Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 12 › Afdeling 12.2 › § 12.2.1 › § 12.2.1.2

Artikel 12.19

(wijze van bemonsteren algemeen)

Onderdeel van Omgevingsregeling· Ruimtelijke ordening en milieu

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2024

1. Bij de monitoringspunten, bedoeld in de artikelen 12.16 en 12.17, wordt bemonsterd door de lucht in een inlaatbuis te laten stromen: waarbij de lucht rond de inlaatbuis vrij kan stromen; binnen een hoek van ten minste 270° of 180° voor metingen aan de rooilijn; en zonder enige verstoring van de luchtstroom in de directe omgeving van het bemonsteringsapparaat. 2. De inlaatbuis ligt tussen de 1,5 m en 4 m boven de grond, tenzij een grotere hoogte nodig is. 3. De inlaatbuis ligt zo dat wordt voorkomen dat: de uitstoot van bronnen rechtstreeks en zonder menging met de buitenlucht in de inlaatbuis terechtkomt; en de lucht daaruit opnieuw in de inlaatbuis kan komen. 4. Het derde lid, onder a, is niet van toepassing op het bemonsteren van ozon.

Rechtspraak bij dit artikel