Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Inleiding

Onderdeel van Omzetbelasting, vaste inrichting· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 19 december 2020

Voor de toepassing van de Wet op de omzetbelasting 1968 is het van belang vast te stellen of een ondernemer die de zetel van zijn bedrijfsuitoefening2Zie artikel 10 van de Uitvoeringsverordening va de Raad van de Europese Unie van 15 maart 2011, nr. 282/211. in het buitenland heeft in Nederland beschikt over een vaste inrichting. De aanwezigheid van een vaste inrichting in Nederland is onder meer relevant voor de btw-heffing bij prestaties die de vaste inrichting aan derden verricht en het doen van btw-aangifte voor deze prestaties. Verder is het beschikken over een vaste inrichting in Nederland onder andere van belang voor de aftrek van btw bij de vaste inrichting en het al dan niet verleggen van de btw-heffing naar Nederlandse ondernemers die prestaties afnemen van de buitenlandse ondernemer. De belangrijkste wijzigingen van het besluit hebben betrekking op: onderdeel 3: de btw-heffing bij onderlinge prestaties tussen vaste inrichting en hoofdhuis. In de tekst zijn het door het Hof van Justitie van de Europese Unie gewezen Skandia-arrest en Danske Bank-arrest verwerkt; onderdeel 4: de aftrek van btw bij kosten die opkomen bij een vaste inrichting in Nederland, waarvoor onder meer het Morgan Stanley & Co International plc-arrest relevant is; onderdeel 5: de verlegging van de btw-heffing bij de in artikel 6, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 bedoelde B2B-diensten die een zo te noemen inkoop-vaste inrichting voor zichzelf en ter plaatse afneemt; onderdeel 6: gevallen waarin de verlegging van de btw-heffing naar de afnemer in Nederland niet mogelijk is, omdat de vaste inrichting in Nederland van een buitenlandse ondernemer betrokken is bij de prestatie die de buitenlandse ondernemer in Nederland verricht; onderdeel 7: uitleg hoe een ondernemer/dienstverrichter kan bepalen welke inrichting van een ondernemer (het hoofdhuis of de vaste inrichting) een dienst afneemt; onderdeel 8: de goedkeuring met betrekking tot de vergunning voor een niet-plaatsgebonden entrepot door een buitenlands hoofdhuis is omgezet in wetstoepassing. AWRAlgemene wet inzake rijksbelastingen btw Omzetbelasting btw-richtlijnRichtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wetWet op de omzetbelasting 1968 B2B-dienst Business to business-dienst, d.w.z. een dienst als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet die door een ondernemer aan een andere ondernemer wordt verricht B2C-dienst Business to consumer-dienst, d.w.z. een dienst als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de wet die door een ondernemer aan een niet-ondernemer wordt verricht buitenlandse ondernemer Ondernemer wiens zetel van bedrijfsuitoefening als bedoeld in artikel 10 van de Uitvoeringsverordening nr. 282/2011 zich buiten Nederland (in een land binnen of buiten de Europese Unie) bevindt Fiscale eenheid Een fiscale eenheid die zich bevindt binnen een lidstaat van de Unie hoofdhuis De zetel van de bedrijfsuitoefening van een ondernemer als bedoeld in artikel 10 van de Uitvoeringsverordening nr. 282/2011, d.w.z. de plaats waar de centrale bestuurstaken van de onderneming worden uitgeoefend HvJ Hof van Justitie van de Europese Unie HR Hoge Raad der Nederlanden inkoop-vaste inrichting Iedere andere inrichting dan de in artikel 10 van de Uitvoeringsverordening nr. 282/2011 bedoelde zetel van de bedrijfsuitoefening die wordt gekenmerkt door een voldoende mate van duurzaamheid en een - wat personeel en technische middelen betreft - geschikte structuur om de voor haar eigen behoeften verrichte diensten te kunnen afnemen en ter plaatse te gebruiken (artikel 11, lid 1, Uitvoeringsverordening nr. 282/2011) lidstaat De in artikel 2a, eerste lid, onderdeel b, van de wet bedoelde lidstaat van de Europese Unie uitvoeringsbesluitUitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 uitvoeringsbeschikkingUitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 uitvoeringsverordening Uitvoeringsverordening nr. 282/2011 van de Raad van de Europese Unie van 15 maart 2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde Unie Het in artikel 2a, eerste lid, onderdeel c, van de wet omschreven begrip ‘Unie’ vaste inrichting Iedere andere inrichting dan de in artikel 10 van de uitvoeringsverordening bedoelde zetel van de bedrijfsuitoefening, die zich bevindt in een ander land dan waar die zetel zich bevindt, die een voldoende mate van duurzaamheid heeft en een - wat personeel en technische middelen betreft - geschikte structuur om prestaties aan derden te verrichten (artikel 11, lid 2, uitvoeringsverordening)

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel