Door een gebeurtenis als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, NSW verliest (een gedeelte van) het NSW-landgoed zijn status en zal als gevolg daarvan aan de NSW-rangschikking worden onttrokken. Dit statusverlies treedt ook op bij beëindiging van de in artikel 1, tweede lid, onderdeel a, NSW bedoelde aanleun- of samenwerkingsregeling (artikel 3, eerste lid, onderdeel d, NSW). Op verzoek van de (nieuwe) eigenaar kan het landgoed als NSW-landgoed aangemerkt blijven (artikel 3, tweede en zesde lid, NSW). Bij inwilliging van een tijdig ingediend verzoek treedt er dan geen statusverlies op.
Het niet tijdig indienen van het verzoek leidt ertoe dat het landgoed aan de NSW-rangschikking wordt onttrokken. Rangschikking van het landgoed kan dan pas weer plaatsvinden met ingang van de datum van ontvangst van het (niet tijdig) ingediende verzoek. Hierdoor ontstaat er een onderbreking in de periode waarin het landgoed is gerangschikt en wordt als gevolg daarvan op de eerder verleende fiscale faciliteiten teruggekomen (zie de artikelen 8, 8a en 9c NSW).
Als een landgoed zijn NSW-status verliest vanwege een niet tijdig ingediend verzoek om de onroerende zaak als NSW-landgoed aangemerkt te laten blijven, wordt de belasting alsnog ingevorderd of alsnog verschuldigd. Het bedrag aan in te vorderen of alsnog verschuldigde belasting kan in dat geval echter in een scheve verhouding staan tot de overschrijding van de termijn waarbinnen het verzoek had moeten worden ingediend. Dit acht ik niet gewenst. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur onder voorwaarden goed dat bij statusverlies op grond van een gebeurtenis als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, NSW op verzoek de invordering van schenk- of erfbelasting gedeeltelijk achterwege blijft dan wel de overdrachtsbelasting gedeeltelijk niet verschuldigd wordt (hierna kortweg: de invordering van belasting achterwege blijft).
Voor deze goedkeuring gelden de volgende zes voorwaarden:
Buiten de termijn van artikel 3, tweede lid, NSW, maar binnen vijf jaar na de gebeurtenis als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, NSW wordt een verzoek gedaan om het landgoed opnieuw aan te merken als een NSW-landgoed, welk verzoek ook daadwerkelijk wordt ingewilligd.
Het in te vorderen bedrag wordt gemaximeerd tot € 5.000. Bij indiening van het verzoek binnen respectievelijk vier, drie, twee en één jaar na de datum van de gebeurtenis bedraagt het in te vorderen bedrag niet meer dan respectievelijk € 4.000, € 3.000, € 2.000 en € 1.000. Deze bedragen gelden per belastingmiddel en per verkrijger. Als op het landgoed meer dan één belastingclaim rust, wordt het maximaal in te vorderen bedrag per belastingclaim berekend.
Het NSW-karakter van het landgoed in de periode van tijdelijke onttrekking is niet aangetast of verloren gegaan door gebrek aan behoorlijk onderhoud of door andere omstandigheden.
Een opengesteld NSW-landgoed was in de periode van de tijdelijke onttrekking daadwerkelijk opengesteld overeenkomstig de eisen van de Beleidsregel openstelling landgoederen Natuurschoonwet 1928 van 27 oktober 2020, nr. WJZ/181824762Beleidsregel van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Financiën van 27 oktober 2020, nr. WJZ/18182476, inzake de voorwaarden voor openstelling van landgoederen (Beleidsregel openstelling landgoederen Natuurschoonwet 1928), Stcrt. 2020, 54438 (tot 1 januari 2021 overeenkomstig de eisen van het openstellingsbesluit van 20 december 2007, nr. CPP2007/1092M, Stcrt. 2008, 3).
De goedkeuring geldt zolang voor het landgoed wordt voldaan aan de voorwaarden en uitgangspunten die gelden voor de NSW. Dit betekent bijvoorbeeld dat de goedkeuring niet meer geldt en de belasting als gevolg daarvan alsnog wordt ingevorderd als zich nadat het landgoed opnieuw is gerangschikt een situatie voordoet als bedoeld in de artikelen 8, 8a of 9c van de NSW.
De eigenaar verklaart dat hij de schenk- of erfbelasting of de overdrachtsbelasting alsnog zal betalen als op enig moment het landgoed (of een gedeelte daarvan) niet langer is gerangschikt als landgoed in de zin van de NSW en op grond van de artikelen 8, 8a en 9c van de NSW op de fiscale faciliteiten wordt teruggekomen.
Op 1 juli 2012 verkrijgt X een landgoed. Het landgoed wordt met ingang van die datum aangemerkt als NSW-landgoed. X is geen overdrachtsbelasting verschuldigd door toepassing van de vrijstelling van artikel 9a NSW.
Op 1 maart 2019 verkoopt X het landgoed aan Z. In de akte van levering wordt een beroep gedaan op de vrijstelling overdrachtsbelasting van artikel 9a NSW.
Z verzoekt pas op 1 februari 2020 om voortzetting van de NSW-rangschikking van het landgoed. Dat verzoek is gedaan buiten de zesmaandstermijn van artikel 3, tweede lid, NSW. Er zijn geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in de laatste volzin van die bepaling.
Doordat de nieuwe eigenaar Z het verzoek niet tijdig heeft ingediend wordt X de over zijn verkrijging op 1 juli 2012 niet geheven overdrachtsbelasting alsnog verschuldigd en geldt voor Z de vrijstelling overdrachtsbelasting van artikel 9a NSW niet. Echter op grond van de goedkeuring wordt de verschuldigde overdrachtsbelasting beperkt en is zowel X als Z niet meer dan € 1.000 aan overdrachtsbelasting verschuldigd.
Als er een NSW-rangschikking heeft plaatsgevonden met toepassing van het bepaalde in artikel 1, tweede lid, onderdeel a, NSW (de zogenoemde aanleun- of samenwerkingsrangschikking), dan kan deze rangschikking vervallen, bijvoorbeeld als de eigenaar van de aangrenzende onroerende zaak, met wie wordt samengewerkt, zijn onroerende zaak in eigendom overdraagt.
De eigenaar van de onroerende zaak (de aanleuner of de samenwerker) krijgt in dat geval een kennisgeving dat zijn onroerende zaak, ten gevolge van de overdracht door de eigenaar van de aangrenzende onroerende zaak, niet langer als NSW-landgoed wordt aangemerkt (artikel 3, vijfde lid, NSW). Hij kan dan binnen zes maanden na de datum van de kennisgeving het verzoek doen om zijn onroerende zaak als NSW-landgoed aangemerkt te laten blijven (artikel 3, zesde lid, NSW). Daarmee kan hij voorkomen dat statusverlies optreedt. Bij een te laat verzoek kan, zoals in onderdeel 2.1. van dit besluit is vermeld, het bedrag van de alsnog in te vorderen, of de alsnog verschuldigde belasting, in een scheve verhouding staan tot de overschrijding van de termijn waarbinnen het verzoek had moeten worden ingediend. In een voorkomende situatie kan een betrokkene bij mij een verzoek om toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (de hardheidsclausule) indienen. Dit verzoek wordt met overeenkomstige toepassing van onderdeel 2.1. beoordeeld.
Artikel 2
Te laat ingediend verzoek om handhaving rangschikking
Onderdeel van Beleidsregel Natuurschoonwet 1928· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2021