Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Artikel 5

Onderdeel van Besluit ex art. 13, vierde lid, Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag· Openbare orde en veiligheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 20 december 1953

Een verbod als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 3 geldt niet ten aanzien van: Onze Ministers, de Staatssecretarissen, de Vice-President van de Raad van State en de Voorzitters der beide Kamers der Staten-Generaal; de leden van de Hoge Colleges van Staat, voorzover zij in de open lucht moeten vertoeven voor het bijwonen van vergaderingen, te houden overeenkomstig de daaromtrent met betrekking tot die Colleges geldende voorschriften; Onze Commissarissen in de provinciën, de burgemeesters en de Procureurs-Generaal bij de Gerechtshoven, fungerend Directeuren van Politie; de Directeur van het Kabinet der Koningin; de niet reeds onder c genoemde leden van de rechterlijke macht, voor zover zij voor de uitoefening van hun functie in de open lucht moeten vertoeven; in uniform geklede militairen; personeel van de politie, de brandweer, de douane en de bescherming van de bevolking, voor zover zij voor de uitoefening van hun functie in de open lucht moeten vertoeven; bedienaren van de godsdienst, artsen, vroedvrouwen en notarissen, voor zover het verblijf van voornoemde personen in de open lucht gedurende de bij het verbod vastgestelde uren noodzakelijk is ter vervulling van een plicht, welke uit hun ambt of beroep voortvloeit; in uniform gekleed personeel van het Rode Kruis; hen die in geval van ziekte, zwangerschap of ongeval de hulp trachten te vinden, welke in de omstandigheden onmiddellijk is vereist. Besluit is door de Tijdelijke regeling landelijke avondklok covid-19 (Stcrt. 2021/4191 jo. Stcrt. 2021/7378) buiten werking gesteld geweest van 22 januari 2021 tot 3 maart 2021.

Rechtspraak bij dit artikel