeel c van de beschikking)
investeringsgoederen: goederen waarvan de aftrek gedurende een periode van vier boekjaren (roerende zaken) of negen boekjaren (onroerende zaken) na het jaar van de eerste ingebruikneming wordt beoordeeld (artikel 13, tweede en derde lid, van de beschikking)
wet:Wet op de omzetbelasting 1968
Artikel 1
Inleiding
Onderdeel van Omzetbelasting, aftrek van omzetbelasting· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 15 december 2020