Een belangrijk deel van de jeugdcriminaliteit bestaat uit grensoverschrijdend gedrag dat samenhangt met het verkennen van grenzen en het nemen van risico’s passend bij de puberteit. De strafrechtelijke interventie is er dan veelal op gericht de door de maatschappij gestelde grenzen te bevestigen en eventuele schade aan de benadeelde te laten vergoeden. Jeugdcriminaliteit kan echter ook bestaan uit zeer ernstige geweldsdelicten of veelvuldige recidive waarbij sprake is van de ontwikkeling van een voortdurende criminele levensstijl. Het is dan van belang om stevig en consequent te kunnen ingrijpen en maatwerk te leveren dat gericht is op tastbare normbevestiging en correctie van crimineel gedrag.
Om met passende interventies te kunnen reageren op delinquent gedrag van jongeren wordt op verschillende momenten in het strafproces per individuele jongere een inschatting gemaakt van het risico op recidive, de factoren die van invloed zijn op de kans op herhaling van delictgedrag en de wijze waarop de jeugdige in zijn gedrag te beïnvloeden is.
De minderjarige onder de 12 jaar kan niet strafrechtelijk worden vervolgd. Politieonderzoek en het beperkt toepassen van dwangmiddelen in verband met waarheidsvinding is echter wel mogelijk. Hierbij dient uiteraard een verantwoorde bejegening van deze zeer jonge verdachten voorop te staan. Omdat 12-minners niet kunnen worden vervolgd hebben zij geen recht op gefinancierde consultatie- en verhoorbijstand van een raadsman.
Wel dient de politie bij deze minderjarigen steeds een vertrouwenspersoon uit te nodigen om bij het verhoor aanwezig te zijn. Als uitgangspunt geldt dat het politieverhoor in aanwezigheid van een ouder of voogd dient plaats te vinden.
Strafbare feiten gepleegd door zeer jonge kinderen kunnen een belangrijk zorgsignaal vormen. In die gevallen doet de politie steeds een zorgmelding bij het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling Veilig Thuis door middel van het zorgformulier, dat aan de hand van deze melding onderzoekt of een interventie geboden is.
Het plegen van misdrijven op zeer jonge leeftijd kan voorts een belangrijke voorspeller zijn voor later crimineel gedrag. In een latere fase kan het van belang zijn hiervan op de hoogte te zijn om een goede inschatting te maken van het risico op recidive. Het registreren van strafbare feiten van 12-minners door de politie is in dit verband noodzakelijk.
Als sprake is van een minderjarige onder de 12 jaar wordt er vanuit politie, OM, Raad voor de Kinderbescherming en Veilig Thuis indien nodig een afzonderlijke bespreking belegd in verband met het verloop van het strafrechtelijk onderzoek en eventueel te nemen civielrechtelijke maatregelen.
Binnen de leeftijden 12 tot 23 jaar en de hierna genoemde leeftijdsgroepen zijn de volgende bijzonderheden te onderscheiden:
In het jeugdstrafrecht wordt uitgegaan van een met de leeftijd toenemende verantwoordelijkheid. Jongeren onder de 14 jaar zijn nog slechts in beperkte mate in staat zelfstandig verantwoordelijkheid te nemen voor hun daden. In civielrechtelijk opzicht zijn de ouders nog aansprakelijk voor de door de 12-of 13-jarige verdachte veroorzaakte schade. Het begrip van het strafproces is voorts nog beperkt. In de vervolging en berechting van deze jongeren dient hiermee rekening te worden gehouden en past een terughoudende opstelling.
Uitgangspunt is dat jeugdigen in de leeftijd van 16 en 17 jaar een toegenomen strafrechtelijke verantwoordelijkheid hebben. De benadering vanuit de pedagogische beginselen van het jeugdstrafrecht blijft daarbij echter voorop staan.
Indien sprake is van veelvuldige recidive of indien jongeren verhard zijn en instrumenteel geweld toepassen wordt door middel van een persoonsgerichte benadering een intensief en zo nodig intramuraal traject ingezet om een gedragsverandering te bewerkstelligen.
Gelet op de ontwikkeling van de jeugdige kan hierbij gekozen worden voor toezicht en begeleiding door de volwassenenreclassering.
Het vorderen van toepassing van volwassenstrafrecht zal slechts dan aan de orde zijn indien er sprake is van zeer ernstige (levens)delicten en de verwachting is dat de aard en duur van de behandeling in het kader van het jeugdstrafrecht onvoldoende mogelijkheden biedt om de veiligheid van anderen te waarborgen.
In art. 77c Sr is bepaald dat de rechter bij de jeugdige in de leeftijd van 18 tot 23 jaar het jeugdstrafrecht kan toepassen, als daartoe op grond van de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, aanleiding bestaat.
In de Memorie van Toelichting wordt expliciet vermeld dat ook de officier van justitie bij het opleggen van een Strafbeschikking aan een verdachte in de leeftijd van 18 tot 23 jaar het jeugdstrafrecht kan toepassen1Kamerstukken 33 498 nr. 3 memorie van toelichting onder 4.9.2..
De officier van justitie beoordeelt zo mogelijk vroegtijdig in het proces, op basis van het advies van de reclassering en eventueel een voorgeleidingsconsult van het Nederlands instituut voor Psychiatrie en Psychologie (NIFP) of er aanleiding is voor verder onderzoek en advies in verband met de toepassing van het jeugdstrafrecht.
Bij een advies over de toepassing van het jeugdstrafrecht wint de reclassering informatie in bij de Raad voor de Kinderbescherming. De reclassering maakt verder gebruik van het landelijk vastgestelde ‘wegingskader adolescentenstrafrecht’.
Indien de officier van justitie bij de vordering inbewaringstelling aangeeft voornemens te zijn toepassing van het jeugdstrafrecht te vorderen, is plaatsing in een Justitiële Jeugdinrichting het uitgangspunt.
Toepassing van het jeugdstrafrecht heeft vooral tot doel meer recht te doen aan de ontwikkelingsleeftijd. Het gaat daarbij onder andere om het afremmen van impulsen, het overzien van en rekening houden met lange termijn consequenties, het reguleren van de emoties en de ontwikkeling van empathisch vermogen. In die zin kan de verdachte als nog niet volledig zelfstandig en volwassen worden beschouwd. Daarbij wordt afgewogen of een interventie uit het jeugdstrafrecht een meer zinvolle reactie kan bieden.
Enkele criteria die van belang zijn in de afweging of het jeugdstrafrecht moet worden toegepast, zijn onder meer dat de verdachte:
nog naar school gaat;
bij ouders thuis woont;
begeleiding nodig heeft in verband met een (licht) verstandelijke beperking;
open staat voor begeleiding en een meer opvoedkundige aanpak.
Ouders
In de opvoeding van jeugdigen spelen in de eerste plaats de ouders die het ouderlijk gezag over de minderjarige hebben een belangrijke rol. Zij kunnen hun kind in het strafproces steunen. Daarom dienen zij vanaf het allereerste begin van het strafproces actief te worden betrokken. Dat betekent dat ouders steeds geïnformeerd dienen te worden over de beslissingen aangaande hun kind.
Hoewel de wet niet voorziet in een regeling voor ouders cq vertrouwenspersonen om bij het verhoor van hun kind aanwezig te zijn, kan de jeugdige verdachte op die aanwezigheid wel degelijk een beroep doen. De jeugdige heeft een keuzerecht met betrekking tot de vraag of hij een advocaat of een vertrouwenspersoon bij het verhoor aanwezig wil hebben. In de Beleidsbrief PAG/B&S/17620 is bepaald dat sinds 1 maart 2017 de jeugdige verdachte ook de mogelijkheid heeft om naast een raadsman zijn ouders bij het verhoor aanwezig te laten zijn. Dit dient uiteraard in samenspraak te gaan met de politie.
Ouders zijn verplicht aanwezig te zijn bij de strafzitting, nu zij belangrijke informatie kunnen verstrekken over de persoonlijke omstandigheden van hun kind die relevant kan zijn voor een adequate afdoening. Ouders dienen daartoe te worden gehoord.
Slachtoffers en benadeelden
Ook in het jeugdstrafrecht ondersteunt het Openbaar Ministerie het slachtoffer in het uitoefenen van diens rechten2Aanwijzing slachtofferzorg..
In het jeugdstrafrecht is het wenselijk om de jeugdige verdachte te laten inzien wat de gevolgen zijn geweest van zijn strafbaar handelen. Zowel voor dader als slachtoffer moet de afdoening zichtbaar, merkbaar en herkenbaar zijn. Door de inzet van herstelbemiddeling kan hieraan worden bijgedragen.
Benadeelden hebben belang bij vergoeding van de geleden schade. Met dit belang dient rekening te worden gehouden bij de afdoening, door de schadevergoeding onderdeel te laten uitmaken van de Halt-afdoening, de OM-afdoening of de strafoplegging ter zitting.
Een belangrijke waarborg voor een goede bejegening van de jeugdige verdachte is kennis van de ontwikkeling van jongeren, kennis van de aparte juridische mogelijkheden en van gedragsinterventies en vaardigheden om met jongeren om te gaan. Er zijn daarom gespecialiseerde instanties, met name Halt, de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK), de gecertificeerde instelling voor de uitvoering van jeugdbescherming en jeugdreclassering, hierna weergegeven als de jeugdreclassering (JR) en justitiële jeugdinrichtingen (JJI).
Voor de overige ketenpartners, met name politie en rechterlijke macht gelden ook bijzondere eisen voor een opleiding en specialisatie in het jeugdstrafrecht. Voor de advocatuur gelden afzonderlijke voorwaarden voor het verlenen van rechtsbijstand in jeugdstrafzaken.
Het Arrondissementaal Platform Jeugdcriminaliteit (APJ)
In elk van de arrondissementen fungeert een Arrondissementaal platform jeugdcriminaliteit (APJ), waarin minimaal zitting hebben het OM (jeugdofficier, voorzitter), de politie (jeugdportefeuillehouder), de Raad voor de Kinderbescherming (teamleider of vestigingsmanager), de jeugdreclassering, Halt (regio- of teammanager). Veelal is ook het Nederlands Instituut voor Forensische psychiatrie en psychologie (NIFP), de volwassenreclassering, de in de regio gelegen justitiële jeugdinrichting en een afvaardiging van gemeenten vertegenwoordigd. De kinderrechter is bij het Platform aangesloten als toehoorder.
Doel van het platform is de afstemming te verbeteren rond de aanpak van de jeugdcriminaliteit tussen de justitiepartners.3APJ-kaderbrief van 13 mei 2009 van het College van procureurs-generaal.
De APJ’s zijn bij uitstek geschikt om landelijk beleid ingang te doen vinden op arrondissementaal niveau en om lokaal de ketensamenwerking te versterken. Dit impliceert een hoge mate van informatie-uitwisseling en het maken van werkafspraken.
ZSM: licht waar het kan, zwaar waar het moet
Alle jeugdzaken betreffende misdrijven worden aangemeld op het afstemmingsoverleg ZSM. Bij afdoening van jeugdzaken op ZSM is context informatie in jeugdzaken van groot belang, evenals de zorgaspecten rondom een minderjarige. De Raad voor de Kinderbescherming dient te allen tijde te worden betrokken.
Justitieel casusoverleg Jeugd (JCO+) / verdiepingsoverleg
De zaken van jongeren (12 tot 18 jaar) waarin tijdens de ZSM-behandeling binnen 7 dagen geen afdoeningsbeslissing of beslissing over vervolgstappen kan worden genomen, worden ingepland op een later moment teneinde met de betrokken ketenpartners te beslissen over de afdoening. Hoe hieraan invulling wordt gegeven, verschilt per arrondissement.
Het Veiligheidshuis
Zaken waarbij sprake is van complexe en gebiedsgebonden problematiek en/of een persoonsgebonden aanpak in combinatie met keten overstijgende problematiek worden aangeboden aan het Veiligheidshuis. Daar worden naast de ZSM-partners andere voor de casus relevante partners betrokken bij het bepalen van een plan van aanpak. Te denken valt hierbij aan de gemeente, school, woningbouwvereniging, jeugd- en gezinsbeschermer, etc. Van belang is hierbij wel dat informatie alleen gedeeld mag worden met deze partners voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van hun taak.
Voor de formele regeling van het verhoor van de minderjarige verdachten door de politie wordt verwezen naar:
de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten;
de per 1 maart 2017 in werking getreden wetgeving betreffende rechtsbijstand politieverhoor: artt 27c Sv ev4(Stb. 2016, 475 en Stb. 2016, 476) en een uitvoeringsbesluit (Besluit inrichting en orde politieverhoor).
Beleidsbrief PAG/B&S/17620, dd. 23 februari 2017 betreffende de nieuwe wetgeving rondom rechtsbijstand politieverhoor.
Proces-verbaal verhoor minderjarige (PVM)
In het proces-verbaal verhoor minderjarige worden naast zaaks-gerelateerde vragen allerlei sociale vragen weergegeven teneinde vast te stellen in welke omstandigheden de minderjarige zich bevindt. Dit is relevant voor alle ketenpartners, zodat de contextinformatie in het bepalen van het vervolgtraject kan worden betrokken.
Reprimande (registratie/waarschuwing)
Strafbare feiten van een eenvoudig en licht karakter worden door middel van de reprimande buiten het justitiële circuit gehouden. De reprimande houdt in dat feit en dader (als verdachte) worden geregistreerd door de politie, en dat er een mondelinge waarschuwing door politie wordt gegeven aan verdachte. Tevens worden de ouders in kennis gesteld en wordt eventuele schade vergoed. Er wordt geen inhoudelijke sanctie opgelegd.
Omstandigheden die een rol kunnen spelen bij de beslissing om te volstaan met een reprimande zijn bijvoorbeeld: zeer jeugdige leeftijd, geringe gevolgen en/of aard van het feit, optreden van ouders of anderen, zoals school, of het reeds vergoed zijn van toegebrachte schade.
De Halt-afdoening biedt de mogelijkheid om bij licht delictgedrag van jeugdigen, het kenmerkend grensoverschrijdend gedrag van pubers, wel een interventie toe te passen en recht te doen aan de gevolgen voor slachtoffers, zonder mogelijk negatieve gevolgen van registratie in justitiële documentatie.
Een Halt-afdoening bestaat uit één of meerdere gesprekken met de jeugdige en zijn ouder(s), het oefenen van excuus aanbieden aan het slachtoffer en het daadwerkelijk excuus aanbieden aan het slachtoffer of in voorkomende gevallen een herstelgesprek, het vergoeden van de door de jeugdige aangerichte schade en het uitvoeren van een leeropdracht en/of een werkopdracht. De duur van de deelname aan de Halt-afdoening is in elke combinatie maximaal 20 uren (zie bijlage I). Elke Halt-afdoening sluit zo veel mogelijk aan bij de aard van het desbetreffende strafbare feit en de omstandigheden waaronder het is gepleegd. De officier van justitie kan daartoe aanwijzingen geven.
Procedure Halt-verwijzing
De strafbare feiten die door de politie of daartoe bevoegde bijzondere opsporingsambtenaren kunnen worden doorverwezen voor een Halt-afdoening zijn aangewezen in artikel 1 van het Besluit aanwijzing Halt-feiten5Besluit van 25 januari 1995, houdende aanwijzing van de strafbare feiten als bedoeld in artikel 77e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 3 september 2010, Stb. 2010, 680..
Misdrijven
De verwijzing naar Halt door de Hulpofficier van politie ter zake misdrijven betreft jeugdigen:
die voor de eerste maal voor een strafbaar feit (misdrijf) worden geregistreerd,
die omtrent het plegen van het strafbare feit een volledige bekentenis hebben afgelegd,
waarbij duidelijk bewijs aanwezig is voor het aandeel in het strafbare feit, zoals bij betrapping op heterdaad en geen twijfel omtrent medeplegen.
Alle overige misdrijven worden voorgelegd via ZSM aan de officier van justitie voor toestemming voor verwijzing naar Halt. Nu in de praktijk alle jeugdmisdrijfzaken bij ZSM worden aangemeld, zal bij ZSM over het algemeen altijd de beslissing tot verwijzing naar Halt worden genomen. Bij ZSM kan de Raad immers informatie verstrekken over de achtergrond van een jongere en een advies geven.
De politie of een andere opsporingsambtenaar doet aan de jeugdige het voorstel om aan Halt deel te nemen. De advocaat van de jeugdige wordt hiervan eveneens op de hoogte gesteld. Indien de opsporingsambtenaar al voorafgaande aan het verhoor van de jeugdige heeft vastgesteld dat het delict een Halt-waardig feit betreft en de jeugdige mogelijk in aanmerking komt voor de Halt-afdoening wordt dit medegedeeld aan de advocaat, die de jeugdige rechtsbijstand zal verlenen.
De opsporingsambtenaar deelt de jeugdige mee dat hij niet verplicht is het voorstel tot een Halt-afdoening te accepteren. Daarbij wordt uitgelegd wat de mogelijke gevolgen zijn van niet-deelname.
Overtredingen
De verwijzing naar Halt voor overtredingen in het ‘Besluit aanwijzing Halt-feiten’ wordt door de opsporingsambtenaar bij de staande houding afgehandeld. Het betreft jeugdigen die omtrent het plegen van het strafbare feit een bekentenis hebben afgelegd. Ter zake van overtredingen mogen jeugdigen maximaal twee maal naar Halt worden verwezen.
Indien specifieke lokale criminaliteits- en/of overlastproblematiek vraagt om toepassing van de Halt-afdoening door de opsporingsambtenaar voor andere dan de aangewezen feiten, kan hiervoor in overleg met de lokale ketenpartners, maar onder regie van het OM, worden gekozen. Voorwaarde hiervoor is dat deze uitbreiding geldt voor een aangewezen doelgroep voor een afgebakende tijdsperiode van maximaal 1 jaar.
De procedure voor doorverwijzing leerplichtzaken door de leerplichtambtenaar is opgenomen in de Handleiding Leerplicht. Jeugdigen mogen één maal ter zake leerplicht naar Halt worden verwezen.
Voor jeugdigen onder de 16 jaar dienen zowel bij misdrijven als overtredingen de ouders in te stemmen met doorverwijzing naar Halt.
Recidive
Recidive regeling: na een eerdere Halt afdoening of proces-verbaal voor een misdrijf dient de officier van justitie toestemming te geven voor een volgende verwijzing naar Halt voor een misdrijf. Voor overtredingen en/of lichtere vuurwerkdelicten kan de politie of bijzondere opsporingsambtenaar, zonder voorafgaande toestemming van de officier van justitie, maximaal twee keer naar Halt verwijzen. Jeugdigen mogen eenmaal ter zake leerplicht naar Halt worden verwezen. Halt controleert of de jeugdige al eerder heeft deelgenomen aan de Halt-afdoening. Er kan maximaal drie keer naar Halt worden verwezen, ongeacht de combinatie misdrijven/overtredingen.
Halt stelt de opsporingsambtenaar in kennis omtrent de afloop van de Halt-afdoening. Wanneer een jeugdige naar behoren heeft deelgenomen aan een Halt-afdoening, wordt er geen proces-verbaal toegezonden aan de officier van justitie. Van de afloop worden de jeugdige, diens wettelijk vertegenwoordiger en de officier van justitie schriftelijk in kennis gesteld door Halt.
In het geval dat de jeugdige niet naar behoren heeft deelgenomen aan een Halt-afdoening, stelt Halt de jeugdige, diens wettelijk vertegenwoordiger en de opsporingsambtenaar hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk in kennis. De opsporingsambtenaar maakt het proces-verbaal op en zendt het opgemaakte proces-verbaal toe aan de officier van justitie (negatieve Halt-terugkoppeling). Van niet-behoorlijke deelname is in elk geval sprake indien de jeugdige, ondanks een schriftelijke waarschuwing van Halt, niet voldoet aan de in het kader van de Halt-afdoening met hem gemaakte afspraken. De officier van justitie maakt melding aan de Raad voor de kinderbescherming dat het om een negatieve terugmelding van een Halt-afdoening gaat.
Protocol afstemmingsoverleg ZSM en JCO+ / verdiepingsoverleg
Informatie ten behoeve van de afdoeningsbeslissing en de persoonsgerichte aanpak
De informatie die in het afstemmingsoverleg ZSM of het JCO+ wordt ingebracht kan bestaan uit:
politie: het proces-verbaal verhoor minderjarigen en informatie uit politiesystemen (weergave van landelijke politiecontacten, deelname aan overlast gevende of criminele groepen en meldingen van huiselijk geweld);
RvdK: uitkomst van het preselect van het Landelijk Instrumentarium Jeugdstrafrecht, informatie uit de dossiers van de RvdK, zoals eerdere bemoeienis met het gezin, rapportages straf/civiel, beschermingsmaatregelen, informatie casusregie;
OM: strafvorderlijke gegevens;
Gecertificeerde instellingen (als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Jeugdwet) (eventueel bij JCO+): informatie vanuit de begeleiding door JR of gezinsvoogd;
Reclassering ten aanzien van jongvolwassene (ZSM): informatie uit vroeghulp en eventueel uitkomst uit de Quickscan.
Het Openbaar Ministerie neemt op basis van deze informatie een beslissing over de vervolging.
Bij de uiteindelijke afdoening en een eventuele op de persoon gerichte interventie worden het advies van de Raad voor de Kinderbescherming en overige rapportages betrokken.
Misdrijven
Op grond van artikel 491 lid 2 Sv dient de minderjarige verdachte van een misdrijf aan wie een strafbeschikking van meer dan 32 uur, dan wel een geldboete van meer dan € 200,- wordt opgelegd, te worden opgeroepen teneinde te worden gehoord.
Omdat de mogelijkheden voor het opleggen van sancties middels een strafbeschikking nog verdere implementatie behoeven (de taakstraf is nog niet geïmplementeerd), wordt in geval van een misdrijf alleen nog gebruik gemaakt van de transactie.6Uitzondering hierop is het opleggen van een geldboete tot € 200,- voor een feitgecodeerd misdrijf, in dat geval is het mogelijk een strafbeschikking op te leggen zonder dat verdachte hoeft te worden gehoord of opgeroepen voor de OM-zitting. Indien de officier van justitie voor een begaan misdrijf een transactie wil aanbieden worden de verdachte en de ouders uitgenodigd voor een TOM-zitting. Op de TOM-zitting worden het delict en de persoonlijke omstandigheden besproken. Er wordt een aanbod gedaan, waarbij voorwaarden kunnen worden gesteld bestaande uit het verrichten van een taakstraf, het betalen van eventuele schade of het voldoen aan andere voorwaarden. Door de officier van justitie kan jeugdreclasseringstoezicht voor de duur van 6 maanden worden opgelegd, vanaf 16 jaar kan eventueel reclasseringstoezicht worden opgelegd. Voor een transactie met enkel een geldboete tot maximaal € 115,- is een TOM-zitting niet vereist.
Hoewel 491 lid 2 Sv voor de aanwijzing van de raadsman uitgaat van 32 uur en € 200,- is in afwachting van de verdere invoering van de strafbeschikking -dus ook geldend voor de transactiepraktijk- voor jeugdige verdachten van een misdrijf de werkafspraak gemaakt dat de “oude” grenzen (d.w.z. taakstraf van meer dan 20 uur en/of geldboete van meer dan € 115,-) gehanteerd worden. Daarnaast geldt de afspraak ook in jeugdzaken dat de rechtbank voorlopig nog het initiatief neemt voor het aanwijzen van raadslieden.
Overtredingen
Voor overtredingen geldt dat altijd van de strafbeschikkingsmogelijkheid die de wet biedt gebruik kan worden gemaakt. In geval van het voornemen een strafbeschikking op te leggen voor een overtreding gepleegd door een minderjarige verdachte geldt de verplichting tot het oproepen en horen van de minderjarige niet.
Ook hier geldt dat de mogelijkheid om een taakstraf op te leggen middels een strafbeschikking nog niet is geïmplementeerd. In de Richtlijn voor strafvordering feitgecodeerde misdrijven en overtredingen is het beleid hieromtrent opgenomen.
Voor de onderscheiden trajecten in de jeugdstrafrechtsketen zijn normen vastgesteld voor de doorlooptijden. Dit zijn de zogenoemde Kalsbeek-normen.7Zie de brief van 23 april 2001 van de Staatssecretaris van Justitie aan de voorzitter van de Tweede Kamer. Op basis van de wettelijke termijnen, de noodzakelijke bewerkingstijd en de tijd die nodig is voor overleg en overdracht van de ene naar de andere instantie zijn streeftijden geformuleerd. Doelstelling is om 80% van de zaken binnen de gestelde termijnen af te handelen.
Politie/Halt
Tussen eerste verhoor door de politie en de ontvangst van de Halt-verwijzing door Halt geldt een maximale termijn van 7 dagen;
De doorlooptijd tussen ontvangst verwijzing en het startgesprek bij Halt is maximaal 30 dagen.
Na de Halt-afdoening bericht Halt de politie binnen 7 dagen door middel van een afloopbericht.
Bij een negatieve Halt-afdoening stuurt de politie binnen 14 dagen na ontvangst daarvan het PVM naar het OM.
Politie
Tussen eerste verhoor en ontvangst van het proces-verbaal op het parket geldt een maximale termijn van 30 dagen.
Voor het inzenden van het proces-verbaal verhoor minderjarige aan het casusoverleg geldt een termijn van maximaal 7 dagen na het eerste verhoor.
Voor het bijvoegen van aangiften, verklaringen en overige documenten kan het nodig zijn een ruimere termijn te nemen, zolang de totale termijn niet de maximale termijn van 30 dagen overschrijdt. Zolang het proces verbaal verhoor minderjarigen niet gecompleteerd is, loopt de doorlooptijd van de politie dóór.
Zaken die ten opzichte van het eerste verhoor ouder zijn dan 3 maanden, worden niet meer door het parket in behandeling genomen, anders dan na uitdrukkelijke toestemming van de officier van justitie.
OM
Tussen eerste verhoor en afdoeningsbeslissing door het OM geldt een maximale duur van 3 maanden ten behoeve van de OM-afdoening. Het gaat hierbij om de door het OM afgedane zaken (overdracht, sepot, strafbeschikking, transactie, voeging) die binnen 3 maanden na het eerste verhoor door de politie voor de eerste maal door het OM zijn beoordeeld. Aanbeveling voor het OM is om na ontvangst van het PVM te streven naar een eerste beoordeling binnen 40 dagen.
RvdK
De Raad voor de Kinderbescherming verricht het onderzoek en brengt de rapportage uit. Hiervoor geldt een termijn van maximaal 42 dagen na eerste verhoor verdachte. De Raad voor de Kinderbescherming start het onderzoek na ontvangst van het kerndeel PVM van de politie.
ZM
Tussen eerste verhoor en vonnis (eerste aanleg) geldt een termijn van ten hoogste 180 dagen.
Hoger Beroep
Tussen het instellen van het appèl en de ontvangst bij het hof van het vonnis van de rechtbank geldt een termijn van maximaal 28 dagen. Tussen het instellen van het appèl en een einduitspraak van het hof geldt een termijn van maximaal 105 dagen.
Executie
Tussen onherroepelijk vonnis (geldboete, taakstraf, detentie of PIJ-maatregel) en (begin van) de tenuitvoerlegging door overdracht van het OM aan het CJIB geldt een termijn van maximaal 30 dagen.
Artikel 4
Beschrijving
Onderdeel van Richtlijn en kader voor strafvordering jeugd en adolescenten, inclusief strafmaten Halt· Strafrecht
Deze tekst geldt sinds 1 februari 2021