**1.** Bij de monitoringspunten, bedoeld in de artikelen 12.16 en 12.17, wordt bemonsterd door de lucht in een inlaatbuis te laten stromen:
waarbij de lucht rond de inlaatbuis vrij kan stromen;
binnen een hoek van ten minste 270° of 180° voor metingen aan de rooilijn; en
zonder enige verstoring van de luchtstroom in de directe omgeving van het bemonsteringsapparaat.
**2.** De inlaatbuis ligt tussen de 1,5 m en 4 m boven de grond, tenzij een grotere hoogte nodig is.
**3.** De inlaatbuis ligt zo dat wordt voorkomen dat:
de uitstoot van bronnen rechtstreeks en zonder menging met de buitenlucht in de inlaatbuis terechtkomt; en
de lucht daaruit opnieuw in de inlaatbuis kan komen.
**4.** Het derde lid, onder a, is niet van toepassing op het bemonsteren van ozon.
Hoofdstuk 12 › Afdeling 12.2 › § 12.2.1 › § 12.2.1.2
Artikel 12.19
(wijze van bemonsteren algemeen)
Onderdeel van Omgevingsregeling· Ruimtelijke ordening en milieu
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2024