Naar hoofdinhoud

Artikel 6

Overige bepalingen

Onderdeel van Besluit Beroep in Belastingzaken· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 7 april 2021

De inspecteur zendt na ontvangst van een (tussen)uitspraak, waarin de rechtbank of het gerechtshof prejudiciële vragen stelt aan het Hof van Justitie, onverwijld het originele afschrift van deze uitspraak en de relevante bescheiden aan FJZ/Cassatie. Tot de als bijlagen over te leggen bescheiden behoren in ieder geval de stukken genoemd in paragraaf 5.1.1, tweede lid, waarbij de inspecteur – als daartoe de noodzaak aanwezig is – kan volstaan met het zenden van kopieën. Als het Hof van Justitie zich richt tot de inspecteur, zendt deze onverwijld afschriften van de brieven (met eventuele bijlagen) van dit Hof aan FJZ/Cassatie. Eerst na overleg met FJZ/Cassatie reageert de inspecteur op de brieven van dit Hof. Als de inspecteur door het Hof van Justitie in de gelegenheid wordt gesteld om schriftelijke opmerkingen in te dienen over de prejudiciële vragen, dan schrijft de inspecteur een brief aan het Hof van Justitie waarin hij laat weten voor opmerkingen over de prejudiciële vragen te refereren aan het oordeel van de Nederlandse regering. Daarnaast stuurt hij onverwijld afschriften van de brieven en bijlagen van het Hof van Justitie aan FJZ/Cassatie. FJZ/Cassatie zendt de inspecteur een afschrift van een ontvangen conclusie van de advocaat-generaal bij het Hof van Justitie, de uitspraak van het Hof van Justitie, gelijktijdig met de hierover aan de Hoge Raad gezonden reactie van de staatssecretaris. In verband met de beantwoording van een breder levende rechtsvraag kan de inspecteur de rechtbank of het gerechtshof verzoeken om een prejudiciële vraag te stellen aan de Hoge Raad. Daarbij geldt wat betreft de eenheid van beleid en uitvoering hetzelfde als voor een verweerschrift bij de rechtbank (zie paragraaf 2.2.2). De inspecteur informeert ook de betrokken (landelijk) vaktechnisch coördinatoren. Bij zijn reactie op het voornemen tot het stellen van een prejudiciële vraag, geldt wat betreft de eenheid van beleid en uitvoering hetzelfde als voor een verweerschrift bij de rechtbank (zie paragraaf 2.2.2). De inspecteur informeert ook de betrokken (landelijk) vaktechnisch coördinatoren. De inspecteur zendt na ontvangst van een beslissing, waarin de rechtbank of het gerechtshof prejudiciële vragen aan de Hoge Raad stelt, onverwijld een afschrift van deze beslissing en de relevante bescheiden aan FJZ/Cassatie. Tot de relevante bescheiden behoren in ieder geval de stukken die worden genoemd in paragraaf 5.1.1, tweede lid, waarbij de inspecteur kan volstaan met het zenden van kopieën. FJZ/Cassatie zendt de ingediende schriftelijke opmerkingen en toelichtingen aan de inspecteur. FJZ/Cassatie zendt een afschrift van een ontvangen conclusie van de advocaat-generaal en een afschrift van de reactie hierop aan de inspecteur. FJZ/Cassatie zendt het afschrift van de uitspraak direct na ontvangst aan de inspecteur. Hierna wordt de inhoud van de uitspraak in het kort vastgelegd in het in paragraaf 1.3 bedoelde bestand. De Hoge Raad kan het EHRM verzoeken advies uit te brengen over ‘principiële vragen inzake de uitlegging of toepassing van de rechten en vrijheden die zijn omschreven in het Verdrag of de protocollen daarbij’ (artikel 1 Protocol nr. 16 bij het EVRM). FJZ/Cassatie zendt de inspecteur een afschrift van de uitspraak van het EHRM, gelijktijdig met de hierover aan de Hoge Raad gezonden reactie van de staatssecretaris. De inspecteur zorgt voor de vergoeding van het griffierecht, conform de uitspraak. Het griffierecht kan, op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel b, van de Invorderingswet 1990, worden verrekend met van de belanghebbende te innen bedragen. Als door de inspecteur hoger beroep of door de staatssecretaris cassatieberoep is ingesteld kan de inspecteur, alvorens tot uitbetaling of verrekening over te gaan, de uitkomst van die procedure afwachten. Ook als de staatssecretaris in cassatie is veroordeeld het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden draagt de inspecteur zorg voor uitbetaling daarvan. In alle gevallen waarin de inspecteur de vergoeding van het griffierecht niet heeft uitbetaald of verrekend binnen vier weken na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarin de veroordeling is opgenomen, vermeerdert hij het te vergoeden bedrag met de wettelijke rente hierover, gerekend vanaf het verstrijken van die termijn tot aan de dag van algehele voldoening van de schuld. De inspecteur neemt hierbij afdeling 4.4.2 Awb in acht. De inspecteur vergoedt ook wettelijke rente als hij de betaling heeft aangehouden, om een beroepsprocedure af te wachten (vgl. HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358). Als de inspecteur door de rechtbank of het gerechtshof, op grond van artikel 8:75 Awb, in de proceskosten is veroordeeld zorgt de inspecteur voor vergoeding van de kosten, conform de uitspraak. De vergoeding kan, op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel b, van de Invorderingswet 1990, worden verrekend met van de belanghebbende te innen bedragen. Als door de inspecteur hoger beroep of door de staatssecretaris cassatieberoep is ingesteld kan de inspecteur, alvorens tot vergoeding of verrekening over te gaan, de uitkomst van die procedure afwachten. Ook als de staatssecretaris in cassatie in de proceskosten is veroordeeld draagt de inspecteur zorg voor uitbetaling. In alle gevallen waarin de inspecteur de proceskostenvergoeding niet heeft uitbetaald of verrekend binnen vier weken na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarin de veroordeling is opgenomen, vermeerdert hij het te vergoeden bedrag met de wettelijke rente hierover, gerekend vanaf het verstrijken van die termijn tot aan de dag van algehele voldoening van de schuld. De inspecteur neemt hierbij afdeling 4.4.2 Awb in acht. De inspecteur vergoedt ook wettelijke rente als hij de betaling heeft aangehouden, om een beroepsprocedure af te wachten (vgl. HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358). Als de inspecteur door de rechtbank of het gerechtshof wordt veroordeeld tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, zorgt de inspecteur voor uitbetaling daarvan, conform de uitspraak. De schadevergoeding kan, op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel b, van de Invorderingswet 1990, worden verrekend met van de belanghebbende te innen bedragen. Als tegen de veroordeling tot vergoeding van de immateriële schade door de inspecteur hoger beroep of door de staatssecretaris cassatieberoep is ingesteld kan de inspecteur, alvorens tot vergoeding of verrekening over te gaan, de uitkomst van die procedure afwachten. In alle gevallen waarin de inspecteur de schadevergoeding niet heeft uitbetaald of verrekend binnen vier weken na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarin de veroordeling is opgenomen, vermeerdert hij het te vergoeden bedrag met de wettelijke rente hierover, gerekend vanaf het verstrijken van die termijn tot aan de dag van algehele voldoening van de schuld. De inspecteur neemt hierbij afdeling 4.4.2 Awb in acht. De inspecteur vergoedt ook wettelijke rente als hij de betaling heeft aangehouden, om een beroepsprocedure af te wachten (vgl. HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358). Als de rechtbank of het gerechtshof in het kader van het vooronderzoek op grond van artikel 8:44 Awb de inspecteur oproept om te worden gehoord, is de inspecteur verplicht aan deze oproep te voldoen. Als de inspecteur door bijzondere omstandigheden aan de oproep niet kan voldoen, verzoekt hij de rechtbank of het gerechtshof schriftelijk onder vermelding van deze omstandigheden om een nieuwe datum vast te stellen. Paragraaf 2.2.4 is van overeenkomstige toepassing. De inspecteur geeft de door de rechtbank of het gerechtshof gevraagde inlichtingen, tenzij gewichtige redenen hieraan in de weg staan. Zo zal de inspecteur niet verklaren over de inhoud van stukken waarvoor een beroep op artikel 8:29 Awb (geheimhouding) wordt gedaan. Als de rechtbank of het gerechtshof in het kader van het vooronderzoek op grond van artikel 8:45 Awb de inspecteur verzoekt schriftelijk inlichtingen te geven, is de inspecteur verplicht hierop te antwoorden binnen de door de rechtbank of het gerechtshof daartoe gestelde termijn. Is door de rechtbank of het gerechtshof geen termijn gesteld dan dient het antwoord zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen vier weken te worden ingezonden. De inspecteur geeft de gevraagde inlichtingen, tenzij gewichtige redenen hieraan in de weg staan. Zo zal de inspecteur niet verklaren over de inhoud van stukken waarvoor een beroep op artikel 8:29 Awb (geheimhouding) wordt gedaan. Heeft de griffier de inspecteur afschriften toegezonden van deskundigenrapporten of van tussen de rechtbank of het gerechtshof enerzijds en belanghebbende of derden anderzijds gevoerde correspondentie, dan dient de inspecteur binnen de door de rechtbank of het gerechtshof daartoe gestelde termijn schriftelijk hierover zijn mening te geven, dan wel mee te delen dat hij van de hem hiertoe geboden gelegenheid geen gebruik wenst te maken. Als de inspecteur door bijzondere omstandigheden aan de door de rechtbank of het gerechtshof gestelde termijnen niet kan voldoen, verzoekt hij de rechtbank of het gerechtshof schriftelijk onder vermelding van deze omstandigheden, de termijn te verlengen. Paragraaf 2.2.4 is van overeenkomstige toepassing. Zodra de inspecteur bekend wordt dat bij meer dan één bevoegde rechtbank of gerechtshof (hoger) beroep is ingesteld tegen eenzelfde voor beroep vatbare beschikking of uitspraak, stelt hij de betrokken rechtbanken of gerechtshoven hiervan schriftelijk op de hoogte onder vermelding van de door die rechtbanken of gerechtshoven aan die zaken toegekende kenmerken. Als de aard van de zaak hiertoe aanleiding geeft kan de inspecteur na overleg met de belanghebbende(n) aan de betrokken rechtbanken of gerechtshoven een voorstel doen voor verwijzing of voeging.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel