Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 8 › § 8.3 › § 8.3.2

Artikel 8.26

Hoofdelijke stemming

Onderdeel van Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal· Staats- en bestuursrecht

Deze tekst geldt sinds 31 maart 2021

1. Er vindt een hoofdelijke stemming over een zaak plaats, indien: een lid daar om vraagt; of naar het oordeel van een lid de stemverhouding bij een stemming bij handopsteken niet duidelijk is. 2. Er kan niet tot een hoofdelijke stemming als bedoeld in het eerste lid, onder b, worden overgegaan, wanneer de uitslag van de stemming bij handopsteken al is vastgesteld. 3. Bij de hoofdelijke stemming worden de leden hoofdelijk opgeroepen te stemmen. Ieder lid brengt hierbij mondeling zijn stem uit met de woorden «voor» of «tegen». Voor de stemming wordt door het lot beslist, bij welk lid op de presentielijst de oproeping begint. 4. Indien bij de hoofdelijke stemming blijkt dat geen meerderheid van het aantal zitting hebbende leden meer aanwezig is, zal de Voorzitter: de vergadering voor enige tijd schorsen en haar voortzetten, indien bij de heropening weer voldoende leden aanwezig blijken te zijn; of de vergadering sluiten en op een later tijdstip een nieuwe vergadering bijeenroepen. Treedt in werking met ingang van de dag waarop de nieuw gekozen Kamer na de eerstvolgende verkiezingen voor de eerste keer samenkomt.

Rechtspraak bij dit artikel