Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Tenuitvoerlegging bijzondere voorwaarden

Onderdeel van Aanwijzing voorwaardelijke straffen en schorsing van voorlopige hechtenis onder voorwaarden· Strafrecht

Deze tekst geldt sinds 1 maart 2021

De minister is verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen en is belast met de uitvoering van het feitelijke toezicht op de naleving van de algemene en bijzondere voorwaarden. Het OM is belast met het toezicht op de naleving van de algemene en bijzondere voorwaarden in verband met het nemen van vervolgbeslissingen. Het OM is bij deze taak afhankelijk van vele (uitvoerings)instanties, waaronder CJIB/AICE, reclasseringsinstanties en politie. De reclassering is uitvoerder van het toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden, ook wanneer de inzet van een elektronisch hulpmiddel onderdeel uitmaakt van de bijzondere voorwaarden. Daarnaast voert de reclassering verschillende gedragstrainingen uit. De politie levert een belangrijke bijdrage aan de handhaving van de vrijheidsbeperkende voorwaarden (locatie- en contactverboden, locatiegeboden, meldplicht politie). De officier van justitie kan van eenieder vorderen de inlichtingen te verstrekken die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving (art. 6:3:14 lid 5 Sv). Het OM informeert de minister of er een vordering is ingediend. Om voortvarendheid in de keten te bevorderen, geeft het OM de vrijgave voor tenuitvoerlegging van voorwaardelijke veroordelingen met bijzondere voorwaarden, zoals het reclasseringstoezicht, voorrang. Indien de rechter reclasseringstoezicht heeft bevolen, geeft de minister (bij monde van het CJIB/AICE) de last aan de reclassering toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Het OM geeft daarom de strafrechtelijke beslissing van de rechtbank zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk veertien dagen nadat deze voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, door aan het CJIB/AICE 15Art. 6:1:1 Sv. . Het openbaar ministerie voegt daarbij, in voorkomende gevallen, het advies van de rechter omtrent de tenuitvoerlegging. Het openbaar ministerie kan bij of onverwijld na het verstrekken van de beslissing advies geven aan Onze Minister over tijdens de tenuitvoerlegging te nemen besluiten. 16Art. 6:1:10 Sv en het Aanwijzing kader voor tenuitvoerlegging. . Het OM én de minister kunnen ambtshalve de door de rechter opgelegde last tot toezicht geven of de opdracht aan een andere aangewezen instelling geven. Indien de rechter bepaalt dat de reclassering toezicht houdt ‘zolang de reclassering dat nodig acht’ en de reclassering gedurende de proeftijd van oordeel is dat het toezicht positief is verlopen en niet langer nodig is, kan het toezicht met instemming van de opdrachtgever, de minister, worden beëindigd. De handhaving van de vrijheidsbeperkende voorwaarden valt onder de algemene signalerende taak van de politie. Toezicht door een buurtregisseur, doelgroepagent en/of basisteam, kan de handhavingsdruk en de pakkans bij overtredingen aanmerkelijk doen toenemen. Het CJIB/AICE meldt deze vrijheidsbeperkende voorwaarden aan de politie. 17Alle parketten melden een contactverbod, locatieverbod of locatiegebod aan het AICE, dat deze informatie aan de politie doorgeeft. In geval van elektronische controle wordt ook de reclassering bericht. Wanneer de rechter een contactverbod of locatieverbod/-gebod (al dan niet met ET) en het daarbij behorende politietoezicht dadelijk uitvoerbaar verklaart, wordt de betreffende strafrechtelijke beslissing zo spoedig mogelijk verstrekt aan het CJIB/AICE conform de ketenafspraken. Het CJIB/AICE stelt de uitvoerders (politie en eventueel reclassering) zo spoedig mogelijk daarvan in kennis. In geval van handhaving van vrijheidsbeperkende voorwaarden door de politie, moet het OM het CJIB/AICE zorgvuldig informeren bij beëindiging van de voorlopige hechtenis (en daarmee het vervallen van de schorsingsvoorwaarde) of het einde van de proeftijd in geval van veroordeling. Daarmee worden onrechtmatige aanhoudingen voorkomen. Pleegt de verdachte tijdens een schorsing van de voorlopige hechtenis een nieuw strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, dan kan, afhankelijk van de ernst van het nieuwe feit en de aard van de (bijzondere) voorwaarde(n), de verdachte ter zake van het nieuwe feit worden voorgeleid of de opheffing van de schorsing worden gevorderd bij de RC of de raadkamer. Ook een combinatie van beide opties is mogelijk. Pleegt een (deels) voorwaardelijke veroordeelde tijdens de proeftijd een nieuw strafbaar feit dan kan de officier van justitie een vordering voorlopige tenuitvoerlegging bij de RC aanbrengen (binnen drie maal vierentwintig uur na aanhouding). Vervolgens brengt de officier van justitie de hoofdzaak tegelijk met een vordering tot tenuitvoerlegging aan bij de rechter. Is bij het nieuwe feit voorlopige hechtenis toegelaten, dient de afweging te worden gemaakt tussen een vordering bewaring of een vordering voorlopige tenuitvoerlegging. Overigens kunnen ook beide vorderingen tegelijkertijd (evt. primair/subsidiair) worden ingediend. Als veroordeelde wordt vervolgd wegens een strafbaar feit en de vordering van het OM gelijktijdig geschiedt met de behandeling van dat strafbare feit, is het gerecht bevoegd dat kennis neemt van dat feit. Het openbaar ministerie is belast met het toezicht op de naleving van voorwaarden die gesteld zijn bij schorsing van de voorlopige hechtenis in verband met het nemen van vervolgbeslissingen (art. 6.3.14 lid 1 Sv). De reclasseringsinstelling licht het OM (op een in de keten afgesproken wijze) in over het gehouden toezicht. Als blijkt dat iemand die onder toezicht is gesteld de bijzondere voorwaarden niet naleeft of zich niet houdt aan de aanwijzingen van de reclassering, bericht de reclassering dit aan het CJIB/AICE en aan het OM, al dan niet via het CJIB/AICE. Bij het bericht aan het OM geeft de reclassering tegelijk advies over de reactie die naar het oordeel van de reclassering zou moeten volgen op de geconstateerde overtreding. Het OM neemt (een) vervolgbeslissing(en). Indien de niet nageleefde voorwaarde in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis was opgelegd, dan kan de officier de aanhouding van de verdachte bevelen en onverwijld de vordering tot opheffing van de schorsing indienen bij de rechter (art. 84 Sv). De rechter kan de schorsingsbeslissing wijzigen (art. 81, eerste lid Sv) of de opheffing van de schorsing bevelen (art. 82, eerste lid Sv) waarbij verdachte zo mogelijk wordt gehoord. Indien na ommekomst van deze termijn de verdachte nog niet is aangehouden, geeft de officier van justitie aan of de verdachte actief moet worden opgespoord. De officier van justitie dient zijn vordering onverwijld na de aanhouding in bij de rechtbank, die de schorsing heeft bevolen (art. 84, tweede lid Sv). De niet-naleving van een voorwaarde zal worden geconstateerd door de reclassering of door de politie. De reclassering licht het OM in over het gehouden toezicht. Indien blijkt dat de veroordeelde een voorwaarde niet naleeft, niet meewerkt aan het toezicht of anderszins het belang van de veiligheid van personen of goederen het eist, doet de reclasseringsinstelling daarvan onverwijld melding aan het openbaar ministerie én de minister (al dan niet via het CJIB/AICE). 18Art. 6:3:14 Sv. De melding wordt gedaan op een wijze en termijn conform ketenafspraken. In het geval dat de politie een overtreding constateert, zal dit veelal betrekking hebben op een algemene voorwaarde of een vrijheidsbeperkende voorwaarde. De politie meldt deze overtreding aan het OM en legt dit vast in een proces-verbaal van bevindingen. De officier kan van eenieder vorderen de inlichtingen te verstrekken die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving. De officier kan besluiten: een schriftelijke waarschuwing te sturen of een waarschuwingsgesprek ten parkette te voeren 19Zie art. 6:6:21 lid 3 Sv ; te vorderen dat de niet tenuitvoergelegde straf alsnog voorlopig ten uitvoer wordt gelegd (art. 6:3:15 aanhouding, 6:6:20 vordering, voorgeleiding); te vorderen dat de gehele of een gedeelte van de voorwaardelijke straf ten uitvoer wordt gelegd al of niet onder instandhouding dan wel wijziging van de voorwaarden (art. 6:6:21 (tul)); een vordering in te dienen tot verlenging van de proeftijd (art. 6:6:19 Sv) of tot wijziging van de voorwaarden (6:6:19 Sv), zonder de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafdeel te gelasten. Het openbaar ministerie kan, wanneer aan veroordeelde een onherroepelijke voorwaardelijke vrijheidsstraf is opgelegd, de aanhouding van de veroordeelde bevelen, indien er ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat enige gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd of anderszins het belang van de veiligheid van personen of goederen zulks eist en aannemelijk is dat de rechter de vrijheidsbeneming zal bevelen (Art. 6:3:15 Sv). Indien het bevel van het OM niet kan worden afgewacht, kan ook de hulpofficier de aanhouding van de veroordeelde bevelen. De hulpofficier geeft van de aanhouding onverwijld schriftelijk of mondeling kennis aan de officier van justitie. Deze toetst de aanhouding. Nadat de veroordeelde is aangehouden, dient het OM onverwijld een vordering in tot voorlopige tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke vrijheidsstraf bij de rechter-commissaris. Ook wordt tegelijkertijd een vordering tenuitvoerlegging (6:6:21 lid 1) ingediend. In geval van een voorwaardelijke straf opgelegd door het Hof, legt de AG een dergelijke vordering terug bij de officier in de eerste lijn met het verzoek deze in te dienen bij de RC. Het verdient aanbeveling in de vordering voorlopige tenuitvoerlegging op te nemen dat en waarom het voortduren van de aanhouding noodzakelijk is. De RC toetst of er ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat de algemene en/of bijzondere voorwaarde niet is nageleefd. De RC dient binnen driemaal vierentwintig uur na indienen van de vordering de veroordeelde te horen en te beslissen op de vordering tenuitvoerlegging (art. 6:6:20). Het bevel van de RC is dadelijk uitvoerbaar. Hangende de beslissing wordt veroordeelde niet in vrijheid gesteld. Het OM vordert de voorlopige tenuitvoerlegging tenzij: kan worden volstaan met een waarschuwing of een vordering wijziging voorwaarden of een vordering verlengen proeftijd wordt ingediend; en mits: sprake is van een onherroepelijke voorwaardelijke gevangenisstraf en de schending van de voorwaarde(n) zodanig is, dat de insluiting van de veroordeelde noodzakelijk en proportioneel is. Een voorlopige tenuitvoerlegging kan derhalve niet worden gevorderd bij een voorwaardelijke taakstraf en/of de maatregel van een voorwaardelijke ISD. Nadat een vordering tenuitvoerlegging wordt ingediend vindt het onderzoek zo spoedig mogelijk plaats. Indien de rechter-commissaris op grond van artikel 6:6:20 een beslissing heeft genomen, vindt het onderzoek in elk geval plaats binnen een maand na ontvangst van de vordering tenuitvoerlegging. Indien de RC de vordering van het OM toewijst, beveelt hij de voorlopige tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde vrijheidsstraf. Indien hij de vordering afwijst, beveelt hij de invrijheidstelling van de veroordeelde. Beslissingen worden onverwijld vanwege het OM schriftelijk medegedeeld aan de veroordeelde. De rechter kan het bevel tot voorlopige tenuitvoerlegging opheffen. In gevallen waarin spoed geboden is bij het vorderen van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke vrijheidsstraf of sprake is van een korte voorwaardelijke vrijheidsstraf, kan ook het toepassen van supersnelrecht (inhoudelijke behandeling in de termijn van de inverzekeringstelling) geschikt zijn. De vordering van voorlopige tenuitvoerlegging wordt dan feitelijk ‘overgeslagen’. In overleg met de ketenpartners kan een dergelijke voorziening worden georganiseerd. Bij het toepassen van supersnelrecht kan de RC optreden als politierechter. Het proces-verbaal van de politie en/of de aflooprapportage van de reclassering dienen volledig te zijn om te kunnen dienen als onderbouwing van de vordering tot tenuitvoerlegging. De rechter kan de proeftijd verkorten of verlengen of in de voorwaarden of in de termijn waartoe deze voorwaarden in haar werking binnen de proeftijd zijn beperkt, wijziging brengen, inclusief opheffen of alsnog stellen van bijzondere voorwaarden. 20Art. 6:6:19 lid 1 sub a en b Sv. Ook kan de opdracht aan de reclassering om toezicht te houden worden gegeven, gewijzigd of opgeheven. 21Art. 6.6.19 lid 1 sub c Sv. De verlenging bedraagt bij een voorwaardelijke straf ten hoogste de termijn die maximaal aan de proeftijd kan worden verbonden. De maximale duur van de proeftijd is terug te vinden in art. 14b Sr en kan drie tot tien jaar zijn. Er is geen maximum meer gebonden aan het aantal keer dat de proeftijd kan worden verlengd, maar wel aan de duur van de proeftijd in totaal. Het toezicht van de politie en/of de reclassering loopt door tot aan de behandeling door de rechter van de vordering opheffing schorsing of de vordering tot (voorlopige) tenuitvoerlegging. Het toezicht wordt alleen beëindigd naar aanleiding van een bevel van de rechter tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis of naar aanleiding van een (voorlopig) bevel tot volledige tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafdeel. Een vordering tul van een voorwaardelijke straf of maatregel op grond dat door de veroordeelde één of meer bijzondere voorwaarden zijn geschonden, wordt binnen 30 dagen na het indienen van de vordering door het gerecht behandeld. 22Conform ketenafspraken, zoals vastgelegd in het landelijk strafprocesreglement en in het Samenwerkingsreglement. Tot het nemen van een tulbeslissing is bevoegd het gerecht dat in eerste aanleg kennis heeft genomen van het strafbare feit waarvoor de sanctie is opgelegd. De zaak wordt behandeld door een enkelvoudige kamer tenzij: de vordering strekt tot vrijheidsbeneming van een jaar of meer; de rechter die kennisneemt van de zaak aanstonds oordeelt dat deze door de meervoudige kamer moet worden behandeld. 23Art. 6:6:1 Sv Het OM roept zowel de veroordeelde, indien daartoe aanleiding is degene die met reclasseringstoezicht is belast, en indien noodzakelijk ook de toezichthouder van de politie op tot het bijwonen van de zitting waarop over de vordering (voorlopige) tenuitvoerlegging wordt beslist (6:6:3 Sv). Als veroordeelde geen raadsman heeft, wordt deze toegevoegd door de raad voor rechtsbijstand. Het OM is bevoegd ter zitting gedurende het onderzoek wijziging te brengen in de vordering (art. 6:6:4 Sv). De beslissing van de rechter over de vordering tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf wordt door het OM onverwijld meegedeeld aan de veroordeelde (art. 6:6:5 Sv) Indien het gaat om een wijziging, bevat de kennisgeving tevens de gestelde voorwaarden, alsmede de datum van ingang van de voorwaarden. Indien daarvan sprake is, wordt de mededeling ook gedaan aan de toezichthouder. Het OM stelt het CJIB/AICE van de rechterlijke beslissing in kennis. Via het CJIB/AICE wordt de reclassering en politie geïnformeerd. Indien de RC besluit de voorlopige tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf te gelasten of ter zake van het nieuwe strafbare feit de bewaring van de verdachte te bevelen, schort dit besluit de uitvoering van het reeds lopende toezicht op. Indien de rechter ter zake van eerdere of nieuwe strafbare feiten een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf oplegt of heeft opgelegd, dan schort de tenuitvoerlegging hiervan de proeftijd en de uitvoering van het toezicht op (art. 6:1:18 lid 3 Sv) De nieuwe eindtermijn van de proeftijd wordt bekend gemaakt via het CJIB/AICE. Het toezicht wordt weer voortgezet zodra de vrijheidsstraf ten uitvoer is gelegd. Legt de rechter ter zake van het nieuwe strafbare feit een (deels) voorwaardelijke straf op met bijzondere voorwaarden met toezicht door de reclassering, dan wordt, na de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke strafdeel, het eerder opgelegde toezicht voortgezet, mits de proeftijd dan nog van kracht is. Zolang de proeftijd van de eerdere veroordeling nog van kracht is, wordt het toezicht gelijktijdig uitgevoerd. Tegen de beslissing van de rechter om de voorwaardelijke straf ten uitvoer te leggen staat geen rechtsmiddel open (art. 6:6:7 Sv). De veroordeelde kan wel beroep instellen tegen de beslissing, voor zover deze deel uitmaakt van een uitspraak ter zake van een ander strafbaar feit (art. 6:6:22, eerste lid, onder b en 6:6:22a, eerste lid, Sv). 24Stb. 2020, 225 Hangende de beslissing kan de rechter het bevel tot tenuitvoerlegging opheffen (art. 6:6:22, tweede lid Sv).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel