Naar hoofdinhoud

Paragraaf 4

Artikel 16

Monitoring

Onderdeel van Regeling erkenning veterinaire laboratoria· Agrarisch recht

Deze tekst geldt sinds 1 april 2024

1. Het laboratorium verleent medewerking aan periodieke monitoring, uitgevoerd door het NRL. 2. De in het eerste lid bedoelde monitoring bestaat in ieder geval per erkenning uit: ten minste 2 ringtesten per jaar, dan wel ten minste 1 ringtest per jaar indien het laboratorium de ringtesten in de voorgaande 3 jaren steeds met goed gevolg heeft afgelegd en effectieve monitoring door het bevoegde NRL gewaarborgd blijft; een controle inzake de nauwkeurigheid van de testmethode en de betrouwbaarheid van testuitslagen. 3. In aanvulling op het tweede lid bestaat de in het eerste lid bedoelde monitoring uit: ten minste één keer per jaar een audit voor een testmethode als bedoeld in bijlage 1, onder 1 tot en met 3, 6, 8 tot en met 11, 13, 15 tot en met 17, 21 tot en met 27 en bijlage 2, onder 1, 2, 5, 7, 9 tot en met 11, 17, 20, 21, 23 en 25; het uitvoeren van controletesten op monsters met een negatieve testuitslag, die zijn onderzocht met een testmethode als bedoeld in bijlage 1, onder 2, 3, 8, 13, 15 en 21 tot en met 27 en bijlage 2, onder 1, 2, 7, 9 tot en met 11, 17, 20, 21, 23 en 25. 4. Indien een laboratorium beschikt over meer dan één erkenning, worden de audits, bedoeld in het derde lid, onder a, gecombineerd uitgevoerd. 5. Het laboratorium dat is erkend voor een testmethode als bedoeld in bijlage 1, onder 2, 3, 8, 13, 15 en 21 tot en met 27 en bijlage 2, onder 1, 2, 7, 9 tot en met 11, 17, 20, 21, 23 en 25 zendt jaarlijks 10% van de onderzochte monsters met een negatieve testuitslag, tot een maximum van 250 monsters per testmethode, aan het bevoegde NRL, tenzij het door het bevoegde NRL in kennis is gesteld van het feit dat in het betrokken kalenderjaar reeds 250 of meer monsters, onderzocht met de desbetreffende testmethode, zijn ontvangen.

Rechtspraak bij dit artikel