**1.** Ieder lid dat inlichtingen van een minister verlangt over een onderwerp, kan de Kamer verzoeken om hem toe te staan een interpellatie te houden. Het lid vermeldt hierbij de belangrijkste punten waarover hij bij de interpellatie vragen wil stellen.
**2.** Het verzoek wordt toegekend indien het wordt gesteund door ten minste dertig leden.
**3.** De Voorzitter bepaalt wanneer de interpellatie wordt gehouden.
**4.** De interpellant dient de vragen die hij zal stellen binnen een week schriftelijk in bij de Voorzitter. Deze zendt de vragen door aan de betrokken minister. Artikel 12.1, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
**5.** In afwijking van artikel 8.12 voert tijdens de interpellatie slechts de interpellant het woord in ten hoogste twee termijnen en de andere leden het woord in ten hoogste één termijn.
**6.** Indien bij een interpellatie zeer veel spoed is vereist en de minister aanwezig is, kan de Kamer besluiten dat een interpellatie meteen wordt gehouden. Het vierde lid is dan niet van toepassing, en de minister geeft meteen de gevraagde inlichtingen. Als dit niet mogelijk is, stelt de Kamer de verdere behandeling uit tot een later tijdstip.
Treedt in werking met ingang van de dag waarop de nieuw gekozen
Kamer na de eerstvolgende verkiezingen voor de eerste keer samenkomt.
Hoofdstuk 12 › § 12.3
Artikel 12.6
Interpellatie
Onderdeel van Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal· Staats- en bestuursrecht
Deze tekst geldt sinds 31 maart 2021